WAT gebeurt er als een kunsttak aan zijn populairdere, wereldse pendant wordt gekoppeld? Bijvoorbeeld podiumkunsten aan porno. Blijkbaar is de basisdoelstelling van porno niet te neutraliseren, zodat het genre alles naar zich toehaalt. Het is als vermenigvuldigen met nul: de uitkomst staat vast.
Tussen hedendaagse dans en striptease is dat samengaan minder dwingend. Ofschoon in Nachtschade elk van de zeven acts eindigt met een strip, oogt het geheel als kunst. De choreografen hebben het criterium ,,verleiding’’ op al zijn parameters betast en hebben de toeschouwer tot een ander soort blik gedwongen.
Eerst over die verleiding. De makers kunnen er maximaal in meegaan of ze negeren. Het meest blijkt dat uit het middendeel, om die reden veruit het sterkste van de voorstelling. Alain Platel zet in zijn choreografie alle clichés moddervet aan. Hij plaatst Caroline Lemaire niet tegen een rode, maar de helst denkbaar rode achtergrond. Zwoel kun je het van gladde salonbeat voorziene ,,Je t’aime moi non plus’’ niet eens meer noemen. Met haar ingekeerde blik en fado-achtige droefheid laat ze zien hoe sensueel en gedistingeerd de betere strip kan zijn.
Daarop voert Caterina Sagna een danseres op met welhaast kinderlijke uitstraling. De intentie van de stripper, het publiek verleiden, wordt in zijn tegendeel omgedraaid. Sky van der Hoek straalt de dwang uit, die er in menig cabaret misschien is, maar tijdens het optreden achter de coulissen blijft. Ontwijd in haar onschuld staat ze op het podium, belaagd door een voordoek dat haar plet, overstemd door het Emanon Ensemble.
Harder en betekenisvoller dan tussen deze twee nummers is het contrast nergens; voor het overige is er amper samenhang tussen de scènes. Tenzij dan dat het rekwisietenmeisje de danseres van Wim Vandekeybus blijkt te zijn.
Claudia Triozzi kiest voor de frustratie van de verleiding. De stripper die bij uitstek degene is die zich toont, prijkt bij haar tegen een uitvergroot rococopaneel. Tegen de achtergrond van het drukke printmotief is Cecilia Bengolea amper waar te nemen. De obstinate weigering resulteert uiteindelijk in een zuinige bips. Ook Erik De Volder kiest voor minimalisme. Hij legt Barbara Rom op het voortoneel, als de klei waarmee we straks boetseren gaan.
Daarmee zijn we bij de bijgestuurde blik beland. In clubs is de podiumruimte klein, om de suggestie van intimiteit te voeden. Ze staat ten dienste van de toeschouwer, die met volle medeplichtigheid de blik van voyeur aanneemt. In de aanzienlijk grotere ruimte van een theaterzaal is de kijkattitude minder resultaatgericht. En evenmin op hetzelfde resultaat gericht. De Volder en Triozzi laten ons met een plastische blik naar de lichaamsmaterie kijken. Vera Mantero, met een (te lange) burleske, en Wim Vandekeybus, met een woeste fuck you in het gezicht van de mannelijke viespeuk, spreken ons aan op een theatrale blik. In beide gevallen heeft de tekst weinig om het lijf.
Alleen met de blik die Johanne Saunier ons voorlegt, weten we weinig raad. Ze brengt een nummer met Gidi Meesters, een beroepsstripper, die een act brengt die hij anders ook zou doen. Hij lijkt wat op een Chippendale die niet voluit mag gaan.
Nachtschade is vooral een stoutmoedig idee dat enkele ballonnetjes oplaat over het genre. In zijn uitwerking is het echter een ongelijk defilé, die moeilijk de indruk van lichtheid kan doen vergeten.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: