Gijs
- Savior of Misbehavior
- Lid sinds 29 sep 2009
-
Ik wil Gijs volgen
(Wat is dit? Wil je volgen wat een Vooruitlid doet? Welke voorstellingen deze persoon wil gaan zien of zag? Zijn reacties? De leden die hij zelf volgt? Wijzigingen aan zijn profiel?
Meld je aan en klik op “Ik wil X volgen”. Op je persoonlijk dashboard krijg je bericht zodra hij iets verandert.)


Recensie van ‘WHB’, het debuutalbum van We Have Band.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Ik vond het fantastisch, eigenlijk. En dat terwijl ik doorgaans maar weinig snap van hedendaagse jazz. Ik kwam vooral voor de twee drummers: Lander Gyselinck is wat mij betreft hét opkomende drumtalent van België, en Han Bennink is een icoon dat ik nog niet live had gezien. Gyselinck verraste hier en daar met geluiden die ik nooit eerder uit een drumstel hoorde komen, en deed iets leuks met exact dezelfde walkie-talkies als die die ik als kind had. Bennink zat meer op de grond dan op z’n drumstoel, en gooide meer met z’n stokken dan hij ermee speelde. Een vreemd schouwspel, en zonder klank erbij zou iedereen vergeven zijn te denken dat een dementerende bejaarde op het podium een inzinking kreeg. Mét de klank erbij was het echter een bijzonder interessant concert, met voor mij een allereerste keer het gevoel dat ik er ook iets van begréép.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Warme lucht
De avond had zeker zijn goede kanten, maar er werd ook weer vrij veel gebakken lucht verkocht. Het interessantst was Joris Luyendijk, die een aantal interessante ideeën over de toekomst van de journalistiek aanbracht, maar daar werd weinig over door gepraat. Ine Van Linthout was te druk bezig met het collectief neerhalen van de Vlaamse kranten en Yves Desmet had zijn handen vol met het weerleggen van algemene kritiek door middel van kleine tegenvoorbeeldjes.
De film werd aangekondigd als controversieel, en wellicht was hij dat in zekere mate ook. Alleen was dat meer doordat Chris Atkins hier en daar zeer bewust de controverse had opgezocht dan door grote onthullingen of spectaculaire nieuwe inzichten.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Feestje voor geluidnerds
Omdat het meeste hierboven al gezegd is, zal ik me verder niet meer bezig houden met het stuk de hemel in te prijzen.
Wat ik wel nog het vermelden waard vind, dat is de veelheid aan geluiden die De Sutter en Decleir op het podium voortbrachten. De zee in een piepschuim doos, piepende hekken met een strijkstok, de drukte van de boerderij in allerlei kleine doosjes: ik heb nog nooit een stuk gezien waar met kleine middelen zo’n rijkdom aan klanken werd geproduceerd, laat staan dat het live op de planken werd gedaan en zo veel bijdroeg als in deze productie.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
De mooie melancholie van het reizen.
Ik heb altijd al bewondering gehad voor artiesten die meerdere genres mixen zonder het resultaat als een collage te laten klinken. In het geval van Yves Peeters group zijn die genres: blues, jazz, rock’n’roll, latin, country, rituele zangen en pop. Ik hou niet van de term ‘americana’, maar die is hier zeker van toepassing: het is ideale muziek om op zonnige zomerzondagen weg te dromen naar het land van eindeloze wegen en roadtrips.
Tijdens de eerste drie nummers droomde ik iets te letterlijk weg: de vermoeidheid, het donker, het neerzitten en de warmte spanden samen en lieten me ei zo na in slaap sukkelen bij de dromerige soundscapes van ‘New Mexico’. Het overkomt me vaker bij jazz in de Balzaal.
Gelukkig wist het vijftal me op tijd terug wakker te schudden met ‘Billy Pilgrim’, een iets harder nummer. De geniale gitaarintro waarmee Frederik Leroux het nummer op gang trapte was meteen één van de uitschieters van de avond. Andere hoogtepunten waren Nicolas Kummert die sax en zang op wonderlijke wijze tot één geheel verwerkte, Nicolas Thys die een soort sjamanistische rituele zang bracht in unisono met z’n basgitaar, Geert Hellings’ sobere maar uitermate sfeervolle lap steel in ‘After Life’ en Yves Peeters zelve die in ‘Ritual’ de dondergoden naar de loef stak. Verschillende stijlen, verschillende genres, verschillende muzikanten, maar één duidelijk afgelijnde sfeer: de mooie melancholie van het reizen.
Alles goedgekeurd dus, zij het hier en daar iets te braaf en kalm om mijn aandacht vast te houden. Op de genoemde zonnige zondagen hóef ik echter niet wakker te blijven, en dus heb ik het cd’tje gekocht om deze zomer in m’n hangmat bij weg te dromen. Ik beluister het momenteel voor de vierde keer en heb er nog geen seconde spijt van gehad.
1 reactieBewaar dit item (0)
Met uitzondering van Flat Earth Society kende ik geen van de artiesten van deze avond ook maar van naam. Maar er werd mij door mensen-met-smaak aangeraden Joelle Léandre zeker een kans te geven. Ik ben zeer dankbaar tegenover de mensen-met-smaak in kwestie: Léandre was inderdaad zeer de moeite: strijkend, plukkend, kloppend, zuchtend en zingend haalde ze allerlei klanken uit de contrabas waarvan ik niet wist dat ze erin zaten. Op zich is dat al interessant, maar Léandre wist daar dan ook nog eens mooie muziek van te maken, en dat is de échte verwezenlijking: improvisatie, technische hoogstandjes én aangenaam om naar te luisteren.
Flat Earth Society heb ik door andere verplichtingen niet gezien, dus daar kan ik weinig over zeggen.
Carbon werd aangekondigd met een verwijzing naar Sonic Youth, waardoor ik ze zeker een kans wou geven, maar ik vond het té repetitief. De elementen die wél veranderden werden begraven onder een luide, doordravende pletwals van lawaai. Ik ben niet tot het einde gebleven, dus misschien kwam er na verloop van tijd verbetering in, maar ik was dus niet onder de indruk van wat ik heb gezien.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Erop of Eronder
Goed gevulde avond, met uitschieters in beide richtingen. De opener, twee heren aan keyboards en een halve container effectapparatuur, was vijf minuten interessant maar speelde helaas veel langer dan dat.
De eerste film toonde sterrenhemels, begeleid door gekraak en gepiep dat men in het beste geval als “etherisch” kan omschrijven, in het slechtste als “irritant en ongeïnspireerd”.
De tweede film, “In order not to be here”, speelde heel slim om met de manier waarop in film spanning wordt gecreëerd. Veel van de beelden en hun begeleidende klanken zouden er in een horrorfilm voor zorgen dat je een schrikmoment verwacht, en al bij voorbaat de handen over de oren legt. Die schrikmomenten kwamen niet, maar zodoende werd er wel met de verwachtingen van de kijker gespeeld. Ook dit deel van het programma mócht iets korter, maar hier heb ik wel van genoten.
Het luisterspel “Nightscape (3)” in volstrekte duisternis was indrukwekkend: opnames van – veronderstel ik – een nieuwjaarsnacht, van kort voor twaalf uur tot bij het uitsterven van de laatste vuurwerkknallen. Tegelijk deed het feestelijke lawaai, zonder de kleurrijke visuele begeleiding, me bij momenten ook aan artillerie, bombardementen en geweersalvo’s denken. Misschien was dat de bedoeling, misschien niet.
Van “Lightmaze”, de compilatie super-8 films van Paul Clipson, en de muzikale begeleiding van Fowler Collins kan ik niet zeggen wat ik er zo goed aan vond, maar ik vond het prachtig. Ik weet niet of Collins bewuste keuzes maakte voor de begeleiding van bepaalde onderdelen (ik weet zelfs niet of hij de beelden kon zien van waar hij zat), maar door de combinatie van vage, nét-niet-concrete beelden in prachtige kleuren en de dromerige muziek kwamen in mijn hoofd allerlei betekenissen tot stand. Inspirerend, noemt men zoiets.
Een publiekslieveling, tenslotte, was de doorlopende installatie “the origin of painting”, een muur in een donkere kamer waarop je met lampjes kon tekenen en waar om de zoveel tijd een flits de schaduwen van de toeschouwers op de muur vastlegde; een technisch hoogstandje dat voor veel plezier zorgde bij het bedenken van grappige poses. Ik zou graag zo’n muur op m’n kamer hebben, maar ik vrees dat het niet goedkoop is.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Ik deel de mening van Does: allemaal best mooi, maar nergens fantastisch. Ik vond Bosque Brown beter dan The Bear That Wasn’t, maar geen van beiden kon ik me de dag nadien nog herinneren.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Ik sluit me aan bij Joha hierboven: ik vond het heel leuk, maar ook ik kan niet meteen uitleggen hoe dat komt. Wat me wel opviel is dat Bauer duidelijk iemand is die héél nauwkeurig observeert hoe verschillende soorten mensen in verschillende situaties bewegen, en die observaties gebruikt om die bewegingen zelf haarfijn na te spelen. Volgens mij bestudeert ze op diezelfde manier zelfs dieren: de kinderlijke onhandigheid van de beer was tegelijk hilarisch en ontroerend, maar bovenal heel herkenbaar voor iedereen die ooit een jong dier de wereld heeft zien verkennen. Het gedeelte met de ladder vond ik iets minder fantastisch, maar het deed geen afbreuk aan de schoonheid van het stuk.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
De documentaire “Hazentijd” was een mooie kennismaking met de markante figuur die Han Bennink is, als drummer, als beeldend kunstenaar en als natuurliefhebber.
Jules Deelder en Remco Campert waren goed, maar struikelden net iets te vaak over hun eigen woorden om écht te overtuigen. Het weinig relevante saxofoonspel van Ben Sluijs zal daar misschien voor iets tussen zitten; de combinatie was nogal geforceerd en ik meende vooral Campert een paar keer geïrriteerd te zien kijken bij de lange improvisaties die bij momenten nergens heen gingen.
Erik Truffaz en Malcom Braff brachten muziek die aan klassieke ideeën over schoonheid beantwoordde, iets wat naar mijn bescheiden mening in de hedendaagse jazz iets te zelden gebeurt. Al was dit dan bij momenten weer té braaf.
Hairy Bones was niet veel meer dan héél veel energie op het podium, gebracht door muzikanten die recht uit een metalcafé lijken te komen. Maar héél veel energie, daar komt een mens al een eind ver mee. Ik probeerde me tijdens het concert voor te stellen hoe een combinatie van jazzballet en een moshpit eruit zou zien, maar ik ben tot dusver niet tot bevredigende antwoorden gekomen.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Ik ben gisteren nog even blijven zitten na het stuk om de babbel met Goerger achteraf te volgen. Lang heeft dat niet geduurd, maar het hielp wel om de conceptie van het stuk te begrijpen. Blijkbaar is het ontstaan vanuit een op vier dagen inéén geflanst improvisatieproject, waarbij hij zichzelf, zoals men dat bijvoorbeeld ook bij muzikale improvisatie doet, een aantal beperkingen had opgelegd. Met name de beelden (fruit, schilderij, video met maskers, etc.) waren bij iedere voorstelling dezelfde, en de performance bestond aanvankelijk uit één verhaal dat hij improviseerde, met als regel dat hij álle beelden moest gebruiken. Pas later heeft hij de improvisatie achterwege gelaten en vijf dergelijke verhalen tot één performance gekneed.
Met die achtergrond erbij begrijp ik nét ietsje meer van het stuk, dat inderdaad niet altijd even duidelijk was. Het franglish dat hierboven al uitgebreid ter sprake kwam zat daar zeker voor iets tussen, maar de sprongetjes die hij maakte waren soms ook doelbewust onbegrijpelijk; zoals hij zelf zei: soms is wat je niet begrijpt het mooiste, en soms is het mooiste wat je niet begrijpt.
Dat zijn platenspeler/recensent gisteren met “fantastic” uitpakte, dat is een beetje een overschatting, maar de overige mogelijkheden (“shabby”, “20 minutes too long”, “just a good idea”, etc.) zouden minder terecht zijn geweest.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Hypnotiserend
Hierboven wordt al gemeld dat het optreden bij momenten bezwerend klonk, en ik wil daar graag aan toevoegen dat ik nog maar zelden tevreden ben geweest over een concert waar ik bij in slaap viel. Deze keer dus wel. Ik was heel moe, dat heeft er veel mee te maken, maar de kalmte en de hypnotiserende melodieën van Iyer en Mahanthappa zorgde ervoor dat ik bij momenten wegdommelde. En dat is dus niet omdat het saai was: beide heren zijn zo perfect op elkaar ingespeeld (bij momenten was nauwelijks hoorbaar waar de piano stopte en de sax begon) dat ik durf srpeken in hoogdravende termen als “ware schoonheid”.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Twee aangename verrassingen.
Ik kende noch Blackie & the Oohoos, noch Dez Mona op voorhand. De eerste wegens nog vrij klein, de tweede wellicht door het gebrek aan gitaren. Maar beiden onterecht, zo blijkt.
Blackie & the Oohoos was het origineelste dat ik dit jaar al heb gezien, en het bewijs dat originaliteit niet betekent dat je allerlei absurde instrumenten boven moet halen. Hele mooie samenzang tussen de twee zusjes, hele goeie muzikanten, en gewoon verdomd knappe liedjes.
Dez Mona kostte me even moeite om te wennen aan de stem, maar toen ik die eenmaal gewend was, zag ik vooral een heel goed concert. Al was het hoogtepunt voor mij dan het nummer dat niet op de plaat is geraakt. Als iemand een bootleg weet te vinden, laat het me weten.
1 reactieBewaar dit item (0)
Nogal slapjes
Ik vond de muzikale begeleiding eerlijk gezegd een beetje slapjes, en kreeg maar zelden echt de indruk dat ze nauw bij de film aansloot. Ik had misschien te hoge verwachtingen op dat vlak (ik dacht aan het werk van Carl Stalling), maar zelfs dat verklaart niet alles. De bij momenten wel érg goedkope elektronische niemendalletjes uit het keyboard van Derycke zelf waren zelfs ronduit storend.
De film blijft desalniettemin een klassieker, en het was een stuk minder aangenaam geweest zonder muzikale begeleiding, dat is een feit. Maar meer dan de projectie opleuken deden de heren niet, en dat is jammer.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Goed voorprogramma
Ik moet eerlijk bekennen dat ik geen van beide bands kende, en dat enige kennis van de nummers mijn oordeel had kunnen beïnvloeden, maar mijn ervaring was de volgende:
Lawrence Arabia: prachtige zomerse popnummers, licht psychedelisch en net niet té zoet. Koop ik zeker een cd van als ik nog eens geld heb.
Beach House: wist me absoluut niet te boeien. Ik ben na vier nummers weggegaan omdat ik al vier keer hetzelfde had gehoord en het mij niets deed.
Conclusie: goed voorprogramma!
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Ik zal er wel weer keihard naast zitten, maar...
...ik vond het lichtjes fantastisch. Theater is zeker niet mijn normale omgeving, dus ik ben wellicht niet veel gewend, maar ik herinner me van vorige theateruitstapjes dat ik gemiddeld een derde van de tijd zit te geeuwen of op m’n horloge te kijken. En dat had ik deze keer dus niet. Het stuk ging vooruit, zonder overbodige versierseltjes. Sober decor, sober acteerwerk, sobere tekst, allemaal héél basic, maar dat was voor mij net de kracht van het stuk.
Ik heb, in tegenstelling tot bovenstaanden, met volle teugen genoten van de nonchalance van Decorte’s acteerwerk en het jemenfoutisme van de schreeuw- en danspassages, en ik heb een zwak voor absurde ideeën zoals de volstrekt irrelevante giraf. Het stuk was bovendien nergens moeilijkdoenerig, en dat vind ik op zich al een prestatie.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Voer voor fans van eclectische waanzin
Toen mijn leraar muziek op de middelbare school volgens zijn cursus iets moest vertellen over muzikale humor, raakte hij niet verder dan een liedje van urbanus. Dat enkel de tekst, en dan nog nauwelijks, grappig was, dat ontging het overgrote deel van de klas.
Muzikale humor, voor mij is dat de kunst van iemand te doen lachen door op instrumenten te spelen. En daarin slaagden de 4 heren van Mostly Other People do the Killing zeker. Waar ze ook in slaagden was steengoed spelen, en het publiek een waanzinnig optreden voorschotelen.
Stel je vier zatte nonkels voor die hun ‘nuchterheid’ willen bewijzen, niet door op één been te staan of op een rechte lijn te lopen, maar door in één trek de hele jazzgeschiedenis door de verhakselaar te jagen. Mijn hyperactieve iconoclastenzieltje kwam een klein beetje klaar, en dan waren we nog maar één nummer ver.
De muziek reisde heen en terug tussen de wijnafdeling van Delhaize en de straten van Kabul, met zachte passages waarin de zat rondstrompelende contrabas vergeefs het rimte van de bulderlachende tenorsax opzocht, en harde stukken waarin de drummer zich in een hardcore punkband waande en de trompettist zijn instrument daar nog eens over heen liet schreeuwen. Tekenend voor de gekte was een rondje trading fours tussen een drumcomputer op overdrive en een melige blazerspartij.
Als deze recensie klinkt alsof ze in de fik staat, dan komt dat enkel en alleen omdat MOPdtK de zaal in lichterlaaie zette. Ik ben geen jazzkenner, ik zal het wellicht nooit worden, maar dit optreden was voor mij een topper.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Lange Metten Revisited
Ik kan me aansluiten bij Iris (zie hierboven) wat betreft de verteerbaarheid van de avond. Al ligt dat voor mij niet aan de verscheidenheid, maar aan de lengte van de afzonderlijke delen.
Neem nu “Pieces of Quiet”, de installatie met geluid en tv-schermen. Voor een liefhebber van lawaai, rare geluiden en experimentele muziek als ik zeker interessant. Maar niet zó lang. Met zo weinig variatie was 5 minuten voor mij de maximum aandachtsspanne.
“Perfides” was in hetzelfde bedje ziek: leuk idee, leuk gebracht, maar te lang. Er waren, vanaf ergens halfweg, verschillende momenten waarop het stuk had kunnen eindigen, maar toch bleef het maar doorgaan. Ook het snoepgooien wordt na twintig keer vervelend.
De “Letter Pieces” konden mij zeker wél bekoren: simpel idee, strakke uitvoering, en niet te lang. Het hielp natuurlijk ook wel dat de stukken over de hele avond gespreid werden.
Stef Heeren vond ik lichtjes fantastisch, zoals hij plots op het balkon in tegenlicht verscheen. Hij speelde op de gitaar van mijn dromen, en de mix van folkliedjes met spaarzaam aangebrachte elektronische snufjes vond ik prachtig.
Het gedoe met de computers deed me bitter weinig. Ook weer veel te statisch en repetitief om lang te boeien. De passage met modemgeluiden beloofde even beterschap, maar ook die belofte werd niet waargemaakt.
De poëzie van Eva Cox, ten slotte, was een verrassing. Het begon met de intonatie van een dictie-oefening, die een touschouwster naast me vergeleek met de voorleesstem in het sprookjesbos van de Efteling. Na een beetje wennen werd het echter beter: als ratelslang met een delirium reeg Cox knappe beelden en spitsvondige taalspelletjes aan elkaar. In mijn notitieboekje staan de woorden “straffe paté”, en ik kan mezelf daar volledig gelijk in geven.
Al bij al dus zeker een aangename avond, maar wat mij betreft mogen de stukken nog wat verder in lengte beperkt worden, zeker als er weinig variatie in zit.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Meelezer van november: Juliet, Naakt van Nick Hornby
“Juliet, Naakt” begint met een scene waarin een geobsedeerde muziekfanaat het toilet bezoekt waar zijn grote idool heeft besloten te kappen met zijn carrière. Niet onbegrijpelijk dus, dat ik, met “High Fidelity” en “31 Songs” in het achterhoofd, een boek verwachtte dat doorspekt zou zijn van muzikale referenties en bedenkingen. Al snel blijkt de muziek echter slechts een middel te zijn om andere thema’s te introduceren en aan te kaarten.
Duncan, de muziekfanaat waarvan sprake, onderhoudt vanuit het troosteloze kustdorpje Gooleness een website over Tucker Crowe, een fictieve songwriter. Als er plots, tegen alle verwachtingen in, een akoestische versie van Crowe’s beste album Juliet (een “naakte” versie, vandaar de titel) verschijnt, is Duncans vriendin Annie minder door het dolle heen dan hijzelf, waardoor hij troost zoekt in de armen van een ander. Niet veel later reageert Tucker Crowe zelve op Annies recensie van het album, en is het boek aanbeland bij zijn ware thema: kapotte en disfunctionele relaties. Tucker heeft een heel geschiedenisboek vol ex-vrouwen en van hem vervreemde kinderen, Duncans nieuwe liefde vindt zowat alles zonder onderscheid gewéldig, en Annie merkt dat ze misschien wel verliefd is op Tucker. De rest van het verhaal laat ik onbesproken, om niets te verpesten voor wie het boek nog wil lezen.
“Juliet, Naakt” geeft een heel scherpe analyse van idolatrie; hoe fans liever legendes dan de waarheid geloven, hoe blind bewondering kan zijn, en hoe het internet obsessies kan aanwakkeren. Hornby behandelt deze onderwerpen in zijn eigen kenmerkende stijl; vlot, met rake observaties en de nodige humor. Ik heb het boek dan ook in één trek uitgelezen, wat tegenwoordig niet al te vaak meer voorkomt. Het enige wat ik enigszins jammer vond is dat, gezien Tucker Crowe niet meer is dan een verzinsel, ik voor het eerst een boek van Hornby heb moeten lezen zonder de genoemde nummers als soundtrack. In dat opzicht past “Juliet, Naakt” niet helemaal in het plaatje van “It’s Only Rock ‘n’ Roll”; de rol van muziek kon evengoed zijn toebedeeld aan literatuur, film, poëzie of sport. Enerzijds maakt dat het verhaal algemener en in bredere kringen herkenbaar, anderzijds blijft de Duncan in mij enigszins op zijn honger zitten.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Mark & De Makke Medemuzikanten
Alles wat Lanegan aanraakt verandert in goud. Het is hierboven reeds aangehaald, en doorgaans klopt het ook. Maar blijkbaar zijn er ook muzikanten die daar iets té hard in geloven. Die denken dat ze dan zelf helemaal niet meer hun best hoeven te doen. Op plaat valt het allemaal best mee met de Soulsavers, daar niet van, maar live was het al bij al een zeer makke bedoening.
Neem nou het nummer Paper Money, een absolute uitblinker op het eerste album. Een nummer met ingehouden dreiging op de achtergrond, die ergens (op 2 minuten 25 seconden, zoek maar op) heerlijk losbarst in haast hysterische vocale uithalen van de achtergrondzangeressen. Live kun je daar een bom van maken. De gitaren laten janken, het licht de hele zaal rond laten flitsen, die zangeressen de ziel uit hun lijf laten schreeuwen. Niks van dat alles. De gitarist had meer aandacht voor z’n sigaret, en de zangeressen waren zelfs helemaal van het podium verdwenen.
Al kon zowat de hele band daar wel een voorbeeld aan nemen: als je niet mee speelt, ga dan even aan de kant. Het vierkoppige roken op de achtergrond was niet bepaald bevorderend voor de kracht van een intieme en spaarzaam begeleide versie van “Spiritual”.
Niet dat alles slecht was. Er waren zeker een paar hoogtepunten, zoals “Kingdoms of Rain” (een oud nummer van op Lanegan’s eerste soloplaat), “Hit The City” (een minder oud nummer van Lanegan’s laatste soloplaat), “Jesus Just Left Chicago” (een cover van ZZ Top) en – toch nog één soulsaversnummer, helemaal als laatste van de bisronde – “Revival”.
Lanegan moet dringend weer eens een soloplaat gaan opnemen, en liefst met muzikanten die hem een iets steviger ondergrond kunnen bieden. Wie hem ooit met Twilight Singers aan het werk heeft gezien, zal woensdag niet zonder teleurstelling naar huis zijn gegaan. Wie hem voor het eerst aan het werk zag en ervan heeft genoten: you ain’t seen nothing yet.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Romeo and Juliet 23 oktober 2009
Ik geloof dat ik me grotendeels bij Iris hierboven moet aansluiten. Al ben ik wél compleet fan van mensen in dierenkostuum die sullige dansjes uitvoeren.
Ik vond het concept zéér interessant, en het is inderdaad vrij schandalig dat niemand z’n culturele erfgoed nog grondig lijkt te kennen – ook ik pleit schuldig. De uitvoering was echter nogal saai en langdradig, en het truukje met de letterlijk geciteerde spreektaal, met alle aahs en euhs inbegrepen, werkte beter in Rambo Solo.
Er valt op theaterwetenschappelijk niveau vast iets te zeggen over het feit dat twee acteurs zich de moeite getroosten om andermans slordige vertellingen lijn voor lijn in te studeren terwijl niemand nog meer dan een tweetal zinnen van het oorspronkelijk stuk kan citeren, en ik hoop dan ook dat de deskundigen terzake zich met deze discussie moeiten.
Mijn conclusie is echter: knappe ideeën, maar niet genoeg om een entertainend stuk van te maken.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Rambo Solo 17 oktober 2009
Beste Frank, mijn reactie bleef wat uit door computerproblemen. Dat heeft als voordeel dat ik al enige reacties van anderen heb om in mijn mening te betrekken. Met dank aan jou zelfs zowel positieve als negatieve reacties.
Ik vind net als jij, Frank, dat het iets te langdradig was. Met name na het einde van het eigenlijke Ramboverhaal werd er iets te lang doorgeboomd.
Voor het overige heb ik echter niks dan lof voor Oberzan’s monoloog. Het jongetjesachtige enthousiasme waarmee hij het verhaal bracht, inclusief hyperkinetische gevechtsnabootsingen en een af en toe aflatend geheugen, zorgde voor een haarscherpe nabootsing van een spontane vertelling. Alle aahs en euhs waren echter, getuige de videoweergaven, perfect ingestudeerd en getimed, en zodoende blijkt een benadering van ‘natuurlijk’ taalgebruik in theater mogelijk lastiger te zijn dan ingestudeerde schrijftaal.
Los van dat soort theoretische beschouwingen (waar ik me als relatieve theaterleek niet té diep in durf te wagen) wil ik ook nog mijn bewondering uiten voor de ongetwijfeld fysiek en mentaal zeer zware prestatie van Oberzan. Enkel kinderen kunnen intenser vertellen, en die houden het niet eens zo lang uit.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Masters of Reality
Soms, beste lezer, is het noodzakelijk om aan het begin van je recensie al heel eerlijk bepaalde dingen op te biechten. Bijvoorbeeld dat de groep die je gaat recenseren behoort tot het selecte clubje goden waar je ’s nachts wel eens een gebedje aan richt. Bij deze: ik ben al 7 jaar fan van Masters of Reality, en dit was de eerste keer dat ik ze live te zien kreeg. Objectiviteit niet gegarandeerd dus.
Voorprogramma van dienst was Drums Are For Parades. Bepaalde vrienden van me vinden die behoorlijk geweldig. Ik vond de sound niet slecht, maar ik vond de nummers niet echt veel soeps. Het klonk allemaal nogal hetzelfde. Let wel: dat heb ik in het verleden ook gezegd over groepen die ik na een paar cd-luisterbeurten gewéldig vond. Als iemand mij een album van deze heren opstuurt, dan zal ik ze zeker nog een eerlijke kans geven.
Na een stukje platendraaierij van de broertjes Dewaele (wiens eerste album als Soulwax geproducet werd door Masters-frontman Chris Goss, vandaar) werd de hoofdschotel van de avond geserveerd. Over de eerste veertig minuten heb ik eerlijk gezegd niet veel te vertellen, gezien die vooral bestonden uit nieuwe nummers, en ik vind het nieuwe album nu eenmaal niet zo heel goed. Ook helden worden oud. Maar daarna werd het beter: monolithische riffs afgewisseld met catchy melodieën en een stem uit de duizend. Hoogtepunten: “Blue Garden”, “Third Man On The Moon”, “Rabbit One”, het akoestische intermezzo waarbij drummer John Leamy tweede stem en keyboard leverde, en een zeer speelse vraag- en antwoordsolo tussen Goss en bassist Paul Powell. Hier en daar werden dat soort improvisaties iets té lang gerekt, zoals in het – enige en ongeveer vijftien minuten durende – bisnummer “She Got Me (When She Got Her Dress On)”, maar over het algemeen was de balans tussen gestructureerde songs en (zeer straffe) instrumentale kunstjes, wat mij betreft, perfect.
Democrazy heeft een wild briesend en stampend beest van een najaarsprogramma op stapel staan, en dit concert was nog maar het begin. Coming up: Das Pop, Soulsavers ft. Mark Lanegan en The Mars Volta, om er maar een paar te noemen. Sla maar alvast een voorraad oordoppen in.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Almost Cinema: Het Verslag van een Cultuurbarbaar.
Als 5 For Students-teamlid kon ik gisterenavond, samen met enkele medeteamleden, genieten van een begeleid bezoek aan Almost Cinema. Doorgaans ben ik niet wild van moderne kunst. Doorgaans, maar soms (heel soms) weer net wél, dus ik blijf de kans grijpen om ermee geconfronteerd te worden. Zeker als het, zoals nu, compleet gratis is. Een verslag:
Kunstwerk nummer één werd ons voorgesteld als “de natte droom van elke geluidskunstenaar”, en toegegeven, de geluidsnerd in mij vindt het wel vet cool: twee bakken water die afwisselend bevriezen en ontdooien, waarvan de klank versterkt wordt met contactmicrofoons en bladspeakers. Naar verluidt nog ecologisch verantwoord ook: ergens in Nederland heeft iemand met het koelings-/opwarmingssysteem een opleiding succesvol afgerond.
Tweede kunstwerk: een paar honderd kleine vlaggetjes van rijstpapier op de grond, waarmee de kunstenaar (een fysicus van opleiding) de kleine luchtverplaatsingen op grondhoogte zichtbaar maakt. Vooral mooi vanop het balkon, maar nu ook niet omzeggens spectaculastisch.
Het derde werk, “Celebration” van Hans Op de Beeck, komt het dichtst in de buurt van film. Men zou zelfs kunnen zeggen dat het – jawel – almost cinema is. Op een scherm wordt een tien minuten durende video geprojecteerd van een gedekte feesttafel midden in de woestijn, compleet met slingers, hapjes en aperitief, en omgeven door een aantal koks, een sommelier en zaalpersoneel. Er wordt in deze video geen woord gezegd, de bewegingen beperken zich tot een geeuw en wat ooggeknipper, en als het tafelkleed niet zou bewegen in de wind, dan zou je zweren dat je naar een foto staat te kijken. Blijkt dat nog de bedoeling te zijn ook. De gids noemde het een videoschilderij, en ik vind dat zij daarmee een mooi woord heeft geschapen. Voor mij hield deze net-niet-film het midden tussen een interessante vraagstelling omtrent de eigenschappen van bewegend beeld en een eerder karig becommentarieerde documentaire over de wereldkampioenschappen niet bewegen. De slapende kerel links won volgens mij, maar de resultaten van de fotofinish zijn nog niet binnen.
De volgende installatie bevindt zich in de vitrine van het bespreekbureau. Daar heeft een jazzmuzikant iets met rubberstroken en motoren neergezet. Door die stroken netjes gechoreografeerd te laten draaien treden allerlei visuele effecten op. Niet bepaald wereldschokkend, maar dat verwacht uiteraard niemand van een muzikant.
In een lokaal naast de Vooruit heeft een architect zijn ding gedaan met beamer en muur. Netjes op maat van het lokaal geprogrammeerde projecties creëren nieuwe muren en laten echte muren verdwijnen. Heel knap technisch hoogstandje. Hartstikke nerdy, natuurlijk. Maar dan op een goeie manier.
Nummer zes: creatief met LCD. In plaats van een gewoon LCD-scherm kregen we een projectie te zien van een plaatje waarop zich losse druppels vloeibare kristallen bevinden. Door de warmte van de lamp en de kamer verdampen deze druppels, wat beweging in de projectie veroorzaakt. Ik zag vooral een duur alternatief voor een trage lavalamp.
Zeven: spiegeltje, spiegeltje aan de wand, waarom doet gij zo ambetant? Een muur van spiegels die wegdraaien als je ervoor gaat staan. Niet geschikt voor de badkamer dus, maar wel voor tentoonstellingen. Een beamer projecteert een foto van een woestijnhorizon op de spiegels, en die wordt bijgevolg vrolijk in het rond gefragmenteerd. De symboliek is iets met het feit dat tegenwoordig steeds meer mensen met elkaar verbonden zijn door allerlei media, en het schril contrast daarvan met de bouw van steeds meer fysieke muren tussen mensen (zoals de Israëlische Westoeverbarrière), maar dat had u uiteraard al door. Toch?
Eindhalte: “Les gens qui sont morts”. Een installatie die ook dienst doet als decor voor een performance. Ik ben er nog niet uit of ik het jammer vind dat ik enkel het decor te zien heb gekregen. Een hondertal meter politielint, een vijftal opblaaspoppen die afwisselend worden opgeblazen en leeggelaten, een bescheiden selectie rondgestrooid meubilair en een geluidsband die naar het macabere neigt; het heeft iets van doen met oermoeders, eeuwige reizigers en mensen uit een andere tijd, maar ik had mijn portie onbeholpen vaagheid wel weer gehad.
Ik en moderne kunst: het zal altijd een haat-liefderelatie blijven, maar met een waterkansje op liefde zal ik ook in de toekomst gretig elke gratis rondleiding bijwonen. Al is het maar om eens geconfronteerd te worden met Westoeverbarrières en mensen uit een andere tijd.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)