Kunstencentrum Vooruit, Gent, België

Direct naar inhoud

Direct naar navigatie



The war on words: het begrip 'falende staat' in het interventie discours (Ruddy Doom)

“ils [les Etats Unis] montent un mensonge utile et ils le vendent. C’est la logique des gens qui se croient tout puissants. S’ils décident que 1+1 = 4, alors sa sera 4. (J.B. Aristide)

Zolang het begrip staatssoevereiniteit onaantastbaar was, was ook het interveniëren in interne aangelegenheden iets wat met zeer veel schroom werd benaderd. Wie nu al te uitdrukkelijk aan deze principes vasthoudt – zoals de Volksrepubliek China – laadt alras een dubbele verdenking op zich. Eén: wij dulden geen buitenlandse kritiek op onze interne aangelegenheden. En twee: we zijn bereid de andere kant uit te kijken wanneer een ander regime de vloer aanveegt met de fundamentele rechten, indien ons dit enig voordeel biedt. Dat de staat gedemystificeerd wordt is een goede zaak; en dat gezocht wordt naar universele gedragsregels, waar ook politieke regimes zich moeten aan onderwerpen is al even behartenswaardig. Het zou evenwel van een grote naïviteit getuigen er van uit te gaan dat wie ‘de’ staat verdedigt door machtsdenken bezoedeld is, terwijl diegenen die voor ‘de’ mensen staat alleen door nobele drijfveren wordt gestuurd.

Er bestaat een lange voorgeschiedenis in de politicologie die onderzoekt hoe de civiele samenleving (CS) en de natie-staat (NS) zich verhouden. Vaak werden relaties simplistisch gezien als een negatieve dualiteit, terwijl een constructief spanningsveld, ‘overlap tension and longstanding conflict’ in feite net normaal is (Latham, 2003, 13). De kijk op deze verhoudingen is zelden ontdaan van ideologische vooringenomenheid. De ruimere discussie rond globalisering heeft aan die oude controverse een nieuwe dimensie verleend. De ineenstorting van het ‘reële bestaande socialisme’ in zijn Sovjetvorm betekende een overgang van een geadministreerde economie naar één die geregeld werd via de marktdiscipline. Er was evenwel meer aan de hand: er werd reeds gegokt op het einde van de natiestaat. Immers, indien de markt door zelfregularisering een optimum kon bereiken, waarom zou er dan geen politieke onzichtbare hand bestaan, die via zelforganisatie van de samenleving de staat tot een minimum reduceerde? De civiele samenleving werd haast zalig verklaard, en – om in dezelfde gedachtegang te blijven, de staat werd met alle zonden Israëls overladen. Men ging ervan uit dat nieuwe conflicten niet structureel waren en beperkt bleven tot een overgangsfase. Deze Fukuyama-euforie was van erg korte duur. Meer zelfs, indien men Huntington volgde was conflict precies de essentie van het nieuwe tijdperk.

In deze bijdrage wordt stilgestaan bij een aantal conceptuele verschuivingen in de manier waarop CS-NS wordt benaderd na WOII. Hier kan uit worden afgeleid dat er op het niveau van het discours sprake is van een stijgende animositeit rond de rol van de staat. Er wordt op gewezen hoe toen reeds de ganse discussie mee gestuurd werd vanuit politiek machtsdenken. Op een eerste gezicht vormt 9/11 een breukmoment, en wordt aan de begrippen ‘failed state’ en ‘state collapse’ een nieuwe plaats ingeruimd.

Natuurlijk ent deze controverse zich op de traditie om naar gebieden van dominantie of contradictie te zoeken die moeten verklaren waarom een samenleving eventueel verbrokkelt en een staat (daardoor?) in verval raakt. Uiteraard houdt ook dit verband met hoe, of, en wie van buitenaf moet of mag tussenkomen. Het is sowieso, en zelfs in toenemende mate zo, dat het debat door niet-wetenschappelijke argumenten wordt bezwaard.

Maar, er is tevens een ander soort continuïteit: niet deze van cumulatief wetenschappelijk inzicht, maar wel van Machtpolitik. Wat we als rode draad doorheen deze bijdrage willen aanhouden is enerzijds de grote soepelheid waarmee men tussen de diverse cases paradigmatische pirouettes opvoert, en anderzijds de praktische rechtlijnigheid van de ‘national security’- strategie. Vooral het probleem dat er aan wordt gekoppeld, dat van externe interventie, is bijzonder complex. Er zijn praktische reserves: overal tussenkomen is onmogelijk, en selectiviteit is zelden blind. Er zijn morele onzekerheden: wat indien men principieel tegen inmenging is, maar ”... the moral evaluation… gets complicated when one of its benefits might be freedom for the oppressed” (Ignatieff, 2003, 25). Er wordt daarenboven zeer bewust aangestuurd op een gemanipuleerd debat, op het creëren van een klimaat rond ‘failed states’ bij beleidsmakers en publieke opinie, wat een wetenschappelijke benadering a priori hypothekeert. Vooral de huidige Bush-administratie – wie tegen is, is voor het terrorisme – scheert in deze hoge toppen. Wanneer wijzelf in wat volgt niet steeds alle subtiliteiten kunnen belichten, is dit niet enkel een gevolg van de vele dimensies van de behandelde problematiek. Het is tevens de (aanvaardbare) prijs voor duidelijkheid in een polemische strijd.

1. Het hoeden van woorden

“Practically and conceptually the state is again under siege”, zo luidt de eerste zin van het openingsartikel uit het themanummer rond ‘failed states’ in het tijdschrift ‘Development and Change’ (Milliken & Krause, 2002, 783).

Omtrent dit onderwerp is een vloed van publicaties verschenen, soms vanuit academische invalshoek, soms van de kant van de policy-makers. Waar we hier niet op ingaan zijn zaken als: waarom storten staten in elkaar en is daar een patroon in te bespeuren, hoe is reconstructie mogelijk, welke zijn de fasen en wie moet het voortouw nemen… d.w.z. het terrein van de actiewetenschappen. Het centrale punt waar wij ons op concentreren is de smalle scheidingszone tussen academische conceptualisering en politieke strategie, en het besmettingsgevaar dat uitgaat van het politiek machtsdenken op het wetenschappelijke. Anders gezegd: we hebben het over het conceptuele beleg.

De meest manifeste veruiterlijking van vermenging is de personele bezetting van instituten, waarbij sleutelfiguren op regelmatige tijdstippen overstappen maken en a.h.w. concepten uit het machtsdenken binnensmokkelen. Het type-voorbeeld is iemand als Paul Wolfowitz, de huidige directeur van de Wereldbank. Wolfowitz ijverde ooit in de lobby-groep ten voordele van het ABM-systeem, tesamen met Richard Perle en Paul Nitze, één van de architecten van de koude oorlog. Nitze loofde Wolfowitz’s documenten “which helped us produce rings around the misinformed papers produced by polemical and pompous scientists”.Wolfowitz ging later zélf als (polemical?) onderzoeker aan de slag bij de ‘Paul Nitze School of Advanced International Studies’, een departement van de John Hopkins Universiteit. Daar, tesamen met politici als Donald Rumsfeld, Jeb Bush, Dick Cheney…, werkte hij het ‘Project for the New American Century’ uit. Dit vormde dan weer de achtergrond voor de ‘Defense Planning Guidance for the 1994-99 fiscal years’, spoedig de Wolfowitz-doctrine genoemd. Dit document dateerde van de periode dat hij ‘US Undersecretary of Defense’ was. Het was niet bestemd voor publicatie, maar werd gelekt naar ‘The New York Times’. Het uitgangspunt was duidelijk: “The US must show the leadership necessary to establish and protect a new order, that holds the promise of convincing potential competitors that they need not aspire to a greater role or pursue a more agressive posture to protect their legitimate interests” (Tyler, 1992). Het ideeëngoed van unilateralisme, olie-belangen, pre-emptive interventions…passeerden allemaal de revue, vlak ná 9/11 maar vóór Irak. Het ganse verhaal rond machtsvacuüm, de falende staten en de ‘national security’, was er prominent in aanwezig, en deze benadering druppelde dan weer door in meer academische benaderingen. De zg. neo-cons zijn, in tegenstelling tot hun voorgangers géén isolationisten, maar toegewijde internationalisten. Of, ze zijn dit althans wanneer de inherente morele superioriteit van de VS een verlengstuk krijgt in een ongecontesteerd internationaal leiderschap (Lobe & Bary, 2002; Berlet & Matthew, 2000). IPS-correspondent Jim Lobe omschrijft hen als “an infrastructure of the right-wing counter-establishment … that acts as a vast echochamber for each other and the media” (Lobe, 2003).

De kruisbestuiving onderzoeksinstituten – politieke wereld is niet alleen te vatten via dubbelmandaten van sleutelpersonen of via andere netwerkoverlapping. Macht zoekt ondersteuning en wil o.m. via vertoog een hegemonie tot stand brengen. “Discours is language-in-action” zegt Blommaert (Blommaert, 2004, 9). Machtsstrijd gaat ook om het monopoliseren van de waarheid, want deze is nooit enkel feitelijkheid. Waarheid wordt vaak gemaakt, en het waarheidsgehalte wordt in de politiek afgelezen aan het effect (Hall, 1997, 49). Er wordt strijd geleverd rond de waarheid, en dus rond het bezit van termen en alleen de goedgelovigen nemen aan dat de snelle leugen spontaan door de waarheid achterhaald wordt. Die slag kan gepersonaliseerd zijn zoals de hetze rond John Pilger, essayist-journalist en luis in de pels van het establishment. Hij publiceerde in 2002 ‘The new rulers of the world’ waarin hij de VS betichtte zélf daden van terrorisme te plegen waardoor hij bijgevolg een andere inhoud gaf aan het begrip ‘schurkenstaat’. De rechtse pers had vroeger reeds een nieuw woord gesmeed: ‘pilgering’, wat gelijkstond met “to present information in a sensationalist manner to reach a foregone conclusion” (deze definitie uit de ‘Oxford English Dictionary of New Words’ moest later verwijderd worden). Opnieuw kreeg Pilger met zijn poging tot inhoudsverschuiving de volle lading omwille van zijn ‘alternatieve’ benadering.

De accaparatie-aandrift kan ook een soort ontradingsstrategie inhouden, b.v. door de alternatieve waarheid als staatsgevaarlijk te bestempelen zoals in de ‘Patriot Act’. (Voluit heet die weinig belovend ‘Uniting and strenghtening America by providing appropriate tools required to intercept and obstruct terrorism’). De zg. ‘library provision’ -sec. 215 – staat toe dat men nagaat bij bibliotheken, boekenwinkels… welke boeken persoon x raadpleegt. Binnen de groeiende ‘sneak and peep’ cultuur moet x niet eens als verdachte worden beschouwd. Waarheid is blijkbaar niet tegensprekelijk en mensen dienen in bescherming genomen te worden tegen desinformatie of ze worden als potentieel subversief gecatalogiseerd. De regering doet alvast een poging via de OGC (Office of Global Communications) ”... to ensure consistency in messages that will promote the interests of the United States abroad, prevent misunderstanding, build support for and among coalition partners.” (zie: Rampton & Stauber, 2003). Maar er zijn ook de vele ‘officieuze’ organisaties zoals AVOT die zich in de strijd werpen en “take to task those groups and individuals who fundamentally misunderstand the nature of the war we are facing”. De ‘Americans for Victory over Terrorism’ (zie hun www.avot.org) willen vooral via spreekbeurten op de campussen van de middelbare scholen de harten winnen. Steunende krachten achter AVOT zijn o.m. Jeane Kirckpatrick, Paul Bremer, William Cohen en Richard Perle.

De strijd om dominantie is niet steeds zo openlijk dramatisch, en het zou net zo verkeerd zijn om die te herleiden tot complottheorieën als onderdeel van een stapsgewijze goedgeplande strategie. Het meest verontrustende is dat er sprake is van spontane reproductie van machtsrelaties, en dat bij dit alles nog weinig druk ervaren wordt van de kant van diegenen die, zoals het hert dat naar het koele water snakt, naar de waarheid worden geleid. Macht is a.h.w. gedecentraliseerd ”... not reducible to interpersonal domination but … constitute of social life” (Calhoun, 1995, 118). Het zou daarenboven van verregaande simpelheid getuigen om de academische wereld te zien als een bolwerk van maagdelijke zuiverheid dat door de malafide politieke wereld wordt belaagd. De voorbeelden zijn legio – en niet alleen in totalitaire regimes waar het de regel is – van wetenschappers die zichzelf met gretige graagte tegen de macht aanschurken. Decennia geleden had Cruise O’Brien het al over het fenomeen dat “power in our time had more intelligence in its service, and allows that intelligence more discretion as to its methods, then ever before” (Cruise O’Brien, 1967). Chomsky voegt daar aan toe ”... various factors – access to power, shared ideology, professionalisation – may or may not be deplorable in themselves, but there can be no doubt that they interact so as to pose a serious threat to the integrity of scholarship in fields that are struggling for intellectual content and are thus particularly susceptible to the workings of a kind of Gresham’s law”. (Chomsky, 2003, reprint 1967, 3).

“If power is never anything but repressive, if it never did anything but to say no, do you really think one would be brought to obey it?” (Foucault, 1980, 61).

Of, anders uitgedrukt: mensen voelen zich niet constant het ‘slachtoffer’ van macht, het verleent ook structuur aan denken en zijn. Waarom is precies de systematische corruptie van het wetenschappelijk denken dan zo belangrijk, zelfs wanneer je aanneemt dat pure onderdrukkende machtsuitoefening geen duurzaamheid bezit? Omdat we nu eenmaal leven in een tijdperk dat Sorell omschrijft als ‘scienticism’, d.w.z. we hebben wetenschap tot gids van handelen uitgeroepen: ”...science is the only valuable part of human learning…’ (Sorell, 1991, 1). Zoals koningen eertijds filosofen tot hovelingen kneedden en hen de illusie lieten dat ze werkelijk over macht beschikten, zo worden humane wetenschappen ingeschakeld in het beleid: ze verspreiden geloof maar noemen het wetenschap. De ‘Trilateral commission’ maakte in haar studie van 1975 ‘The Crisis of Democracy’ reeds gewag van twee soorten intellectuelen: de ‘policy-oriented intellectuals’ en de ‘value-oriented intellectuals’ (Crozier et. al., 1975). De eersten waren uit op constructieve ondersteuning van het beleid, de laatsten wilden het leiderschap ondergraven. Op een bizarre manier worden Gramsci’s categorieën van ‘traditionele’ en ‘organische’ intellectuelen hier haast gepersifleerd. Traditionele intellectuelen zijn volgens hem de experten in legitimatie, in het rechtpraten van wat krom is, of wat volgens de ‘value-oriented’ krom is. Wellicht zijn ze heden ten dage prozaïscher te omschrijven als de ideologische managers van het systeem: “The well-bred intelligentsia operate the pump handle, conducting mass mobilization in a way that is, as Laswell observed, cheaper than violence or bribery, and much better suited to the image of democracy” (Chomsky, 2003,72).

De samenhang NS-CS vormt een centraal thema zowel in de sociologische, politicologische als economische analyses. Dit was en is zo op het wetenschappelijke, op het ideologische als op het praktische niveau. Alle woorden, concepten… evoqueren een raam, wat George Lakoff ‘framing’ noemt. “Don’t think of a elephant!” is de titel van één van zijn artikels, waarbij je ondanks de negatieve aansporing uiteraard aan die olifant denkt (Lakoff, 2004). Woorden, concepten hebben geen atomaire inhoud, maar krijgen een betekenis mee binnen maatschappelijk geconstrueerde frames, die de gebruiker worden aangereikt, en die door veelvuldige herhaling geïnterioriseerd worden. Begrippen die daar niet in passen, feiten die hiermee in tegenspraak zijn… worden spontaan via cognitieve dissonantie verwijderd. In termen van Laclau en Mouffe vormt CS-NS daarenboven een knooppunt, in die zin dat het verklarend werkt, of vragen oproept bij een veelheid van andere termen en concepten (Laclau, 1985). Of, althans dat zich één verklaring opdringt of dat één vraagstelling op de voorgrond wordt geplaatst. CS-NS is bepaald en bepalend en maakt deel uit van een ruimer paradigma dat maatschappelijke machtsverhoudingen reflecteert. In het ontologische realisme wás de werkelijkheid en moest deze alleen nog maar onthuld worden, een cumulatief proces dat naadloos aansloot bij het Verlichtingsoptimisme, en steeds verder naar de voltooiing tendeerde. Een positivistische epistemologie, die geheel losstond van de gebruiker vormde het instrument om uit de vormloze steen de perfecte kubus van de waarheid te kappen die er als het ware in verscholen lag, klaar om ontdekt te worden.

Het gereedschap, de hamer en de beitel die werkelijkheid en waarheid vast met elkaar verbonden, heette in de ‘correspondence theory of truth’ van Bertrand Russell taal te zijn. Helaas – misschien -: ook hier is de onttovering niet ongemerkt voorbijgegaan, en voor deze vaststelling moest heus niet gewacht worden op het post-modernisme. Wilhelm von Humboldt wist het reeds: de mens ís taal. Taal wordt niet alleen door mensen gemaakt, ze maakt mensen tot wat ze concreet denken en doen. Deze constructies komen niet tot stand in een machtsvrije ruimte. Door te benoemen geven we de dingen en mensen relaties mee, schetsen we hiërarchieën en structuren, en, omgekeerd trachten actoren door gevestigde taalstructuren controle uit te oefenen op het maatschappelijke gebeuren. Benoemen geeft macht, en wie macht bezit kan benoemen. Dit is precies waar Gramsci’s concept van hegemonie op neer komt: het bezetten van de ideeënwereld via het accapareren van de woorden, en dus, via de greep die men heeft op de civiele wereld, de controle verwerven op de politieke scène. Het summum is natuurlijk dat men door het conceptuele kader van de andere – de elite – gesproken wordt, terwijl men er net van uit gaat dat het om een persoonlijke taal gaat, die tevens de algemene, want enig mogelijke is.

De ganse discussie rond CS-NS kan als een typevoorbeeld gelden van conceptuele bezettingsijver én terzelfdertijd van grote mistigheid. Op een eerste gezicht lijkt dit wellicht tegenstrijdig, maar in werkelijkheid kan dit wel degelijk sporen. Maakt de staat de natie, of, omgekeerd, is er een (historische?) natie nodig om tot een staat te komen? Is die staat boven de natie verheven, of, is die staat integendeel een uitdrukking van alle tegenstellingen uit die natie, of, is deze een paciferende kracht? Is de civiele samenleving, de natuurlijke voedingsbodem waarop een – noodzakelijke(?) staatsordening organisch groeit? Of, moet de staat die civiele samenleving temmen om ze te laten overleven zoals o.m. Hobbes dacht? Je merkt het, het is niet zonder belang om CS en NS in te lijven, en mee een betekenis te geven van een vanzelfsprekende ordening. Eén van de vluchtwegen, om te ontsnappen aan wetenschappelijke kritiek zonder de wetenschap officieel af te vallen, is uiteraard de metafoor. Smith wijst er terecht op hoe de 20e eeuwse boegbeelden van het racisme enkel grabbelen in de ton van pseudo-genetica en nep-biologie (Smith, 2002, 16). Bloed is b.v. niet zoals in de genetica simpelweg materie, maar een symbool met atavistische connotaties. Erfelijkheidswetten zijn dan niet langer een resultaat van willoze processen, maar de uitdrukking van een soort ‘historical design’. Het begrip ‘staat’ wanneer het wordt gehanteerd in het discours ondergaat een zelfde lot: het laat uitschijnen dat er een bibliotheek onderzoek achtersteekt, maar appelleert in feite aan sentimenten, die allemaal samen een irrationeel maar moeilijk te ontwrichten frame bieden. Ik zeg maar iets: staats-belastingsdruk-inefficiëntie-bureaucratie-regelgeven…; of nog: staat-grondgebied-identiteit-verdediging… Dit geldt evenzeer voor de civiele samenleving, een begrip met rizomische allures en evenmin te ontdoen van bijbetekenissen. Neem b.v.: civiele samenleving-basisdemocratie-morele economie-harmonie… Voor een wetenschappelijke analyse is die meerduidigheid en schimmigheid niet bepaald een zegen, in het verwerven van hegemonie is het zelden een remmende factor. Zoals gezegd berusten dominante ideeën eerder op aanvaarding dan op bewijsvoering.

1.1 De staat als hefboom voor moderniteit

De visie rond CS-NS werd aanvankelijk haast exclusief gedomineerd door de realistische school, een reeks opvattingen met wortels in een verre traditie. Al deze opvattingen werden ontwikkeld binnen een Eurocentrisch, later V.S. en Sovjet-kader. De koloniale wereld werd weliswaar bestuurd, maar niet via een eigen staat. De schaarse helderzienden die onafhankelijke staten in het Zuiden binnen een afzienbare toekomst voor mogelijk hielden, gingen ervan uit dat ze een doorslag zouden zijn van die in het Noorden. Dat de civiele maatschappij er verschillend was, dat er ook onderling in de Derde Wereld ontzettend veel discrepanties waren tussen maatschappijen werd in deze over het hoofd gezien. De staat werd bestempeld als een a priori gegeven, dat niet te bevragen viel en vanuit deze staatsgecentreerde visie werd een dubbele hiërarchie opgebouwd. Intern hoorde je op de achtergrond nog steeds Hegel, al dan niet op zijn voeten gezet. Hegel zag de civiele maatschappij als een netwerk van verhoudingen, in eerste instantie marktverhoudingen, die tussen de familie en de staat een brug sloegen. In zijn visie kon dit competitieve private streven evenwel enkel uitmonden in maatschappelijke chaos. Vandaar dat de staat, de drager van de universele moraal, via de wetgeving orde en vrijheid moest installeren. Voor Hegel leed het geen twijfel dat de staat de samenleving domineerde. Marx was het ermee eens dat de rechtsstaat zoals Hegel die formuleerde, als politieke transformatie, een stap vooruit was in de emancipatie, maar dan wel binnen de bestaande productiewijze. Het uiteindelijk doel bij Marx was een sociale transformatie die de markt niet temde maar ophief. Maar de onmiddellijke doelstelling was natuurlijk politiek van aard: het veroveren van de staatsmacht. In meer bevlogen momenten liet Marx zijn gedachten zweven in een verre toekomst, waar de staat als het ware verdampte en de soevereiniteit naar de samenleving terugvloeide. In de praktijk evenwel, zowel in het Westen als in de landen van het zg. reële bestaande socialisme stond de noodzaak van de staat nauwelijks ter discussie. Hoogstens werd er een fijnbesnaard colloquium in de sector prognostica gepland dat het afsterven van de staat als mogelijkheid opperde, maar in de praktijk was iedereen het eens: de staat was een logisch eindpunt van een historische evolutie en was als uitdrukking van modernisme onontwijkbaar.

Extern werd dit realisme belichaamd door Hans Morgenthau (Morgenthau, 1978). Het politiek realisme in de internationale relaties gebiedt ons aldus Morgenthau om uit te gaan van de feiten, en deze een betekenis te geven via een rationele analyse. Meer zelfs, ook de internationale politiek zelve moet rationeel zijn, d.w.z. dient de risico’s minimaal te houden en de baten te maximaliseren. Dit vergt op een eerste gezicht een ingewikkelde rekenkunde, maar zegt Morgenthau, dat is niet zo. Zoals Bentham een vuistregel heeft voor geluk – bezit -, zo is de maatstaf voor rationaliteit in een internationale context simpelweg macht. Hoewel de operationalisering ervan kan variëren is het voor Morgenthau evident: macht is een objectieve categorie die universeel geldend is, en waarvoor geen bestaansreden dient gezocht te worden buiten het zoeken naar macht zelf. Er zijn weliswaar morele wetmatigheden en zeer zeker kan niet ontkend worden dat er spanningen kunnen bestaan met de eisen van succesvol politiek handelen. Uiteindelijk hebben en horen beide een grote autonomie te bezitten. Of anders uitgedrukt, de wetmatigheden van de politiek kunnen niet wijken voor morele bezwaren. Ondanks een verwarrend taalgebruik – ‘Volkeren’-Bond, Verenigde ‘Naties’ leek het de evidentie zelf dat de internationale scène voorbehouden was voor de staten. Dat internationale organisaties dwingend zouden kunnen optreden tegen de staten uit het Noorden, werd aanvankelijk als ondenkbaar afgedaan en dat TNO’s het gedrag van staten konden sturen als een fabeltje bestempeld. Ook het idee dat de civiele samenleving, b.v. via internationale NGO’s, een rol zou kunnen spelen werd lacherig afgedaan als een hersenspinsel, want soevereiniteit en niet-inmenging waren sacrosanct, tenminste voor de grote actoren.

Vanaf het moment dat de Verlichting een politieke invulling verkreeg en vooral sinds die als het ware gepersonaliseerd werd via de Franse revolutie in de Jacobijnse eenheidsstaat, ontwikkelden zich ook theorieën die de civiele samenleving in bescherming namen. De meest gekende auteur is ongetwijfeld Alexis de Toqueville met zijn bedenkingen rond de Amerikaanse democratie. de Toqueville is intelligent genoeg om te beseffen dat het Ancien Regime voorbij is, maar ter zelfdertijd vreest hij dat de gecentraliseerde staat de samenleving en haar leden ernstige schade kan toebrengen door het machtsmonopolie dat die staat claimt. In Amerika bezit de democratie een betere voedingsbodem omdat de gemeenschap de controle over de soevereiniteit behoudt. Door de macht dicht bij de lokale gemeenschap te houden en door ‘the big government’ met wantrouwen te behandelen, vermijdt men breuken met de traditie. De centralisering van de macht onttrekt deze niet alleen aan de steden ten voordele van het platteland, het speelt die tevens in handen van de plaatselijke elites. Deze, als de natuurlijke dragers van de morele code, werken in de lijn der traditie: conformisme steunt op de gelaagdheid van een samenleving en omgekeerd (Ahrendt, 1958, 39). Al deze mensen verenigen zich, formeel of informeel, bouwen netwerken uit enz., en precies de proliferatie van al de uiteenlopende associaties maakt de kracht uit van de Amerikaanse democratie. Om het samen te vatten: de civiele samenleving beschermt het individu tegen het (inherent) autoritaire staat, al is het bij de Toqueville tevens duidelijk dat de natuur van de mens in de tradities verankerd is. “Moraal is je gedragen zoals je bent grootgebracht”, daar gaat het om (of daar zou het volgens Murphy althans bij honden moeten over gaan (Murphy, 1964, 179). Echo’s van “ni dieu ni maître” moet je bij de Toqueville en zijn geestelijke erfgenamen in hun wantrouwen vis-à-vis taxis niet zoeken. Dit kan wel voor enige verwarring zorgen bij sommige huidige verdedigers van de civiele samenleving, die meer vanuit een anarchiserend perspectief werken. Meer zelfs, volgens de Toqueville verwarren de meeste mensen vrijheid met de keuze van hun schoolmeesters. Een civiele samenleving kan nu eenmaal niet zonder morele code die van bovenaf voorgehouden, zoniet vervalt ze in een dictatuur van de middelmatigheid.

Toen, in de bipolaire wereld van na 1945, de dekolonisering aanklopte, waren de ideeën rond CS-NS voor de niet-Westerse wereld nog onderontwikkeld. Met uitzondering van Latijns-Amerika waren er daarenboven bijzonder weinig stemmen uit het Zuiden die een hedendaagse geëlaboreerde kijk op de staat konden formuleren.

Enkel Mao, vooral in de jaren’60, stond voor een ‘alternatief’. In de VS werd rond Gabriel Almond het ‘Committee on comparative politics’ opgericht dat voor een frisse heuristische invalshoek moest zorgen. Langs de ene kant werden de diverse sociale wetenschappen gemobiliseerd om daaruit te putten voor nieuwe paradigma’s, langs de andere kant moest worden nagegaan in welke mate deze inzichten dienstig waren in de Derde Wereld. Het ging niet alleen om een academische denkoefening, met zijn ‘Appeals of communism’, had Almond reeds bewezen dat hij tevens inzetbaar was in praktische ‘containment-policies’. Het ‘Committee on comparative politics’ moest a.h.w. het terrein bezetten van de politieke wetenschappen, hetgeen niet zo moeilijk was gezien de dominante positie die de VS na WOII innamen. In 1960 verscheen – in co-auteurschap met Coleman – ‘The politics of developing areas’ wat een basiswerk bleef voor de ganse school van ‘developmentalism’ (Almond & Coleman, 1960). Simpel gesteld kwam het hier op neer: aanvaard de locomotieffunctie van het Westen – in casu de VS - en de problemen zullen spoedig opgelost zijn: if only… Deze catching-up strategie zou een hegemonie verwerven binnen het denken en handelen. “When therefore the United Nations declared that the 1970s would be the “decade of development”, the term and the objective seemed virtually a piety” sneert Wallerstein (Wallerstein, 2004, 3). De moderniteit zou gaandeweg de traditionele samenleving verdrijven en de staatsinstellingen zouden hierin een sleutelrol spelen. Het eindpunt zou overal een westerse democratie met wat exotische kantjes zijn. En mede door de TNO’s zou men de economische sector tot ontwikkeling brengen, wat via een doorsijpelingseffect op langere termijn eenieder ten goede zou komen. Aanvankelijk zou, als een soort big push een injectie van technologie, experts en geld nodig zijn – de ontwikkelingshulp – om schot in de zaak te krijgen, maar eenmaal op koers kon enkel een stralende toekomst in het verschiet liggen. Het is op zijn minst vreemd dat Almond die met Verba in ‘63 ‘the civic culture’ publiceert voorbijgaat aan diversiteit (Almond & Verba, 1963). In dit werk wordt precies gepeild naar de culturele basisvereisten die democratie stimuleren of remmen. Maar vanuit de monolithische visie die het Committee en spoedig de zowat totale development-scenes uitstraalt, valt hier weinig van te merken wanneer het over de ontwikkelingsproblematiek gaat.

De gelijkschakeling van staat met moderniteit die zich tegenover de civiele samenleving plaatsen om een historische taak te vervullen vindt aanvankelijk ook gehoor bij de hoofdstroom van de intellectuelen uit de Derde Wereld. Zoals de filosofen de Verlichte Despoten steunden en de Bolsjewieken in 1917 voor een dictatuur van het proletariaat pleitten, zo zullen de nieuwe leiders, gesterkt door het geloof van hun zending, de noodzaak aanvoeren tot bevrijdingsplicht. “Du passé faisons table rase” zoals het in de Franstalige versie van de Internationale luidt. Zij, de nieuwe elite, zou niet alleen de koloniale machten opzij schuiven, maar tevens de eigen maatschappij op het bed van Procrustes binden. De staatsapparaten dienen niet alleen het monopolie van het geweld te bezitten, ze staan tevens voor het alleenrecht op macht en kennis in het algemeen. Regionale particulariteiten, autonome bronnen van macht, traditionele politieke structuren, normen en gebruiken… het moet wijken voor eisen van het autoritaire ontwikkelingsdenken. Of, anders uitgedrukt: de staatsmacht wordt het instrument om de panoptische positie van de nieuwe elite te consolideren. Weliswaar zijn vooruitgang en stijgend geluk van de onderdanen de officiële beleidsdoelstellingen, maar die kunnen slechts gerealiseerd worden via de staatsmacht en deze van haar hogepriesters. Eén van de eersten die het universalisme van het humanisme, de moderniteit en het developmentalisme in vraag stelt is Franz Fanon. Het eenheidsdenken der vooruitgang is volgens hem een uitdrukking van de machtspositie van het kapitalistische Noorden. Zowel in ‘Les damnés de la terre’ als in ‘Peaux noirs, masques blancs’ onderstreept hij hoe alle pogingen van de gekoloniseerden om deel uit te maken van dit ‘universalisme’ moeten stranden op afwijzing en uiteindelijk op zelfdestructie. De nieuwe machthebbers zijn niet veel meer dan onderontwikkelde replica van de onderdrukkers uit de koloniale periode, die een afgedankte versie van moderniteit hanteren om zich te handhaven. De nationale cultuur en samenleving: daar ligt de basis voor de bevrijding van de gekoloniseerde. Let wel, dat Fanon die samenleving niet in essentialistische termen vat en die cultuur niet in fetisjistische formules hult: ze moeten zélf bevrijd worden door en in de strijd. M.a.w. Fanon is voldoende genuanceerd in zijn denken om niet te stranden bij een simpele omkering waarbij ditmaal de samenleving voor emancipatie en de staat voor onderdrukking staan.

‘Modernization as ideology’ zo omschrijft Latham de visie van de VS (Latham, 2000). Voluntarisme, dynamisme, maar met een knuppel achter de deur om alle communistische of crypto-communistische pogingen te lijf te gaan. De Kennedy-administratie werpt zich op als de paladijn van de democratie en verzet zich met klem tegen iedere aantijging dat eigenbelang de drijfveer van hun buitenland politiek vormt. Vooral ten overstaan van Latijns Amerika manifesteert zich dit janusgezicht (Löwenthal, 1991). In 1991 wordt de ‘Alliance for Progress’ gelanceerd, die Latijns Amerika én welvaart én democratie moet brengen, en dit geheel belangeloos. “Let us once again awaken our American revolution until it guides the struggles of people everywhere, not with an imperialism of force or fear but the rule of courage and freedom and hope for the future of men”, aldus JFK (Smith, 1999, 150). Maar datzelfde 1961 is tevens het jaar van de invasie op Playa Giron, één van de dieptepunten van de anti-Cuba hysterie in de VS. Officieel gaat het om een aspect van de indammingspolitiek, maar zoals de top-adviseur van Kennedy, Arthur Schlessinger ooit toegaf, gaat het om de schrik dat Castro’s idee ‘om de eigen zaken te beredderen’ zich zou verspreiden in Amerika’s achtertuin (Chomsky, 2000, 89).

1.2. De civiele samenleving als temmer van de staat

In het Westen zat de klad er ondertussen ook in: de moderniteit en de emancipatorische rol van de staat stonden mede door Nazisme en Stalinisme fel ter discussie. De Frankfurter Schule, en vooral Max Horkheimer vormen hier een startpunt. De titel van zijn ‘Eclips van de rede’ (1947) liegt er niet om: tussen universele rede en subjectieve rede is er geen band meer, en al zeker geen die in de staat wordt geïncarneerd. Maar zelfs de civiele samenleving wordt niet noodzakelijk als bron van bevrijding gezien. Bij Smith, Hegel, Marx… werd deze gevormd via de abstracte arbeid, nu wordt die volgens Horkheimer gedomineerd door consumeren, zelfs op het politieke en het culturele vlak, wat leidt tot irrationeel massagedrag. Vreemd genoeg hoor je enerzijds de Toqueville in zijn angst voor Vermassung, en anderzijds hoor je Marcuse reeds antichambreren. Met enige vertraging en met Algerije maar vooral Vietnam als eye-openers, doen de dekolonisering en anti-imperialistische strijd vragen rijzen rond de aard van het noordelijke CS-NS complex. Lenins theorie van het imperialisme was van meetaf aan ideologisch overladen, en werd daarenboven later door de Sovjet-Unie als politieke krompraterij gehanteerd, zodat ze amper nog een bruikbaar analysekader leek te leveren. En toch. Wat oorspronkelijk een tactische meesterzet was van een jonge en omsingelde Sovjet-Unie, met name anti-imperialisme = progressief = op weg naar socialisme, werd nu vertaald in nationalistische bevrijdingsmantra’s.

Traditioneel heeft de linkerzijde in Europa lange tijd afstand gehouden van het nationalisme. Meer dan het te bestuderen werd het veroordeeld en gelijkgeschakeld met autoritair rechts patriottisme, indien al niet met fascisme of het werd bestempeld als een epifenomeen dat de werkelijke werkelijkheid vervormd weerspiegelde (Calhoun, 1993). Hetzelfde gold de volkscultuur, die als een rem werd bestempeld, als achterlijk en doordrongen van christelijk conservatisme. Vaak strookte dit beeld met een oppervlakte verschijning, en dat was des te evidenter naarmate links het terrein braak liet liggen. Het was wel even wennen voor een deel van de derdewereldbeweging, om die culturele as van het bevrijdingsnationalisme over te nemen. Het pad was enigszins (alweer een deel) geëffend door antropologen die sinds Boas-Benedict pleitten voor cultuurrelativisme, en die modernisering – waar dus tevens mensenrechten, feminisme… op stoelen – als een verwerpelijke Westerse pletrol bestempelden. Maar iedereen wist dat antropologen best aardige mensen waren op een society-bijeenkomst maar niet direct een politiek forum aanboden (alhoewel, zie verder). Indien de cultuur diende gedekoloniseerd te worden en de geesten moesten bevrijd worden van Westerse vernislagen die de originele kleuren verborgen: waar zou dit dan toe leiden?

Neem nu b.v. India en de figuur van Mahatma Gandhi. Langs de ene kant is er een gepopulariseerde Ghandi, à la Attenborough, die herschikt is naar de Westerse conceptie van wat een goeroe hoort te zijn. Langs de andere kant is een meer gesofisticeerde versie die hem ziet als een reïncarnatie van verlicht hindoeïsme, met zijn ‘liefde’ voor de Harijians, geweldloos verzet, enz. Zijn verwerping van moderniteit en de verdediging van een rechtvaardig kastensysteem wordt er dan maar bij genomen. Een volgende stap is het Hindu-nationalisme zoals het door de ‘Sangh Parivar’, de nationalistische koepel wordt verwoord. Eén van de centrale noties is deze van Hindutva (hindoe-nes), zoals deze door Savarkar reeds in 1923 werd geformuleerd. Centraal staan de noties van Bharat (de Indische natie) en punyabhumi (heilige land), waardoor alle vreemde culturen (ook de islam) moeten weggezuiverd worden. In termen van de Toqueville – morele codes, stratificatie, gewicht van het verleden – vind je hier zeker een raamwerk voor de civiele maatschappij. Maar, in de woorden van de schrijfster Arundhati Roy gaat het gewoon om een variant op extreem rechts (Roy, 2002). Aantijgingen tegen dit getropicaliseerd fascisme worden ontkend door o.m. Koen Elst, die zich dan weer in Vlaams rechts water goed thuisvoelt (Elst, 2001).

Of neem Julius Nyere en de ganse Ujamaa-beweging die zo mateloos populair was in het Europa van de jaren zeventig. Er was natuurlijk een lans te breken voor een ‘Afrikaans socialisme’ dat geënt was op de locale tradities (Marx zou bij zoiets een zenuwinzinking krijgen, maar dit is in deze bijkomstig). Dat de mwalimu de eigenheid bepaald instrumentalistisch behandelde door b.v. de chefs politiek te marginaliseren was logisch, want ze vertegenwoordigden de ‘slechte tradities’. Dat de TANU-partij zich als enige instantie opwierp die het onderscheid kon maken, en daarbij haar machtspositie centraal stelde, was al problematischer in het emancipatie discours. Hoe ver kon je gaan in het deconstrueren: een West-Afrikaans socialisme, één op zijn Maputo’s, één à la carte… m.a.w. een relativisme dat de tradities heruitvindt om én vanonder algemene principes uit te raken én om de samenleving zoals ze in werkelijkheid functioneert onder de duim te houden. En dan was er imam Khomeini. Niemand kon betwijfelen dat het regime van de shah onderdrukkend was, vervreemd van de bevolking en fungeerde als lokale ordehandhaver van de VS en de petroleumfirma’s. Khomeini, en ook dit klopte, was én een fervente tegenstander van de Pahlavis en veroordeelde de Grote Satan. Ergo, was hij én anti-imperialist én progressief want nam hij het niet op voor de mustaz’afin (de verworpenen). In werkelijkheid bedoelde hij onderdrukte Shi’a moslims. In ballingschap in Neauphle-le-Château, werd Khomeini gezien als een beetje wereldvreemd, streng en onbuigzaam, maar onder de mantel van een Ayatollah, ging een anti-systeemdenker schuil. Later, in Teheran, maakte hij een aantal fouten, zaten de omstandigheden tegen, was er de aanwezigheid van de neo-imperialistische krachten… kortom, spijtige maar objectief nog steeds te excuseren fouten. Het duurde een tijd vooraleer iedereen moest toegeven dat hij niet stond voor de islamitische variant van de bevrijdingstheologie. Khomeini was geen onwillige schakel in een groter metaverhaal, hij schreef zijn eigen vertelling.

“The destiny of a man is accomplished, and his freedom realized by absorption within the state, because only through the state does he attain coherence and acquire reality” (Kedourie, 1996, 45). Dit was, vanaf Kant, één van de meest prominente redeneringen, die nu op de helling stond. Universalisme, zowat de erfzonde waarvan de Verlichting niet verlost kon worden, was volgens de relativisten per definitie onderdrukkend. Het heil diende nu te komen van het particuliere, vanuit de locale cultuur dus, vanuit een civiele samenleving die zichzelf teruggevonden had. In een extreme vorm voert ons dat naar de complete negatie van het ‘developmentalisme’. Maar tevens is het de bevestiging van de andere als de andere: het samengaan van romantiek en wetenschappelijk bezinksel kan tot bevreemdende resultaten leiden. Of misschien moeten we wel zeggen dat dit eerder het gevolg was van de gepopulariseerde versie van een ideologisch relativisme, waarin de veldwerker als een soort academische toerist verschillende realiteiten fotografeert, en daar vervolgens een ‘domino-theory of norms’ aan verbindt (Rosaldo, 2000). In ieder geval, de staat werd nu door sommigen niet alleen beschouwd als een instrument dat de samenleving vermorzelde, maar als een exponent van een eurocentrische poging tot mondiale transformatie. Vooral wanneer deze stelling werd geformuleerd door politieke activisten uit het Zuiden, hadden veel Westerse politicologen, verpletterend als ze waren door decennia ‘white mens burden’ het moeilijk om weerwerk te bieden. Maar, bien étonnés de se trouver ensemble, er valt natuurlijk ook een link te leggen met de opvattingen van de Toqueville. “Right or wrong, normal and abnormal, beautiful and plain are absorbed from infancy, as a person learns from the way of the group into which he is born”, aldus Melville Herkovits, één van de grondleggers van het moreel relativisme (Herskovits, 1967, 64). de Toqueville zou het niet raker geformuleerd hebben, en er waarschijnlijk nog aan toegevoegd hebben dat dit gods wil was.

Die civiele samenleving is tevens nauw verbonden met het begrip ‘sociaal kapitaal’ of, beter uitgedrukt, met bepaalde van de zeer diverse invullingen ervan. Volgens Putnam is sociaal kapitaal als volgt te omschrijven: “Whereas physical capital refers to physical objects and human capital refers to the properties of individuals, social capital refers to connections among individuals… In that sense, social capital is closely related to what some have called ‘civic virtue’. The difference is that ‘social capital’ calls attention to the fact that civic virtue is most powerful when embedded in a dense network of reciprocal social relations” (Putnam, 2000, 19). Dit is uiteraard een andere omschrijving dan deze die b.v. Bourdieu en co geven, waar conflict en macht manifest aanwezig zijn (Siisiäinen, 2000). Het is evenwel de Putnam-versie van civiele samenleving – sociaal kapitaal die internationaal in de praktijk school maakte.

Het is binnen dit complexe en dynamische kader dat de NGO’s op hun beurt op het terrein mee inhoud verlenen aan dit ganse debat. Het valt hen uiteraard niet moeilijk om de nationale staat aan te pakken, zowel op het vlak van de vredes- als van de ontwikkelingsproblematiek. De kritiek omhelst zowel politieke onwil, het gebrek aan transparantie, tegenstrijdige impulsen, inefficiëntie als regelrechte corruptie. De wereld van de ontwikkelings-NGO’s krijgt het bepaald makkelijk om zichzelf in de rol van witte ridder te hijsen. Nog minder moeite kost het om de ontvangende administratie aan de schandpaal te nagelen: affairisme, nepotisme, diefstal… je moest niet bepaald over profetische gaven beschikken om het anti-politieke discours te zien opdoemen. Even evident is het dat het vacuüm zou worden opgevuld door diegenen die menen de aanbodzijde te moeten organiseren: diezelfde NGO-wereld. Op vrij korte tijd groeit er een sector van transnationale NGO’s, die op de internationale scène een belangrijke medespeler wordt en die afzonderlijke nationale staten negeert of zelfs tegenwerkt. Het meest in het oogspringende voorbeeld kan men vinden in de gezondheidssector. De SAP’s hadden er een ware kaalslag gehouden: stijgende ondervoeding en dalende hygiëne, afbouw van de gezondheidsbudgetten, ineenstorting van de publieke preventie, defficiëntie bij gezondheidscentra en hospitalen (Hong, 2005). Uiteraard is het zo dat de zwaksten in de armste streken de eersten zijn om op te draaien: kindersterfte en blijvende letsels van ondervoeding. Natuurlijk is er geen blind causaal verband te leggen tussen globalisering, belabberde economische situatie, SAP en diarree of TBC bij kinderen. Uiteraard vertaalt een laag BNP per capita zich niet automatisch in een catastrofale ‘Human Development Index’. Het regime op nationaal en lokaal vlak, liet zich voor deze zaken als volksgezondheid wel erg makkelijk onder druk zetten door het neo-imperialisme. Echt veel moeite moesten WB en IMF niet doen om stringente besparingen aan te kaarten op het terrein dat voor vele bewindvoerders al geen topprioriteit was: volksgezondheid. De NGO-wereld reageerde fiks, noodgedwongen, maar toch ook wel onder de banier van de ware bevrijders, om de lacune op te vullen. Voor een deel waren internationaal gestructureerde organisaties die professioneel gerund werden: MSF, Save the children, Care… voor een deel ook vrij schimmige bewegingen zoals Feed the children, Nazarene Disaster Purse, International Relief, die, naar gevreesd konden worden een dubbele agenda hadden. Voor een stuk enerveerden ze de nationale autoriteiten en dreigden sommige politici als de Kenyaanse minister Julius Sunkuli dat ze “dangerous weed to be weeded out” zijn (East African News, 22 july 1999); voor een ander stuk ontsloegen ze het regime van de eigen verantwoordelijkheid; soms waren ze, zoals Michael Bond zegt “too big for their boots” (Bond, 2000). Daarmee bedoelde hij dat ze falen op het vlak van responsabiliseren. Maar je zou er tevens kunnen aan toevoegen dat ze een reconstructie van de overheidsdiensten op vlak van gezondheidszorg niet altijd een goede dienst bewezen. Hun voluntarisme was niet steeds de beste aanzet tot structurele heropbouw.

Een beetje in de slipstream van dit alles groeide er niet alleen kritiek op de overheid maar op het politieke bedrijf als zodanig. Of, op wat men als de oude politieke cultuur omschreef. Het is de periode waarin weerbaar burgerschap centraal stond, althans van die individuele burger die niet door drukkingsgroepen werd misleid. In ons land was het het tijdperk van de burgermanifesten en van de kloof. Volgens Chantale Mouffe is de eeuwigdurende paradox van de democratie net de spanning tussen individuele vrijheid en georganiseerde gelijkheid (Mouffe, 2000). In de (oorspronkelijke) burgermanifesten van Verhofstadt b.v. heeft de geschiedenis evenwel een einde gevonden en blijft enkel die vrijheid over. Gelijkheid werd gelijkgeschakeld met dwang en ‘dus’ met staat, en de overheid werd als een karikaturale belager van de enkeling voorgesteld. De betekenis van de manifesten was dat hiermee de grenzen van de politieke arena hertekend werden zodat tenslotte ook de tegenstanders binnen deze krijtlijnen de confrontatie aangingen. Het briljante van deze bezetting was dat deze niet als een politiek project werd voorgesteld, maar als een neutrale bevrijding op de impulsen van het gezond verstand der burger. Hoewel hij soms behoorlijk kort door de bocht ging, wees Blommaert erop hoe wat als vernieuwing werd aangediend in feite een variant was op neo-conservatisme (Blommaert, 2001). Toch kan het ‘heropeisen van het publieke’ leven andere, eventueel meer progressieve invullingen meekrijgen (Beem, 1999).

Wat de civiele samenleving precies inhoudt is niet altijd duidelijk. Indien het uitgangspunt erin bestaat dat het om tegenmacht moet gaan – tegen de staat of tegen ‘de’ politiek -, dan zitten we van meetaf aan met de bias. Volgens het ‘Centre for civil society’ dient men onder die civiele samenleving te verstaan: “Civil society refers to the arena of uncoerced collective action around shared interests, purposes and values. In theory, its institutional forms are distinct from those of the state, family and market, though in practice, the boundaries between state, civil society, family and market are often complex, blurred and negotiated. Civil society commonly embraces a diversity of spaces, actors and institutional forms, varying in their degree of formality, autonomy and power. Civil societies are often populated by organisations such as registered charities, development non-governmental organisations, community groups, women’s organisations, faith-based organisations, professional associations, trade unions, self-help groups, social movements, business associations, coalitions and advocacy groups”(http://www.lse.ac.uk). Het CCS, verbonden met de London School of Economics, is gegroeid uit een Fabianistisch initiatief, is in de jaren ‘90 aarzelend tussen ‘middle of the road’ en ‘third way’ beland, maar blijft wel achter een aantal basics staan. Anderen gaan evenwel zo ver dat ze enkel a-politieke organisatiestructuren in de lijst opnemen en bij uitbreiding ook vakbonden e.d. uitsluiten. Robert Putnam b.v., met zijn nadruk op sociale integratie en consensus staat bepaald afwijzend tegenover dit soort verenigingen, vooral wanneer ze aanzetten tot ‘pathologische’ vormen van collectieve actie. In dit opzicht ligt hij volkomen in de lijn van de Toqueville omdat hij de tegenstellingen politieke en civiele samenleving omzeilt via pacificerend functionalisme (Mouritsen, 1999).

1.3. De staat als vijand

Twee grootschalige bewegingen in de laatste decennia der vorige eeuw zouden de staat, of exacter gezegd, zouden de wijdverspreide visie op de staat een nog negatievere lading meegeven. Hoewel ze niet noodzakelijk aan elkaar geklonken zijn, vallen er toch behoorlijk wat verbindingslijnen te trekken. De link tussen politieke en economische vrijheid was op het theoretische vlak reeds geaffirmeerd na WOII door monetaristen als Milton Friedman en Friedrich Hayek. ‘The road to serfdom’ zoals één van Hayeks boeken is getiteld laat daarover geen illusie overeind: staatsinterventie in de economische sector leidt onvermijdelijk tot het opheffen van elke vrijheid. De zg. welvaartstaat die uit de neo-Keynesiaanse politiek voortvloeit vernietigt de individuele verantwoordelijkheid en keuzemogelijkheid. Eerst, in de na-oorlogse pacificatiepolitiek vonden ze amper gehoor, maar later werden Hayek-Friedman opgevist door het Reagan-Thatcher span. Het programma van Thatcher was naast een frontale aanval op de nanny-state en de regularisering van de economie, ook een fervent pleidooi voor ongeremd individualisme. Langs de ene kant wilde het een politiek monopolie bij de centrale overheden en was er de afbouw van lokale machtscentra, de strijd tegen segmenten van het middenveld (de clash met de vakbonden) en het verzet tegen machtsoverdracht naar supranationale instanties (het no, no, no tegen de EU)... wat Gamble de combinatie van ‘free economy and the strong state’ noemt (Gamble, 1994). Het is immers niet de bedoeling om te komen tot wat Boris Kargalitsky als ‘een impotente staat’ omschreef maar wel tot een gespierde staat, ten minste t.o.v. bepaalde groepen of problemen, tot een strafstaat in Wacquants terminologie (Wacquant, 2006). Langs de andere kant wordt die staat afgeslankt – althans de sociale taken ervan – tot een nachtwakerstaat, maar moet ook de civiele sector inleveren: ‘there is no such thing like society’. Het is niet de enige contradictie: er is vooral het onbegrensde materialisme ‘the grocery’s daughter’ in combinatie met de éloge van de klassieke Britse gemeenschapsdeugden (Campbell, 2003). Het lijkt haast komisch hoe naakt egoïsme zich wil hullen in metafysische gewaden. Het ironische is dat niet klassiek links, door Thatcher op de knieën gebracht, maar het spontaneïsme van het straatverzet tegen de introductie van de poll-tax in 1990, met de Battle of Trafalgar, ‘the Iron Lady’ ten val brengen.

Haar geestesgenoot en overlord in de VS, had zich in wat omschreven werd als Reagonomics, gelaafd aan dezelfde bronnen: Friedman en Hayek. ‘Supply-side economy’: het vertaalde zich in deregularisatie, belastingsvermindering en de afbouw van de allesoverheersende staat (die er al niet was!). Ronnie’s voodoo economics, noemden de tegenstanders het. Ook hier vinden we diezelfde combinatie: een gespierde militaire buitenlandse politiek, en de terugtrekking van de overheid uit de sector van onderwijs, ziekteverzekering… Reagan en Thatcher zullen vanuit hun Atlantische as zwaar wegen op de internationale organisaties om deze te heroriënteren in de richting van structurele aanpassingsprogramma’s. Het gaat niet om een eerder toevallige, kortstondige coalitie, maar om wat K. Van der Pijl ‘an Atlantic ruling class’ noemde, die uitmondt in ” a strategic partnership between the two states to manage the world system and maintain world order” (Van der Pijl, 1984; Gamble, 2002). Deze ordening, gestuurd door de coalitie, moet uiteraard gebruik maken van geweld, of minstens van het dreigen met geweld. Maar, de conceptualisering van deze ordening via een veelheid van kanalen en krachten, d.w.z. de slag om het verwerven van ideologische hegemonie, is minstens even belangrijk. Dit gaat natuurlijk gepaard met het voeren van een praktisch compromis waardoor uiteenlopende belangen worden ingepast in dit overkoepelend project. Toen het blok van socialistische staten reeds verzwakt was, en zeker na de implosie van de Sovjet-Unie, kon men in Washington en Londen dromen van een lange periode van hegemonie. Dit kon, door de aard van het kapitalisme zelf niet blijvend zijn, maar in de jaren’80 begin jaren ‘90 was het duidelijk dat deze coalitie de bakens uitzette. Beter dan waar de TINA-slogan voor stond kan je het niet samenvatten: there is no alternative!

Uiteraard wordt de globalisering, gedragen door de technologische evolutie, een onontkoombaar proces. Wat neocons en neoliberalen evenwel voorhouden is dat het geen uitstaans heeft met de politiek, dat de vertaling ervan in ‘een’ visie op economische politiek geen banden heeft met belangen en macht, maar een gegeven is. M.a.w. het is de triomf van de ‘pensée unique’ omdat de noodzaak en gezond verstand Hegeliaans opgeheven worden in wat John Williams uiteindelijk zal betitelen als de ‘Washington consensus’: het herhalen van het gekende credo omtrent budgetdiscipline, belastingsverlaging, deregularisering, afslanking,... In feite wordt het veel openlijker vastgelegd in de titel van een boek van de gekende neo-conpubliscist Michael Novak ‘The spirit of democratic capitalism’: het gaat om een geloof (Novak, 1982). Het boek is, zoals de directeur van Smith Kline Corporation, Robert Dee schrijft ”... a stunning treatment of the moral foundations of capitalism”, en eist als een geloofsovertuiging het alleenrecht op de waarheid op. “What’s left is Anglo-Saxon capitalism. It is becoming a ‘global standard’” blokletterde de Financial Times op 18 april 1998 (Nederveen Pieterse, 2000, 20). Uiteraard moet je dit alles zien tegen de achtergrond van de Koude Oorlog, die met Reagan en Thatcher opnieuw in de vitrine werd geplaatst. In een mengeling van Bijbelse epiek en Star Wars retoriek riep de president op tot strijd tegen ‘the evil empire’. Hij hanteerde deze uitdrukking (toevallig?) voor het eerst op een bijeenkomst van de ‘National Association of Evangelicans” in Orlando, 1983. Op een subtiele manier worden staat, socialisme en kwaad gelinkt, wat nogmaals lijkt te suggereren hoe de realistische aanpak nood heeft aan een morele travestie. “Let us beware that while the Soviet leaders preach the supremacy of the state, declare its omnipotence over individual man and predict its eventual domination of all peoples on the earth, they are the focus of evil in the modern World…”: aldus de president.

En dan waren er de bewegingen in Oost-Europa, die naar een theoretisch fundament zochten voor hun verzet. Het was bijna onvermijdelijk dat deze revoltes tegen de staat en het systeem vertaald werden in anticommunisme. Van de weeromstuit werd communisme gelijkgesteld met een staatsgestuurde strategie om de economie en de samenleving te beheersen. Zoals John Ehrenberg het formuleert: “Actual existing socialism had degenerated into a bureaucratically-driven commitment to central economic planning for its own sake…” en “Marxism’s stated intention to transform civil society expresses an inherent disposition toward statist totalitarianism…”(Ehrenberg, 1998). De gecanoniseerde ‘Freiheit oder Sozialismus’-slogan uit de Koude Oorlog-archieven heette nu ‘Wir sind das Volk’. Maar er was meer natuurlijk. Neem nu Tsjecho-Slowakije: langs de ene kant was er het ‘Burgerforum’, langs de andere kant een staat die gestigmatiseerd was door de Praagse Lente. Enerzijds was er Vaclav Havel – die een Rolling Stones fan was – anderzijds was er president Husak – die zelfs bij leven in een wassenbeeldmuseum thuishoorde: de keuze was vlug gemaakt. En wat misschien nog belangrijker was: in de fluwelen revolutie zakten de staat en het communisme als een plumpudding in elkaar. De civiele maatschappij had dus macht en slaagde er haast zonder bloedvergieten in de totalitaire ordening te ontmantelen. Alleen diegenen die nog steeds opgezadeld zaten met een partijaanhorigheid die dateerde uit een pre-post-Marxistische periode, konden daarover wat sceptische geluiden ventileren. De civiele samenleving stond voor vrijheid en openheid van denken, de staat voor prikkeldraad en verplichte metaverhalen; de civiele samenleving hanteerde de laserprinter, de staat produceerde Trabantjes.

2. Het debat rond ‘State collapse and state faillure’

“In the aftermath of 9/11, the problems of state collapse and state failure have moved centre stage on the academic and policy agenda” (Raeymaekers, 2005, 2). De reden is dubbel. Vooreerst gaat het niet langer om een marginaal maar om een globaal probleem, dat -wat ondenkbaar was – ook ‘blanke’ regio’s treft. En ten tweede wordt dit fenomeen bestempeld als een bron voor internationale instabiliteit, (alhoewel de band tussen Irak en Al-Queda, althans vóór de val van Saddam Hoessein, nog enige propagandistisch betekenis had). Dit althans is wat mainstream aanvaard wordt wanneer we uitgaan van Zartman’s definitie dat die ineenstorting slaat op “a situation where the structure, authority, law and political order have fallen apart…” (Zartman, 1995, 2). Dit zou dan het eindstadium zijn van een lang aftakelingsproces (zie ook Rotberg, 2004). Of, indien we afgaan op de definities van het ‘Crisis States Research Centre’ (verbonden met LSE), dan komen we via ‘fragile states’ (susceptible to crisis in one or more of its subsystems), en ‘crisis states’ (under acute stress, where reigning institutions face serious contestation and are politically unable to manage conflicts), naar ‘failed states’ als een voorwaarde van ‘state collapse’ (“A state that can no longer perform its basic security and development function and has no effective control over its territory” Crisis States Workshop – London, march 2006). Het is dan nog een kleine stap naar wat ‘foreign policy’ doet, met name het opstellen van een jaarlijkse ‘Failed States Index’. Deze houdt rekening met twaalf factoren (demografische druk, criminaliteit, ongelijke geografische ontwikkeling, falende publieke voorzieningen,...) en deze hitparade werd in 2006 bekroond door Soedan, de DRC en Ivoorkust.

Twee zaken zijn alvast duidelijk. Het gaat om een bijzonder centristische kijk: staten zijn een probleem wanneer ze er één vormen voor óns in het centrum. Volgens deze logica, die tenandere expliciet verdedigd wordt door Huntington in zijn ‘clash of civilizations’, was Rwanda géén echt knelpunt, gezien de genocide ónze veiligheid niet in het gedrang bracht. Dit is de realistische school met haar verzet tegen de ‘nanny-state’, op haar smalst. Ten tweede, dit soort van definiëring is een vorm van machtsuiting, indien we Foucault achterna, macht omschrijven als “a mode of action upon the action of others” (Simons, 1998, 82). Door één perspectief naar voor te schuiven (b.v. de index), deze een hoog objectiviteitsgehalte mee te geven (12 criteria b.v.), hierop een rangschikking te baseren, verleent men de politieke wereld een agenda voor legitieme interventie. De volgende stap is dan ongetwijfeld het recht op preventieve actie. M.a.w. er schuilt een sluipend gevaar dat het benoemen en het opstellen van een ranking, een equivalent wordt van de ‘rogue-state’-mania, uit de Reagan-periode (Blum, 2000). Anders uitgedrukt, de zoveelste variant op de ‘national-security’-ideologie, waarbij de belangen van één staat, preciezer geformuleerd van één politiek regime, gelijkgeschakeld worden met de vrede en veiligheid van de wereld en de legitimatie biedt tot optreden waar en hoe men het in Washington DC nuttig acht. Nooit verlegen om in de controverse te gaan, vraagt Chomsky zich af of de VS zélf geen ‘failed state’ is, zoals hij zich vroeger bevroeg of Amerika geen schurkenstaat was (Chomsky, 2006). Je zou kunnen stellen dat ‘failed state’ de heractualisering is binnen de post-9/11 ‘Zeitgeist’ van wat vroeger reeds aanwezig was. Bij ‘Zeitgeist’ denkt men spontaan aan Herder en Hegel, maar de term is een vertaling van ‘genius seculi’, wat slaat op ‘bewakingsgeest van de eeuw’ en veel explicieter verwijst naar macht. ‘Zeitgeist’ ontstaat noch van onderuit noch valt die uit de lucht. Durkheim moge dan nogal eens eenzijdig agency opzij schuiven, maar zijn opmerking blijft het overwegen waard. “If all hearts beat in unison, this is not as a consequence of spontaneous, preestablished harmony; it is because one and the same force is propelling them in the same direction” (Lukes, 1982, 54).

De ‘Demokratische Republiek Kampuchea’ onder de Rode Khmer (1975-1979) kan nog steeds als voorbeeld gelden van een staat die tabula rasa wilde maken met de samenleving. Saloth Sar, beter bekend als Pol Pot of Broeder N°1 wilde er met de Angkar – de organisatie – een borisot-campagne doorduwen. Zuiverheid – één van de centrale themata van alle fanatici – troffen de stedelingen, de ‘bourgeoisie’, de intellectuelen en al diegenen die, om welke redenen ook op de lijst kw

Voeg een reactie toe

Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.

Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je:

  • (inter)actief deelnemen aan het gebeuren op onze site
  • een persoonlijke kalender bijhouden van je favoriete activiteiten
  • foto’s opladen en vrienden toevoegen
  • Favoriete foto’s, video’s, muziek, teksten of reacties bijhouden
  • andere reacties beoordelen
  • door Ruddy Doom
  • Alle rechten voorbehouden Alle rechten voorbehouden
  • opgeladen op 12 feb 2008
Tags

Contact

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Contacteer ons)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital