Kunst en Wetenschap
- Lid sinds 04 jul 2007
-
Ik wil kunstenwetenschap volgen
(Wat is dit? Wil je volgen wat een Vooruitlid doet? Welke voorstellingen deze persoon wil gaan zien of zag? Zijn reacties? De leden die hij zelf volgt? Wijzigingen aan zijn profiel?
Meld je aan en klik op “Ik wil X volgen”. Op je persoonlijk dashboard krijg je bericht zodra hij iets verandert.)


EEN GEZONDE GEEST IN EEN VERWAARLOOSD LICHAAM
EEN GEZONDE GEEST IN EEN VERWAARLOOSD LICHAAM
OVER DE ONTHECHTING VAN DE WETENSCHAPPER
Bijloke, Gent, 20 februari 2008
Deze bijeenkomst zou ik graag beginnen met een klein interactief moment. Ik zou u willen vragen om u een wetenschapper voor de geest te halen. Niet in het abstracte, maar met zoveel mogelijk lichamelijke details. Een wetenschapper van vlees en bloed.
Uiteraard kan ik niet volledig voorspellen hoe de door u ingebeelde persoon er uitziet, maar ik doe niettemin een poging. In het overgrote merendeel van de gevallen, zult u – dat denk ik althans – aan een man hebben gedacht. Als dat niet zo is dan verschilt u drastisch van andere groepen waaraan men een dergelijke vraag heeft gesteld.
Daarenboven gaat het niet om zomaar een man. Het gaat om een welbepaalde man. Ik ben vrij zeker dat het niet een jonge, gebronsde man met gespierde bovenarmen en een stevige kin betreft. Geen man met verzorgd, kortgeknipt haar en een afgetraind lichaam. Geen man die in het oog springt met een stralende gezondheid. [Tenzij u misschien aan een archeoloog hebt gedacht – dankzij Indiana Jones worden die (terecht overigens) als gebronsd en gespierd voorgesteld.]
De kenmerken die u de wetenschapper hebt toegeschreven, zouden wel eens op een eerder zwak, verwaarloosd gestel kunnen wijzen: een bril, verwarde haren, een bleek gezicht, een schriele lichaamsbouw. Het zijn ook dergelijke kenmerken die vaak terugkomen als men aan kinderen vraagt om een wetenschapper te tekenen – naast witte jassen en rokende erlenmeyers.
Waar komt dat toch vandaan, dat beeld van de lichamelijk zwakke, de verwaarloosde, ja zelfs de fysiek lijdende wetenschapper? Het is een vraag waar verschillende historici zich mee hebben beziggehouden. Ik deel vanavond graag hun bevindingen met u.
Er bestaat om te beginnen een lange traditie die wijsheid en ascese met elkaar in verband brengt. Verschillende antieke filosofen benadrukten dat de geest slechts grote hoogten kon bereiken, wanneer het lichaam aardse geneugten werd ontzegd. Socrates bijvoorbeeld was daarover duidelijk in zijn definitie van de filosoof. ‘De filosoof’, zo stelde hij, ‘bevrijdt zijn ziel van elke band met zijn lichaam; dit tot de grenzen van het mogelijke, in ieder geval verder dan andere mensen.’ Socrates’ eigen gevoel voor onthechting is tot op de dag van vandaag bekend gebleven. Wanneer hij om zijn kritische optreden ter dood werd veroordeeld, zo gaat het verhaal, ontvluchtte hij Athene niet, maar dronk hij de gifbeker.
Socrates’ ascese was zeker geen alleenstaand geval. Een nog extremer voorbeeld biedt
Diogenes van Sinope – door Plato ook omschreven als ‘een Socrates die doorgeslagen is’. Deze bedelaar-filosoof combineerde zijn heftige sociale kritiek met een algemeen misprijzen voor wereldse zaken. Naar verluidt, woonde hij in een ton en overleefde hij op een dieet van ajuinen. Alexander de Grote, één van zijn grote bewonderaars, zou aan Diogenes hebben verklaard dat hij hem alles mocht vragen. Het antwoord: ‘ga uit mijn licht staan’. Minder extreme, maar zeker zo invloedrijke voorbeelden van ascetisme en onthechting zijn te vinden bij filosofen als Pythagoras, Plato en de (nochtans vaak als liederlijk getypeerde) Epicurus.
Het is niet moeilijk om een lijn te zien van de ascetische denkbeelden en praktijken van het oude Griekenland naar die van het vroege christendom. Woestijnvaders en kloosterlingen allerhande bieden voorbeelden te over van lichamelijke ontbering die naar een hogere waarheid moest leiden. En er was natuurlijk ook Jezus Christus zelf. De verhalen over zijn ascetische levenstijl en uiteraard zijn lichamelijk lijden zijn bekend. De verlossing die hij bracht, zat precies verankerd in zijn lijden en sterven. Christus’ eenzame tocht door de woestijn legde daarenboven de nadruk op het belang van isolement voor het bereiken van waarachtige kennis. Vele van zijn volgelingen waren dezelfde idee toegedaan. Voor heremieten en kloosterlingen moest het contemplatieve leven letterlijk en figuurlijk los staan van de wereld – én los van de lichamelijke geneugten die daar te vinden waren.
Al deze ideeën leefden verder in de vroeg-moderne geleerdheid van de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw. Hoewel in deze periode ook publieke experimenten opgang maakten in speciaal daartoe toegeruste theaters, bleef geleerdheid omgeven met associaties van teruggetrokkenheid, verstrooidheid, ascese en onwereldsheid. Kennis had daarbij een prijs. Het isolement leidde – volgens de opvattingen van de tijd – vaak tot melancholie; het gebrek aan gezelschap kon in allerhande manieën uitmonden; het gebrek aan lichaamsbeweging leidde tot ‘uitgedroogde hersens’.
Eén van de geleerden die in zijn eigen tijd al bekend stond als het toonbeeld van de eenzaat was Isaac Newton. In de mythe die rond zijn persoon is geweven, is dat aspect alleen maar uitvergroot. Men heeft geschreven over zijn verstrooidheid, zijn sociale onaangepastheid en zijn ascetische eetgedrag. Een biograaf schreef: ‘[Newton] deed niet aan lichaamsbeweging, hield zich ver van eender welk vermaak, leefde onregelmatig en stond onverschillig ten aanzien van voedsel’. Daarenboven is er – vanaf de negentiende eeuw – ook fel gespeculeerd over de waanzin die Newton aan het einde van zijn leven zou zijn te beurt gevallen. Negentiende-eeuwers brachten waanzin en genialiteit wel vaker met elkaar in verband. Volgens sommigen was waanzin daarbij het gevolg van het uitputtingsregime waaraan grote denkers zichzelf onderwierpen. Het was met andere woorden het eindstation in een leven van lichamelijke verwaarlozing. Volgens anderen waren waanzin en genialiteit dan weer twee zijden van dezelfde medaille. Bij échte zieners – zo verklaarden verschillende Romantici – liepen de twee categorieën gewoon in elkaar over.
Naast de ‘waanzinnige wetenschapper’ was ook de ‘lijdende wetenschapper’ een belangrijk thema in het negentiende-eeuwse spreken over kennis. Dit lijden werd vaak in een haast religieuze beeldspraak beschreven. Dat houdt paradoxaal genoeg verband met het feit dat de wetenschap zich in deze periode definitief losmaakte van de religie. De wetenschap, zo benadrukten vele negentiende-eeuwse positivisten, leverde een andere, betere kennis dan de godsdienst. Vanuit die concurrentiepositie werd de wetenschap als een ‘tempel’ beschreven en wetenschappers als ‘nieuwe priesters’. In verschillende gevallen werden deze nieuwe priesters ook opgevoerd als ‘martelaren van de wetenschap’ – net zoals de Kerk haar eigen martelaren had. Het martelaarschap betrof dan niet enkel figuren die vervolgd werden omwille van hun denkbeelden (zoals Galileo Galilei) maar ook wetenschappers die precies door de aard van hun wetenschappelijk werk lichamelijk lijden moesten ondergaan.
Een goed voorbeeld van deze laatste categorie bieden de fysici Pierre en Marie Curie. Hun onderzoek naar radioactieve stoffen bracht hun gezondheid ernstige schade toe. Pierre Curie gaf in het begin van de twintigste eeuw enigszins laconiek commentaar bij zijn huidwonden en presenteerde die daarbij als een kleine prijs die moest worden betaald op weg naar hogere kennis. Hij stierf uiteindelijk vrij jong in een verkeersongeval, maar bij Marie Curie konden de langetermijngevolgen van het labowerk wél zichtbaar worden. Ze leed vreselijke pijnen, kreeg anemie en cataract en stierf uiteindelijk aan leukemie. Zelf hield ze dit uit de belangstelling, maar na haar dood werden haar exceptionele offers uitgebreid beschreven. Intussen had ook het Amerikaanse röntgenonderzoek al verschillende gelijkaardige martelaren opgeleverd. Wetenschappers, technici en assistenten verloren vingers, werden blind of overleden als gevolg van de straling. Van al die mensen waren het echter enkel de ‘eigenlijke’ wetenschappers die als martelaars werden gepercipieerd. Zij waren immers de enigen die intentioneel heetten te lijden in dienst van de fundamentele wetenschap. ‘They do it because it’s worth doing’, zo stond in 2003 nog te lezen in een commentaarstuk in Nature. Er werd daarbij onder meer naar het lijden van Marie Curie verwezen.
Naast stralingsonderzoekers waren onder meer ook poolreizigers erg bruikbaar in de martelaarsretoriek. Toen de eerste poolexpedities werden opgezet, was dat zonder direct maatschappelijk of economisch objectief. Het ging dus om pure, belangeloze wetenschap – die tegelijkertijd een erg risicovol was. De vrieswonden van de poolreizigers golden dan ook snel als de stigmata van wetenschappelijke martelaars. Ook hier werd echter niet alle lijden even sterk in rekening gebracht. Over de Inuït die bij de Peary en Cook-expedities betrokken waren in 1908 en 1909, werd enkel gemeld dat ze deelnamen ‘om hun verlangen om rond te zwerven te bevredigen, een verlangen dat persistent is bij eskimo’s die van nature nomaden zijn.’ Het zelfopgelegde lijden van de blanken werd onderscheiden van het ‘natuurlijk uithoudingsvermogen’ van niet-blanken.
De ‘exploratie’ van de poolreizigers leverde vanaf de late negentiende eeuw metaforen die voor de wetenschap als dusdanig konden worden gebruikt. Chemici, fysici en historici beschreven hun eigen activiteiten plots ook als ‘exploratie’, terwijl de natuurfilosofen-gentlemen van vorige eeuwen vooral niet geassocieerd wilden worden met het vuile geploeter en de fysieke ongemakken die met expedities gepaard gingen. Het ongemak, zo redeneerde men echter in de late negentiende eeuw, was noodzakelijk, het lijden de enige weg naar de waarheid. In Science, stond in 1883 te lezen: ‘Science must cheerfully undertake the severest labour to secure truth, and must deem no sacrifice too great in order to preserve it.’ Lijden voor de waarheid en niets dan de waarheid – onwereldser kon het niet.
Lijden en ziekte kwamen dus naast isolement, ascese en lichamelijke verwaarlozing te staan als kentekenen van de ware wetenschapper. In dezelfde traditie valt nog een laatste attribuut van de kennis te noemen: ouderdom. Het zijn niet de jonge, maar wel de verweerde gezichten van wetenschappers die iconisch geworden zijn. Als men zich Darwin voor de geest haalt is het nooit de gladgeschoren vijftiger die On the Origin of Species schreef; wél de grijze zeventiger met zijn profetische baard. Ook van Freud herinnert haast niemand zich de gezonde man die Die Traumdautung op de markt bracht en die in die dagen op een strak gekamde zijmeet en verzorgde snor prat ging; wél de bebrilde, kale, sigaarrokende, wat bleke figuur – weggezakt in zijn zetel. Einstein, tenslotte, ontwikkelde zijn relativiteitstheorie al toen hij halverwege de dertig was, maar de wat mollige figuur van de jonge Einstein – kortgeknipt en in tweed kostuum – wordt nog zelden afgebeeld. Steeds is het de ‘karakterkop’ van de ouderling, met verwarde lange haren en droeve ogen – het wereldvreemde genie, enigszins ondeugend, oud en wijs, met een diepgegroefd voorhoofd.
De beeldvorming over een persoon ontsnapt natuurlijk grotendeels aan de macht van die persoon zelf. Toch hebben wetenschappers en hun entourage vaak zelf bijgedragen aan de iconen die van hen zijn gecreëerd. Een goed voorbeeld is Darwins bijbels aandoende baard. Zoals alles in het leven van Darwin is de geschiedenis van die baard (als fysiek gegeven én als beeld) goed bestudeerd – in dit geval door de historica Janet Browne. Darwin, zo ontdekte Browne, liet zijn baard groeien in de nazomer van 1862, in de eerste plaats om de eczema in zijn aangezicht te verbergen. De impact ervan werd hem al snel duidelijk. Eén van zijn correspondenten, de bekende botanist Joseph Hooker, schreef onmiddellijk dat hij er nu uitzag als een Mozesfiguur; en een andere botanicus, Asa Gray, stelde dat ‘de eerbied inboezemende baard’ een leven van lijden leek te insinueren. Darwin zelf zinspeelde graag op de bijbelse associaties die zijn nieuwe uiterlijk opriep en vroeg vaak al grappend of hij er niet ‘eerbiedwaardig’ uitzag. Het is dit eerbiedwaardige beeld dat zich vanaf de jaren 1870 in de Victoriaanse pers zou verspreiden. De foto’s daartoe werden aangeleverd door Darwin zelf en later door zijn kinderen. Op de foto’s in kwestie, werd Darwin steeds meer als een ‘ontlichaamd’ genie afgebeeld. Zijn laatste bekende foto toont hem als een enigmatisch en fragiel geleerde, het lichaam haast volledig verborgen achter zijn hoed, cape en baard. Het is deze foto, die als voorblad zou worden gebruikt bij zijn autobiografie – die uitgegeven werd door zijn zoon – én die nog jarenlang het beeld van Darwin zou bepalen.
Toch kon het nog minder fysiek dan deze illustratie van de oude, zieke Darwin. Na zijn dood werden artikelen over hem immers vaak geïllustreerd met tekeningen van zijn lege studeervertrek. Elk lichaam ontbreekt daarin; enkel Darwins geestelijke activiteit wordt er nog in herinnering gebracht. Men ziet zijn boeken, zijn correspondentie, de resten van enkele experimenten. Het beeld roept een actief geestelijk leven in herinnering. Tegelijkertijd brengt het ziektebed op de achtergrond het lichamelijke lijden tot uiting dat Darwin gedurende een groot deel van zijn leven heeft gekweld – een thema dat hij zelf ook uitgebreid behandelde in zijn Autobiography.
De offerretoriek van zichzelf verwaarlozende wetenschappers geraakte in de twintigste eeuw volgens verschillende historici meer op de achtergrond. Zieners werden steeds meer vervangen door experts, zo wordt gesuggereerd. Kennis verloor zijn heilige karakter en daardoor ook zijn nood aan martelaars en heremieten. En toch zijn de oude beelden niet helemaal verdwenen. Dit bleek bijvoorbeeld uit de gretigheid waarmee de media in 2006 bericht uitbrachten over Gregori Perelman. Deze Rus had toen namelijk het meer dan honderd jaar oude Poincaré-vraagstuk opgelost – tot dan toe bekend als één van de moeilijkste wiskundige problemen ooit. De media zoomden echter niet zozeer in op de wiskunde, maar wel op de persoon van Perelman zelf. Ze beschreven hoe hij het miljoen dollar weigerde die het Clay Mathematics Institute in Massachusetts had uitgeschreven voor de oplossing van het Poincaré-vraagstuk. Men schreef over Perelmans schuwheid, over zijn lang verward haar, zijn onverzorgde nagels en zijn wilde blik. Men ging in op zijn kluizenaarschap, zijn afgeslotenheid van de academische wereld en de armoede waarin hij leefde (samenwonend met zijn moeder op een klein appartement). Uiteraard verschilde hij in dit alles van de doordeweekse wetenschapper. De media hielden echter van hem omdat hij zo ongelooflijk goed voldeed aan een oud stereotype: dat van de waarheidszoekende asceet, de wereldvreemde kluizenaar en de geniale gek. Perelman is geen typische wetenschapper. Hij is wél een wetenschapper zoals we hem graag voorstellen.
Verdere lectuur:
Rebecca M. Herzig, Suffering for Science. Reason and Sacrifice in Modern America (New Brunswick, 2006).
Christopher Lawrence en Steven Shapin (ed.) Science Incarnate. Historical Embodiments of Natural Knowledge(Chicago en Londen, 1998).
Steven Shapin, ‘“The Mind is its own Place” Science and Solitude in Seventeenth-Century England’, Science in Context, 4 (1990), 191-218.
Kaat Wils, ‘Lijden en sterven voor de wetenschap’, Karakter: Tijdschrift voor Wetenschap, nr. 15 (2006).
Bewaar dit item (0)
Voeg een reactie toe
Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.