Ongetwijfeld zijn er veel manieren om naar Marthalers Maeterlinck te kijken. Als naar een grote citatenbibliotheek bijvoorbeeld, vooral uit eigen werk. Of naar een familiegeschiedenis. Of een bonte avond. Of een beweging uit een symfonie, inclusief reprises en doorwerking. Maar laten we het bij één lezing houden: Gent was (is?) een klassenmaatschappij. Beneden werken de naaistertjes, boven kiezen de bazen de stoffen.
Eén keer (met carnaval?) wordt die wereld in haar tegendeel veranderd. Dan staan de naaistertjes boven en zingen schunnige liederen. De kunstenaar (Maeterlinck) hoort bij de bourgeois, maar zijn fijne voelhoorns registreren de tegenstellingen (en de verkrachtingen). Hij lost dat probleem op door schoonheid. Door Pelléas et Mélisande bijvoorbeeld, waarin het eerste vrouwelijke woord is: “Ne me touche pas.”
Lang niet alle Gentenaars dragen Maurice Maeterlinck, de enige Vlaamse dichter die ooit de Nobelprijs kreeg, in hun hart. Boven die Franstalige bourgeois prefereren zij een historische mythe als Artevelde of een proletarische held als Anseele. In elk geval een “echte Vlaming”. Ook dat gevoel doorprikt Marthaler, zij het indirect: ja, de bourgeois spreken Frans, maar ook een van de naaistertjes – die kwamen tenslotte ook uit Noord-Frankrijk. En nee, de “Vlaamse muziek” in het stuk is niet erg hoogstaand, al is er een subliem moment wanneer ‘Broekschijterij’ (in zijn socialistische vorm) plots iets uit Wagners Lohengrin laat uitschijnen. Niets bij Marthaler is eendimensionaal, en misschien is dat ook wel de waarheid over Gent. Zoals elke waarheid kan ook die ergernis opwekken.
Maeterlinck is een lange, trage voorstelling met veel herhalingen, zoals ook de stukken van de dichter zijn. En de werkdagen in de naaiateliers. En het ennui van de bourgeoisie. Niet alle lengtes zijn zoals die van Schubert “goddelijk”, sommige zijn ergerlijk en allemaal vragen ze om volgehouden aandacht. Marthaler legt het er met wiegende, in sterkte afnemende muziek en dimmend licht meer dan eens op aan dat de toeschouwer samen met de kapotgewerkte naaisters in slaap zou vallen. Dat kan confronterend zijn. Hij biedt evenmin veel gelegenheid tot identificatie, niet met de naaisters, die eerder medelijden opwekken, en niet met de ruziënde patroonsfamilie, die meer spoken dan mensen zijn.
De hilarische vervreemdingen van allerlei muziek door Graham Valentine, die van alles een jodel kan maken, en de kurkdroge pianist Bendix Dethleffsen zijn hoogst amusant maar tegelijk ook al bijna hun eigen karikatuur. Marthaler heeft zijn stereotiepe casting consequent doorgezet bij de deelnemende Vlaamse en Nederlandse acteurs: Steven van Watermeulen als hautaine fabriekseigenaar bijvoorbeeld, of Frieda Pittoors als volkswijf. Je had gehoopt dat hij die mensen meer kon laten doen.
Gelukkig houdt Marthaler het geheel bij elkaar met zijn romantische surrealisme, een houding die hij van Maeterlinck geërfd lijkt te hebben. Die ver doorgedreven authenticiteit maakt van Maeterlinck ondanks alle ergernis een grote voorstelling en voor Gent een open venster: op een andere theaterwereld maar ook op een miskend stuk geschiedenis.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: