Boleuzia
- Lid sinds 21 jan 2009
-
Ik wil Boleuzia volgen
(Wat is dit? Wil je volgen wat een Vooruitlid doet? Welke voorstellingen deze persoon wil gaan zien of zag? Zijn reacties? De leden die hij zelf volgt? Wijzigingen aan zijn profiel?
Meld je aan en klik op “Ik wil X volgen”. Op je persoonlijk dashboard krijg je bericht zodra hij iets verandert.)


Goddeau-verslag
http://www.goddeau.com/content/view/10074
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Goddeau-verslag
http://www.goddeau.com/content/view/10073
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
een verslag
uitstekend concert en zoals kynicus zegt: mooi dat er toch een ferm publiek opgedaagd was (dat het duidelijk wist te smaken)
http://www.goddeau.com/content/view/9038
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Verslag Dag 2
http://www.goddeau.com/content/view/8768
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Verslag Dag 1
Voor wie wil:
Reageer als eerstehttp://www.goddeau.com/content/view/8767
Bewaar dit item (0)
Goddeau verslag
Het Istanbul Ekspres Festival, waarbij De Centrale en de Vooruit de culturele hoofdstad van Europa negen dagen centraal stellen, kon uitpakken met een even gevuld als divers programma. We konden slechts de voorlaatste avond meepikken, maar als die representatief was voor het hele gebeuren, dan kan de eindbalans enkel positief zijn.
Op het programma stond immers niemand minder dan Aka Moon, de meest vooraanstaande world jazz band van het land en een trio dat (vooral live) voortdurend op zoek blijft gaan naar nieuwe uitdagingen en samenwerkingsverbanden. Waren er in het verleden al concerten en albums met de Malinees Baba Sissoko, de Senegalees Doudou N’Diaye Rose en de Indiër Umayalpuram K. Sivaraman, dan werd nu meteen de kans aangegrepen om samen te werken met de Turkse meesterpercussionist Misirli Ahmet, een darbukavirtuoos die met het trio een trip door het Midden-Oosten zou maken.
Het mooie aan Aka Moon is de openheid waarmee hij zijn compagnons de route tegemoet treedt. Als je de band met gasten aan het werk ziet, dan krijg je immers zoveel meer dan ‘Aka Moon + X’, waarbij de X aangepast wordt naargelang de gast. Nee, het is ook Aka Moon die zich aanpast, zich de muzikale taal van de gast eigen maakt en zo goed als mogelijk een evenwicht probeert te vinden tussen zijn instant herkenbare stijl, intuïtieve interactie en de achtergrond en ideeën van die gast. De muziek die je Aka Moon deze zomer kon horen spelen op Jazz Middelheim, in het gezelschap van Baba Sissoko en de zijnen, was dan ook verschillend dan wat ze gisteren lieten horen.
Staat de band er met West-Afrikaanse muzikanten, dan is zijn muziek aardser, sensueler, repetitiever en opzwepender. Dat is in de samenwerking met Misirli Ahmet heel anders en kan enkel gezien worden als een bewijs van de imposante muzikaliteit en virtuositeit waar deze band mee kan uitpakken. Fabrizio Cassol (altsax), Michel Hatzigeorgiou (elektrische bas) en Stéphane Galland (drums), dat zijn kerels die de muziekmicrobe, de dans en het feest in het bloed hebben. Het zijn kerels die grootgebracht werden op een dieet van P-Funk, Fela Kuti, Maliblues, Sun Ra en Herbie Hancock en er met de beste wil van de wereld niet in slagen om afstandelijke, cerebrale muziek te maken.
Nochtans was het ritmisch een heel ander beestje dan met Sissoko. De kaart van de herhaling werd minder sterk uitgespeeld en vooral Galland mocht het voortouw nemen met een soms verbluffende performance. ’s Mans vol polyritmiek gestoken spel was enorm gedreven en divers, technisch virtuoos en soms explosief, en dat terwijl de glimlach nooit verdween. De interactie met Misirli Ahmet was van meet af aan ongemeen speels en boeiend. Bij momenten ook behoorlijk subtiel. Het lijkt wel alsof zo’n darbukaspeler niet meer doet dan met z’n handen tegen een trommelvel kletsen, maar dan zou je voorbij gaan aan een immens arsenaal aan complexe ritmes, bewegingen en technieken, manieren om geluid te manipuleren.
Hoewel een aantal songs een vergelijkbare structuur hadden—uitpakken met een melodieus basisthema dat doorgaans werd geïntroduceerd door Hatzigeogiou, een of meerdere tempowisselingen en een terugkeer naar het beginstuk—was het soms duidelijk dat het nog ging om een première, al is deze band zo bevlogen, zo sterk op elkaar ingespeeld, dat er van stilvallen of communicatieproblemen geen sprake is. De muziek vloeide en wiegde, danste en knetterde en kon van meet af aan rekenen op een indrukwekkende respons. Heel even leek het alsof Galland zich iets te uitsloverig ging opstellen, met eens reeks even indrukwekkende als vermoeiende ritmewisselingen, maar dat werd dan weer gecompenseerd door de aanstekelijke spelvreugde en het weerwerk van de Turk, die z’n bewondering voor de Belgen niet wegstak.
Twee bissen en een staande ovatie was het eindverdict en dat was eigenlijk niet meer dan terecht, want Aka Moon toonde zich nog maar eens als een gewéldige liveband, eentje van internationale klasse en soigneerde zijn gast zoals die dat vast nog niet vaak had meegemaakt. Straf!
Reageer als eerstehttp://www.goddeau.com/content/view/8504
Bewaar dit item (0)
Goddeau-verslag
De “Pay What You Want”-actie, waarbij studenten zelf de ticketprijs kunnen bepalen bij een aantal voorstellingen, had duidelijk voor de gewenste resultaten gezorgd en een hoop volk naar de Vooruit gelokt. De Balzaal was verrassend goed gevuld voor een jong Belgisch trio en een pianist die alle registers open trok.
Image
De naam alleen al, De Beren Gieren, spreekt boekdelen. Hier geen pianotrio dat teert op voorspelbare spielereien, maar een stel jonge snaken dat jazz van z’n wat duffe imago af wil helpen en daar best goed in slaagt. Pianist Fulco Ottervanger, bassist Lieven Van Pee en drummer Simon Segers wonnen in 2009 de editie van Jong Jazztalent, wat een aantal mooie kansen met zich meebracht. Zo mocht het trio aantreden op de recentste editie van Gent Jazz en worden ze nu het land rondgestuurd in het kader van de JazzLab Series.
En er is wel meer bewijs van hun gretigheid: Ottervanger was al aan het spelen voor z’n kont het stoeltje raakte en van meet af aan werd duidelijk dat de band een avontuurlijke stijl hanteert waarbij duidelijke constructies van alle kanten aangevallen worden door plaagstootjes en kleurrijke interventies. Daardoor is het ook mogelijk dat je een nummer voorgeschoteld krijgt dat zowel uitpakt met een treurig, steeds herhalend motiefje, als verrassende uithalen richting free jazz.
Ottervanger is de meest opvallende muzikant: technisch sterk, met snuggere ideeën en een tegendraads gevoel voor humor met een hoog ICP-gehalte. Hij vermijdt lange en vermoeiende melodielijnen en door te opteren voor een verteerbare stijl met hier en daar knoestige wendingen, heb je steeds het gevoel dat er iets gebeurt. Van Pee en (vooral) Segers zijn conventioneler in hun aanpak en laten horen dat de band bij momenten niet zo erg ver van de rocktraditie staat.
Meer dan een uur het niveau van het openingskwartier aanhouden, was iets te hoog gegrepen, maar met composities als “Alles tegelijk” en “Accessibility Now” onder de arm is er geen enkele reden om te twijfelen aan het talent van De Beren Gieren. Meer nog: de band laat nu al dingen horen die een charme hebben waar meer gerodeerde bands al lang niet meer mee uitpakken. Benieuwd wat de toekomst gaat geven.
Image
Heel andere kost met Jamie Saft. De multi-instrumentalist, nu bezig aan zijn eerste tournee als pianosolist, is vooral bekend als toetsenman in verschillende John Zornprojecten, maar het daarbij houden, zou de waarheid onrecht aandoen. Saft is immers een kameleon die zowel binnen als ver buiten de jazztraditie aan het werk is: hij houdt zich ook bezig met avant-garde compositie, metal en reggae, de doom jazz van Swami LatePlate en verschillende projecten met andere jonge honden zoals drummer Mike Pride. Wie de man vooral kent van Electric Masada en zijn bijdrage aan de Book Of Angels-reeks, heeft vermoedelijk grote ogen getrokken.
Binnen de Radical Jewish Culture-lyriek gaat het immers over een virtuositeit die zich vooral uit via dosering en bedwelmende elegantie. Op het podium van de Vooruit toonde de man echter een bredere staalkaart van zijn kunnen, en die was ronduit overdonderend. Zonder een seconde te verspillen pakte hij meteen uit met hypercomplexe Zorncomposities uit avant-gardehoek: een continue wisselwerking van een losgeslagen rechterhand en een donderende tweehandige aanpak à la Borah Bergman. Technisch virtuoze, maar erg bombastische muziek. De man liet uiteenlopende dingen horen; zo passeerden ook stukken uit zijn duoplaat met klarinettist Ben Goldberg, maar ook materiaal uit een nog te verschijnen standardsalbum.
Zoals aangekondigd liet de pianist ook werk horen van een van zijn helden: Bob Dylan. Die songs waren enigszins toegankelijk in vergelijking met zijn startoffensief, maar “Po’ Boy” (uit Love And Theft) en “Restless Farewell” (uit protestklassieker The Times They Are a-Changin’) waren niettemin moeilijk herkenbaar en lagen zwaar op de maag. De aanpak werkte beter bij “Ballad Of A Thin Man”, waarbij hij de donkere akkoorden en sfeer intact liet en hier en daar wat barokke versieringen inlaste. Saft is geen groot zanger, maar het was het soort nummer dat hem een vrijheid gaf waar hij graag gebruik van maakt.
Saft speelde een goed uur en dat volstond. Als bewijs van zijn imposante techniek en veelzijdige virtuositeit was dit meer dan voldoende, al had hij best wat beter gedoseerd, want het soms hysterische spel, dat ‘soul’ opofferde aan het altaar van de virtuositeit, kwam de set niet altijd ten goede. Soms begon je je af te vragen waar de grens tussen eerbetoon en verwoesting lag. Gelukkig werd dat laatste dan weer gecompenseerd door een vrij getrouwe en grappige (vooral door het visuele aspect) versie van ZZ Tops “A Fool For Your Stockings”.
http://www.goddeau.com/content/view/8195
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
recensie op goddeau
jammer van de schrale opkomst, inderdaad, want het was zeker de moeite.Programmator Wim Wabbes liet het al vallen in zijn introductie: het concertseizoen loopt stilaan op z’n einde. Je zou haast gaan denken dat de voorbije maanden hun tol geëist hebben, want slechts een handvol hardnekkigen was opgedaagd voor een avondje avontuur dat veel meer aandacht verdiende.
All-round drummer Teun Verbruggen, organisator van deze ‘RAT Event’, trad zelf aan in het eerste project van de avond. Bij Chaos Of The Haunted Spire probeert hij met saxofonist Andrew Claes (van o.m. Brazzaville en Hamster Axis Of The One-Click Panther) een huwelijk te sluiten tussen jazz en elektronica, wat even intrigerende als gemengde resultaten opleverde. De combinatie van die twee werelden is niet nieuw: ook buitenlandse kanonnen als Mats Gustafsson en Steve Lehman hebben het op hun manier al toegepast. Het was wel vrij verrassend hoe dominant die elektronica hier soms werd. Zowel Claes als Verbruggen hadden een laptop meegebracht, terwijl die eerste ook gebruik maakte van een hele batterij knopjes en effecten om geluiden te stapelen en manipuleren.
Het leidde tot groteske vervormingen en soms onverwacht brute noisegolven, die soms voor zich mochten spreken en dan weer aanleiding gaven om erop verder te bouwen. Vooral dan wanneer de twee met elkaar in duel gingen, al dan niet gesteund door kolossaal geronk, leverde dat soms bevlogen resultaten op. Net zo vaak ging er echter zo veel aandacht naar het experimenteren dat de flow van het optreden eronder te lijden had. Op en top live muziek, dat wel, al kregen we de indruk dat het vooral een performance was van verkennen en uitproberen. Er zit zeker potentieel in Chaos Of The Haunted Spire, maar een strengere zelfcontrole dringt zich op. De visuals die het concert ondersteunden, waren dan weer indrukwekkend en blijven hopelijk behouden.
Little Women zorgde onlangs met Throat voor een van de meest unieke recente platen uit het braakland tussen jazz, noise en rock. De groep, waarvan Darius Jones doorgaans het boegbeeld is, is eigenlijk veel meer dan een frontman die geruggensteund wordt door drie kompanen. Als na dit optreden iets duidelijk geworden was, dan is het wel dat Little Women een pure band is. Niet alleen omdat geen enkele muzikant het laken naar zich toetrok of uitdeelde (al was tenorsaxofonist Travis LaPlante degene die enkele keren de signalen gaf), maar ook omdat Throat, dat in z’n geheel en sequentieel gespeeld werd, duidelijk het product is van een groepsvisie.
Ook werd nu pas duidelijk hoe zorgvuldig en strak die zevendelige suite in elkaar gestoken werd. Heeft het op plaat bij eerste beluisteringen nog iets van een aaneenschakeling van schijnbaar gelijkaardige, maar niet noodzakelijk verwante, of logisch uit elkaar voortvloeiende stukken, dan werd nu onderstreept dat het album uit elkaar halen of in een andere volgorde steken geen optie is. En strak dat het zat! Terwijl de saxsalvo’s op het album worden afgevuurd met de resolute doelgerichtheid van precisiebombardementen lijkt het vaak alsof drummer Jason Nazary en gitarist Andrew Smiley maar wat lopen de rotzooien op hun respectievelijke instrumenten. Niets is minder waar, want ook zij zijn schakels in een totaaldrift die met een imposante efficiëntie werd uitgevoerd.
Mooi om te zien hoe LaPlante en Jones werden opgesteld: oog in oog, alsof ze elkaars aanwezigheid steeds in het oog dienden te houden, alsof ze met gewette messen nog een paar rekeningen te vereffenen hadden. Mooi ook om te zien hoe Nazary, met een gezicht dat geen enkele emotie verraadde, het geheel een enorme drive wist te geven. En dan was er nog Smiley, die zo opging in z’n spel en zo kromme noten uit z’n gitaar zat te schudden en te persen en te trekken, dat je dacht dat die bekkentrekkerij hem nog fataal ging worden. Hij slingerde en wiegde erop los als een spastische slangenmens, soms op de voorgrond, in de clinch met Nazary als een eerstejaarsstudent, maar net zo vaak ondersteunend, wanneer LaPlante en Jones resoluut de kaart van het geweld trokken zoals in het eerste, derde en zesde deel.
Het absolute hoogtepunt was, net als op plaat, het gerekte scharnierstuk (IV), dat grotendeels verantwoordelijk was voor de melodieuze invulling van het optreden. Want Little Women is meer dan een stel lawaaierige avant-gardisten die ten oorlog trekken. Darius Jones liet z’n alt (het leek wel een speelgoedinstrumentje in zijn handen) janken met een lyrische inslag die we kennen van zijn Man’ish Boy (2009), en het was ronduit ontroerend om te horen hoe Smiley even later rond het thema wist te spelen en de finale van het deel voorbereidde. Misschien wat onverwacht rondde de band ook af met het vocale zevende deel, met de blazers die op hun knieën, kreunend en huilend, kabaal maakten in hun instrumenten waarvan de mondstukken verwijderd waren. Alles wat gezegd moest worden, was gezegd en het publiek bleef verbluft en aarzelend klappend achter. Je zou zo veel meer willen horen, maar wist dat dit statement volstond.
Little Women zal nooit de massa aanspreken of zelfs uit z’n marginale positie geraken, daarvoor is de muziek te hard, schizofreen en onvoorspelbaar. Wat de vier mannen echter lieten horen, is dat er achter die dodelijke trefzekerheid ook een enorme emotionele gedrevenheid schuilt, die zich net zo vaak uit in meeslepende momenten vol schoonheid die zich vaak openbaart in een fractie van een seconde of een voorbijgaande beweging. We hebben Throat vanmorgen nog eens opgelegd en de plaat lijkt nog aan veelzijdigheid, integriteit en diepgang gewonnen te hebben. Wat een band, wat een plaat, wat een optreden.
(met foto’s: http://www.goddeau.com/content/view/7645)
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Recensie
Leuke tekeningen, mooi initiatief!
de goddeau-recensie v/h optreden:
Op papier lijkt de combinatie van deze twee veteranen aanvankelijk niet compatibel: de sterk religieuze inslag van Gayle’s werk (getuige daarvan titels als Repent, Consecration en Testaments) lijkt haaks te staan op de ‘het leven als carnaval’-attitude van Bennink. Maar dan zou je wel voorbijgaan aan andere raakvlakken.
Als er iets is dat de twee verenigt, dan is het wel het volkse element en de expliciet en subtiel binnengesmokkelde roots-invloeden. Bij alle projecten waar Bennink bij betrokken is, of het nu gaat om intieme duoconcerten, het grootschaligere ICP Orchestra of zelfs zijn soloperformances, krijg je immers een volledige staalkaart van volksmuziek te horen. Middenin stevig in de free jazz verankerde passages is er hem immers niets aan gelegen om te rotzooien met wals- en/of marsritmes, swing en blues bij het zootje te betrekken of het parcours van de clowneske performance art te bewandelen. Bennink is een rasechte muzikale anarchist. Alles is mogelijk en het enige dat voorspelbaar is, is zijn onvoorspelbaarheid.
Een heel ander verhaal bij Gayle, die sinds zijn opduiken in de late jaren tachtig (daarvoor zou hij twee decennia als straatmuzikant geleefd hebben) vooral bekend is van zijn woelige performances en sterk door Albert Ayler beïnvloede emotionele rollercoasters met een hoge blues- en gospelfactor. Net als bij een jongere muzikant als Darius Jones hoor je nog de restanten van de kerk in z’n spel, de kreten van religieuze extase en het wrange gehuil van het persoonlijke lijden. De roots én de vrije expressie ervan zijn doorslaggevend. Komt daar nog eens bij dat Gayle ook het humorelement niet vreest: in het verleden zaaide hij meermaals vertwijfeling met een soort mime-act als ‘Streets the Clown’. Deze liet hij nu achterwege.
Een concert dat dus alle kanten op kon gaan. Dat deed het ook, al leverde het zelden vuurwerk op. Gayle begon verrassend op altsax (de tenor is normaal zijn handelsmerk) en liet horen dat zijn expressieve sound op z’n 71ste nog steeds intact is. Zijn spel, vol bluesy honks en gierende stoten staat lijnrecht tegenover de gestileerde, academische jazz waar veel van zijn leeftijdsgenoten mee opgroeiden. Zijn legendarische epische notenslierten liet hij nu wel achterwege, ten voordele van korte erupties, nu eens melodieus en verrassend mooi, dan weer aftastend, slechts aanzetten tot iets dat nooit helemaal ontwikkeld werd.
En Bennink blééf Bennink, zingend en neuriënd, op en naast het drumstel kloppend, met z’n voet op de snare drum stompend en stokken omhoog werpend. Het is en blijft een unieke one man show die doet grijnzen en schuddebuiken, al zou je soms ook willen dat de man nu en dan op de rem ging staan. Stokken vlogen immers met de regelmaat van de klok tegen de grond (in het eerste nummer al een keer of vier) en nu en dan had je het gevoel dat de man vooral met zichzelf bezig was. In een sterke duo performance vindt er normaal gezien een uitwisseling van informatie plaats die leidt tot nieuwe ontdekkingen of krijg je een wisselwerking van ideeën die energieopwekkend werkt. Hier kreeg je soms het gevoel dat Bennink enkel geïnteresseerd was in wat hij allemaal tegenover Gayle’s spel zou kunnen plaatsen, of het nu steek zou houden of niet.
Gayle liet het zich alleszins niet aan z’n hart komen en herhaalde zijn individuele stijl ook op de piano. Op dat instrument doet hij wel vaker de traditie aan, waardoor je een excentrieke combinatie van stride, boogie, bop en free te horen krijgt. Een kleurrijk amalgaam, maar het mist de gezaghebbende slagkracht van zijn saxspel. Bennink greep die kans aan om zijn onconventionele stijl compleet uit te buiten: spelen op schoenzolen, op de vloer, op zijn stoel, op een microstatief. Stokken vlogen omhoog, omlaag, naar links, rechts en het publiek in. Gelukkig vielen er geen gewonden, het zou nochtans gekund hebben. Aan het einde van de set werd nog een keer alles uit de kast gehaald met een krachtig samenspel, wat ook nog eens werd herhaald in het korte bisnummer.
Amper drie kwartier nadat de veteranen het podium op wandelden zat het er echter al op. Het was een amusante voorstelling, zoals verwacht, maar ook eentje van gemiste kansen. Met hun staat van dienst zijn deze twee immers tot veel meer in staat dan wat we te horen kregen. Nu was het vaak wat vrijblijvend en nonchalant, en dat is iets dat je zelfs onder het mom van free jazz niet verkocht krijgt aan een publiek dat eigenlijk niet minder verwacht dan een bevestiging van het kolossale talent van deze twee.
http://www.goddeau.com
1 reactieBewaar dit item (0)
Goddeau-verslag van 26/3
De tweede dag bood de luisteraar meteen de kans om een andere legende van de vrije muziek aan het werk te zien. Joëlle Léandre is dan wel een onbekende bij het brede publiek, in kringen van avant-garde, improvisatie en free jazz wordt zij tot de allergrootsten gerekend. De lijst van haar muzikale partners (van Anthony Braxton en George Lewis tot Zorn, William Parker en Derek Bailey) leest als een wie is wie van het genre en wordt enkel nog overtroffen door de diversiteit van haar werk. In de balzaal deed ze het alleen, voor het podium, met haar contrabas en een strijkstok. Het werd daarbij meteen duidelijk dat Léandre het instrument beheerst op een manier die weinigen gegeven is. Net als bij wijlen Peter Kowald, William Parker of Barry Guy lijkt het alsof de muzikante zo veel verder gaat dan het instrument bespelen. Ze heeft zich het object zo eigen gemaakt dat ze er haast een verlengstuk van geworden is.
De performance zorgde alleszins voor een even intimiderende als intellectuele uitdaging. Bij Léandre geen makkelijk in het gehoor liggende grooves en loopjes, maar eclectische experimenten en contrasten, via moderne klassiek, radicale improvisatie en theatrale spielereien. De subtiele momenten kwamen niet echt uit de verf in een context die intimiteit miste, al was het een feest om haar te zien omspringen met het instrument en bekken te zien trekken. Nu en dan werd het (ongewild) grappig door het gekreun, gesteun en gesis, al werd dat meteen ook gerelativeerd door een stuk waarvoor ze zich volledig te buiten ging aan nonsenspoëzie (zo klonk het althans) en snarenmishandeling. Op een hoogstpersoonlijke manier maakte Léandre al net zo veel indruk als Stetson een dag eerder.
Intussen had het vijftienkoppige Flat Earth Society onder leiding van Peter Vermeersch zich klaargemaakt voor een confrontatie met John Watts, in een vorig leven nog frontman van het vrij populaire Fisher-Z (misschien kent u “The Worker” nog?). We werden op voorhand al gerustgesteld: de onwaarschijnlijke combinatie van een wat oudere rocker en een absurdistische big band zou wérken, al zijn we daar na dit concert niet zo zeker van. Met z’n combinatie van Sun Ra Arkestra, Mingus, Ellington en James Bond-thema’s staat FES al jaren garant voor rebelse, postmoderne kruisbestuivingen, wat vaak extra in de verf wordt gezet door Zappaiaanse spielereien en hyperenergieke uitbarstingen van een bezopen balorkest (dat er wel steeds in slaagt om verdacht strak verder te spelen), dus een lallende Brit met ervaring als voormalig psychiatrisch verpleegkundige moest er nog wel bij kunnen.
De stijl van FES bleef intact: gelaagde arrangementen die nu eens plaats maakten voor kleine solomomenten en dan weer evolueerden naar een enorme geluidenbrij (wat wil je, met niet minder dan tien blazers op een podium?), woordspelletjes en stilistische cut & paste, ook als het werk van Fisher-Z door de mangel gehaald werd. De al te aanstellerige act van Watts zorgde er echter voor dat de totaalsound die sowieso al op een slappe koord tussen pastiche en virtuositeit danste, gevaarlijk begon over te hellen naar de verkeerde richting. De man bralde wat af, wist er niet beter op dan tijdens een song over een dode hond wat op handen en voeten rond te kruipen en wilde per se z’n stempel drukken op een concert met een kermisfactor die al hoog genoeg lag. Het resultaat: een band die het zonder hem beter had gedaan.
Afsluiter van dienst was Elliott Sharp, een vaste waarde van de New Yorkse scene, die met z’n semilegendarische band Carbon voor het eerst in een kleine vijftien jaar naar Europa was afgezakt. De man is, net zoals heel wat andere artiesten op dit festival, thuis in heel wat stijlen en werelden, en enkele daarvan kwamen ook nu aan bod. Met Carbon zit hij tussen de grootstadsjazz van Marc Ribot’s Ceramic Dog, de no wave van James Chance, de cyberfunk van Defunkt en het repetitieve van krautrock. Met harpiste Zeena Parkins, die het deed op een vreemd elektrisch model, pakte het kwintet alvast uit met een aparte sound, die helaas snel z’n beperkingen kende.
De ritmesectie klonk doorgaans simpel en log (ondanks wat aardige hoekige grooves), de synths speelden een ondergeschikte rol en Parkins deed haar harp klinken als een vervormde gitaar. Tot ergernis van Sharp blijkbaar, want die maande haar enkele keren aan om stiller te spelen. De man zelf pakte vooral uit met een kronkelende, dissonante stijl, die echter nooit de schwung van Ribot had, de power van Sharrock of de rommelige charme van Eugene Chadbourne. Meer nog: ondanks ’s mans imposante cv bleven we op onze honger zitten. Carbon klonk wel cool, maar bleef doorgaans ook erg onpersoonlijk en soms zelfs machinaal, wat nu en dan gelukkig doorbroken werd als Sharp z’n minisax bovenhaalde. Zeker leuk om de band eindelijk eens aan het werk te kunnen zien, maar van een revelatie was geen sprake.
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
De goddeau-versie
Onlangs verleende de Unesco aan Gent de titel van ‘Creative City Of Music’. Dat het net zo goed ‘City Of Creative Music’ had mogen zijn wordt bewezen met de eerste editie van het gloednieuwe, ambitieuze Jazz & Sounds, dat een indrukwekkende staalkaart biedt van wat er zoal gaande is binnen de hedendaagse experimentele muziek.
Donderdag 25 maart
Rock, jazz en avant-garde gaan hand in hand tijdens het festival, en als er een artiest is die het samengaan van die werelden belichaamt, dan is het wel saxofonist Colin Stetson. De man is vooral bekend door z’n samenwerkingen met o.m. Tom Waits (lees er de boekjes van Alice en Blood Money maar eens op na), Arcade Fire en The National, maar maakte ook al indruk met solowerk als New History Warfare, Vol. 1 (2008), een imposante krachttoer die echter in het niets verglijdt in vergelijking met de live-ervaring die ons te beurt viel. De man teert vooral op twee technieken: de circulaire ademhaling (die hem in staat stelt om ononderbroken te blijven spelen) en die van de multiphonics, waardoor het lijkt alsof z’n ademstoten gespleten worden en je meerdere blazers denkt te horen
Het eerste nummer (“Judges”), dat uitgevoerd werd op een kolossale bassaxofoon (de grote broer van de bariton), was meteen een fenomenale binnenkomer. Stetson wiegde en blies net zo energiek als Mats Gustafsson en galmde als een stoomboot die de Domzaal deed daveren. Al snel wendde hij al z’n technieken aan om de sound aan te dikken, waardoor hij op z’n eentje een overdonderende volheid op poten zette. Zijn songs, waarvan er drie uitgevoerd werden op de bassax, twee op de alt en eentje op de klarinet, zijn doorgaans vrij eenvoudig (hier niet het van-de-hak-op-de-tak-gespring van de free jazz) en zeer repetitief, wat het concert verrassend toegankelijk maakte. Nu eens hard en hypnotisch, dan weer zalvend en haast pastoraal. Stetson legde de lat meteen erg hoog.
Dan naar de theaterzaal voor de samenwerking tussen trompettist Eric Truffaz en pianist Malcom Braff. Of het te maken had met Stetsons oplawaai of de aanpak van de twee is ons niet duidelijk, maar we vonden er eigenlijk maar niks aan. De Zwitserse Truffaz, die van alle markten thuis is, heeft de charme om liefhebbers van zowel klassieke als avontuurlijke jazz aan te spreken, maar wat we te horen kregen klonk weinig geïnspireerd: z’n spel met loops was weinig creatief, z’n versie van Gainsbourgs “Manon” redelijk flets en van chemie met Braff was geen sprake. Van die laatste onthouden we vooral zijn monsterbaard en sandalen. We dropen af richting balzaal, waar we opgewacht werden door de zwaargewichten van deze editie.
Hairy Bones is een van de jongste bands van de legendarische Peter Brötzmann. Een vorige passage deed ons nog vrezen dat hij zijn instrument gewoonweg kapot zou blazen en de energie was er deze keer niet minder op, integendeel. Zelden een band gezien die zo gretig, woest zelfs, uit de startblokken schoot. De saxofonist, die volgend jaar zeventig wordt, speelt nog steeds in lange uithalen, gierende en ziedende ademstoten die dat bekende beeld van Munch van een soundtrack voorzien. Het is een oerklank, een directe uppercut waar geen waarschuwing aan voorafgaat. Zet daar dan nog eens een Japanner bij die er niet in slaagt om een normale klank uit z’n gemanipuleerde trompet te krijgen (Toshinoro Kondo), een Italiaan die met z’n eigen band de muur tussen free jazz en freakpunk consequent sloopt (Massimo Pupillo van Zu) en een jonge Noor die we stilaan de beste jazzdrummer van Europa durven noemen (Paal Nilssen-Love), en je weet dat dat garant staat voor een potje nietsontziend beuken.
Van subtiliteit is hier inderdaad weinig sprake. Als die er al was, dan werd die bovendien netjes de das omgedaan door een loeiharde en lompe geluidsmix, die de viscerale impact van de muziek dan weer ten goede kwam. Stukken duurden doorgaans 10-15 minuten en kenden op enkele losse momenten na (hier en daar een dialoog tussen Nilssen-Love en Brötzmann/Kondo) geen rustpunten. Woeste teringherrie, dat was het. Een onaflatende aframmeling en een festijn voor zij die hun free jazz graag genadeloos en vuil hebben. Meer dan vier decennia na het klassieke Machine Gun staat Brötzmann nog steeds in de frontline van een stroming binnen het genre die hij op de kaart hielp zetten. Vier decennia na Machine Gun is het nog steeds een van de meest opwindende dingen die op een podium te horen zijn
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Little Women
Als “Teeth” en “Man’ish Boy” een indicatie mogen zijn, dan wordt “Throat” een van de platen van het jaar!
Reageer als eersteBewaar dit item (0)
Recensie op Goddeau
Frivole charlatanjazz” noemde een van onze compagnons het achteraf. Hij bedoelde dat niet als een compliment. Om maar te zeggen dat niet iedereen het begrepen heeft op de relativerende fratsen en ironische benadering van het kwartet. Er viel nochtans heel wat fraais te horen voor zij die dit naast zich neer konden leggen (of het net als een bonus beschouwden).
Image
Het klopt ergens wel dat je bij MOPDTK niet moet zijn voor doorleefde, spirituele jazz van de Coltrane-school: daarvoor dragen deze vier belhamels net iets te graag een narrenpak, hebben ze net te weinig geduld en krijgen ze het, vermoeden we, gewoonweg op hun heupen van songs die het boeltje niet op stelten zetten. Puberaal vermaak misschien, maar soms wel van zo’n hoog niveau dat die geinigheid en opgestoken vinger ronduit aanstekelijk was. De band had er een vermoeiende, ellendige dag opzitten (het had iets te maken met vervelende Duitse treinconducteurs en verplaatsingen van 12 uur). Dat leek aanvankelijk de show te gijzelen. Niets was minder waar.
Opener “Pen Argyl”, tevens het startschot van het pas verschenen Forty Fort, schoot meteen uit z’n krammen als een schuimbekkende buldog, waarbij het basloopje van Moppa Elliott meteen van het podium geveegd werd door de manische roffels van Kevis Shea, die z’n reputatie van ‘Animal van de jazz’ alle eer aandeed. De erop volgende twee uur zou overigens niet veel aan z’n houding wijzigen: de man is een furieuze rammelaar, een chaoot die, zoals Han Bennink, weigert om langer dan twee maten hetzelfde ritme aan te houden, geregeld uitpakt met jazzvreemde rockritmes of rotzooit met z’n elektronisch speelgoed (dat doorgaans weinig toe te voegen heeft aan het geheel).
Verder was het ook uitkijken naar de performance van trompettist Peter Evans, wiens naam in de wandelgangen van de experimentele jazz steeds vaker in verband gebracht met termen als “toekomst” en “jazz”. De man moet bogen op een haast onbestaand charisma (op het podium alleszins) en stond erbij als een expressieloos ijskonijn, maar wat hij liet horen was bij momenten genoeg om de onderkaak naar beneden te laten vallen. In andere contexten zit hij vaak in de zone van abstracte spielereien en non-muzikale geluiden. Hier was het een geschetter en gefleem, gepruttel en geraas, alsof Louis Armstrong, Fats Navarro, Woody Shaw en Dave Douglas een bastaardzoon gekregen hadden. Ondanks het drumgeweld van Shea en de democratische filosofie van de band ging Evans elke keer opnieuw lopen met de aandacht: de man is een monstertalent.
Tenorsaxofonist Jon Irabagon was de opvallende ‘afwezige’: we hebben er geen idee van of het te maken heeft met vermoeidheid of een ingetogen karakter, maar de man liet amper meer dan een minzame glimlach zien en speelde duidelijk tweede viool voor Evans. Hier en daar liet hij mooie staaltjes van wendbare, uit decennia jazzgeschiedenis geputte solo’s horen, al bleef hij eerder op de achtergrond in die frontlinie. Bassist Elliott maakte der dan weer het beste van met gortdroge grooves en nu een dan enkele verdomd swingende passages. Hij is duidelijk het anker en de motor achter de groep.
Basisthema’s werden doorgaans intact gehouden, maar songs volgden vaak een heel ander parcours dan de albumversies, waarbij muzikanten ruim de tijd namen om aan het improviseren te slaan, overgangen uit te stellen en songs aan elkaar te knopen. Zo werd vroeg in de set al meteen uitgepakt met een eclectische medley van “St. Mary’s Proctor”, “Biggertown” (uit hun vorige, This Is Our Moosic) en “Rough and Ready”. Met hun stijl, die soms vertrekt vanuit ouderwetse swing, vervolgens Blue Note hardbop aandoet, passeert via Ornette Colemans free jazz en het circusgebral van het ICP Orchestra zaten ze al snel met een ultra-eclectische aanpak, nog eens extra in de verf gezet door de soms wat lullige spelletjes van Kevin Shea (zoals de jingle bells tijdens “Blue Ball”).
De tweede set ving aan zoals de eerst: “Little Hope” had een vette groove en uitzinnig drumwerk, legde vervolgens een bluesy heupengedraai neer en volgde een vrij strakke structuur. Dat gold ook voor het old school festijn dat “Two Boot Jacks” is. Voor de ene wat onnozele hoempapa, voor ons dan weer een staaltje naar Dixieland neigende jazz met een hoog Satchmo-gehalte. Het soort dijenkletserij dat je ook in een set van Flat Earth Society tegen kan komen. Het spel bleef energiek en geïnspireerd, al hadden we wel het gevoel dat de set iets korter had mogen zijn om maximum impact te behouden. Gelukkig was de abrupt afgeronde afsluiter “My Delightful Muse” een van de vele hoogtepunten.
Conclusie: MOPDTK deed wat we verwachtten: charmeren en de boel (een beetje) op stelten zetten. Niet iedereen in de band leek er op elk moment even veel zin in te hebben, iets dat gelukkig gecompenseerd werd door de freewheelende, breed grijnzende aanpak die achter de muziek schuilt. Duidelijk geen spek voor ieders bek, al zijn er dingen gebeurd waar geen mens omheen kan, zoals de indrukwekkende dominantie van Peter Evans.
1 reactieBewaar dit item (0)