Kunstencentrum Vooruit, Gent, België

Direct naar inhoud

Direct naar navigatie



Nieuwe theatrale vogelnestjes, of de omelet van het postmodernisme

Wie is de grootste schrijver aller tijden? Vraagt het aan de grootste leek en hij zal je antwoorden: “William Shakespeare.” Vraag vervolgens hoeveel toneelstukken hij leest per jaar. Hij zal je aankijken alsof je ter plekke bent veranderd in een kakkerlak.

Het verslinden van toneelteksten is iets waarvoor zelfs een boekenwurm met boulimia zijn neus ophaalt. Bijna alle lezers vinden theaterteksten wufter dan een gedicht, muffer dan een essay, saaier dan een handleiding voor personeelsbeleid en literair even relevant als een telefoonboek uit een ander werelddeel.
Bovendien staat een theatertekst ten dienste van een mensensoort die, mét de politicus en de advocaat, de top drie uitmaakt van het meest gehate beroep aller tijden: de acteur. Is het een toeval dat de populaire bezwaren tegen de politicus en de advocaat erop neerkomen dat zij zich en plein public overgeven aan ‘acteren’, aan ‘doen alsof’? Niet zelden tijdens een speech geschreven door iemand anders? En is ‘komediant’ niet een scheldwoord voor al wie níét het vak bedrijft van komediant?

Omdat de uitvinding van het westerse drama – volgens mij niet zonder toeval – samenvalt met het ontstaan van de westerse filosofie, de universele rede en de eerste vormen van democratie, zou je verwachten dat het, binnen onze literatuur en de studie ervan, een centrale en bijzondere plaats inneemt. Dat valt echter dik tegen. Ten bewijze heb ik er de recentste geschiedenis van de Nederlandse literatuur op nageslagen. Zij behandelt de periode 1945 tot 2005, werd mee gefinancierd door de Taalunie, draagt de titel Altijd weer vogels die nesten beginnen, is prachtig vormgegeven en werd geschreven door professor Hugo Brems.
Er is al eerder gewezen op zekere hiaten in dat werk, vooral door schrijfster Patricia de Martelaere. Zij klaagde aan dat haar oeuvre onderbelicht bleef omdat Brems een afgesprongen romance tussen haar en hem slecht had verteerd. Ik wil mij daar hier niet over uitlaten. Ik mag alleen hopen dat de andere hiaten in dit boekwerk niet terug te voeren zijn op het liefdesleven van zijn auteur. Ze zijn zo talrijk dat je je zou moeten afvragen of Hugo Brems überhaupt tijd overhoudt om boeken te lezen, laat staan te schrijven. Het zijn duidelijk niet alleen vogels die zich in nesten werken door altijd weer nesten te beginnen.
Laten we als graadmeter eens de vorige winnaars nemen van deze Taalunie Toneelschrijfprijs – bij mijn weten overigens de enige jaarlijkse belangrijke prijs voor toneelteksten. De Vlaamse Gemeenschap kent zijn staatsprijs slechts om de drie jaar toe, de Vlaamse Academie bekroont om de vijf jaar één stuk, en het Gala van het Nederlandse Theater, dat de beste acteurs, actrices, regisseurs en voorstellingen eert, slaat toneelstukken gewoonweg over. Een impliciet maar glashelder statement op zo’n feestelijk gala.
Van alle winnaars van de Taalunie Toneelschrijfprijs zijn er negen geen enkele vermelding waard in Altijd weer vogels die nesten beginnen. Ik vermeld ze graag hier: Suzanne van Lohuizen, Peer Wittenbols, Jeroen van den Berg, Tom Jansen, Rob de Graaf, Frans Strijards en Alex van Warmerdam. (Tussen haakjes: ook niet-laureaten als Maria Goos en Gerard-Jan Rijnders ontbreken grandioos.)
Andere laureaten krijgen één enkele naamsvermelding: Koos Terpstra, Karst Woudstra, Peter de Graef, Jan Decorte, Paul Pourveur en Arne Sierens. Ze figureren in wat je niet anders kunt noemen dan een containerzin: “Er kwam een generatie theatermakers naar voren van wie de teksten meer en meer literaire erkenning krijgen: Josse de Pauw, Arne Sierens, Paul Pourveur, Jan Fabre, Karst Woudstra, Jan Decorte, Koos Terpstra, Ramsey Nasr en Peter de Graef.” Het is overigens de enige plaats waar ook Jan Fabre en Josse de Pauw opduiken, nota bene in een boekwerk van zo’n zevenhonderd pagina’s. Ik had me “het krijgen van meer en meer literaire erkenning” anders voorgesteld.
Behalve in monografieën die zich wijden aan het volledige werk van een auteur, wordt bovendien nooit diep ingegaan op zijn toneelteksten en de mogelijke kruisbestuiving met zijn andere werk. Bij de studie van bijvoorbeeld het oeuvre van Hugo Claus, of meer recentelijk Peter Verhelst, is dat alleen maar verbijsterend te noemen. Hun toneelwerk is een onafscheidelijk én toch op zich staand onderdeel, en niet een gemakzuchtige spin-off, zoals vaak wordt gesuggereerd door buitenstaanders, die vaak nooit naar het theater gaan of die simpelweg theater haten. Ook dat is overigens een oude traditie: gerenommeerde Shakespearekenners zwaaien al eeuwenlang met hun filologische rapier, waarmee ze theaterluizen op afstand willen houden als ging het om de bescherming van een geliefde: “Shakespeare is too huge for the stage.” The Shake is gewoon té groot voor het toneel! Met andere woorden, indien een theatertekst dan al eens grote literaire kwaliteiten vertoont, wordt het een halszaak om hem uit de klauwen te houden van acteurs en regisseurs. Ziedaar het drama van het stuk als stuk: ofwel als literatuur te groot om het te laten vermassacreren door hedendaagse tonelisten, ofwel niet groot genoeg om volwaardige literatuur te worden genoemd.

Ik wil benadrukken dat het geen pas geeft om alleen Brems daarop aan te spreken. De praktijk is algemeen, en sinds de late jaren tachtig overigens geheel wederzijds. Ook in het theater zelf groeide een andere houding tegenover de tekst. Brems geeft daar een beknopt maar correct verslag van: “(Er is) een nieuwsoortige relatie gegroeid. Dramaturg, acteurs en regisseurs nemen bestaande teksten als uitgangspunt, maar analyseren, interpreteren en transformeren die. (...) Niet langer gaat de auteurstekst vooraf aan de opvoering, de tekst resulteert eruit. Zo ontstaat er een nieuwe toenadering tussen literaire auteurs en het theater.” Waarna hij een summier maar boeiend verslag uitbrengt van het ontstaan van Kopnaad, een stuk van Stefan Hertmans.
Om bovenstaande alinea alleen al zij Hugo Brems al de rest vergeven, want zij biedt mij een bruggetje naar – eindelijk – mijn besluit. Brems situeerde het hoogtepunt van “het uiteengroeien tussen literatuur en theater” rond 1995, en ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Dat hoogtepunt valt samen met de hoogbloei van het postmodernisme en met, dixit Brems: “een (kunst)opvatting waarin het onvoltooide, het veranderlijke, het fragmentarische en het lichamelijke belangrijker zijn dan het voltooide, het gepolijste en het rationele.”
In de politiek, waarde vrienden, duurt vijf minuten moed een paar jaar en is een maand een eeuwigheid. Maar ook in de kunst is 1995 al een eeuwigheid geleden. Toentertijd schreven historici dat de geschiedenis, na de val van de Muur, ten einde was gekomen. Het Grote Verhaal was dood. Wat restte waren flarden, fragmenten, lichamelijkheden. Zelfs het klimaat leek nooit meer te zullen veranderen. En wat doet men in tijden van onveranderlijkheid? Men ondergraaft zo’n zekerheid door het fragmentaire, het onaffe, het chaotische naar voren te schuiven.
Vandaag echter ligt niets meer vast. Het poldermodel is morsdood. Het Grote Verhaal daarentegen, met zijn koloniale oorlogen in het Oosten en zijn kleinstedelijk gevit op religieuze symbolen in het Westen, met zijn migraties en zijn maatschappelijke migraines, zijn onverkwikkelijke handel in van alles, van wapens over mensen tot mensen áls wapens, met zijn oude ideologieën, zijn nieuwe politieke moorden en zijn oudbakken institutionele crisissen – dat Grote Verhaal is, helaas, levensvatbaarder dan ooit. Versplintering en verwarring, díé vormen ons nieuwe maatschappelijke decor. De zoektocht naar wat meer samenhang is onze huidige odyssee. Genoeg postmoderne vragen! Gooi eindelijk ons ook eens wat antwoorden op. In zijn eentje zal geen daarvan volstaan, maar als ze met elkaar botsen – wat ze ook doen in de werkelijkheid – leveren ze een vuurwerk op vol tragiek. Dat is juist het Grote Verhaal over de kleine mens.

En Grote Verhalen hebben – ik kan niet anders denken – nood aan schrijvers. Nieuwsoortige schrijvers, weliswaar. Schrijvers die houden van toneel, en die bijgevolg hun plaats kennen. En die is niet langer alleen achter hun bureau.
Ik heb er vrede mee, dat het vroegere auteurstheater is afgeschaft. Een toneelstuk schrijven in isolement? En het daarna zonder opvolging afstaan aan een regisseur en zijn acteurs? Ik zou dat, als toeschouwer én als schrijver, niet graag zien terugkeren in de Nederlanden. Ik ben juist blij dat we leven in een luxueuze hoogbloei van een theaterbestel waarbij álles mogelijk is, en waar je voor álles zelfs een publiek vindt. Voorstellingen waarin geen woord wordt gesproken. Een regisseur die zegt dat hij als concept eerst een sprekende waterput heeft bedacht en dan pas op zoek gaat naar teksten. Een regisseuse die Shakespeare ensceneert in een prachtige vertaling en die desondanks in een interview bekent dat ze voor spraaktechniek geeft geduld heeft. Een stuk voor doofstommen, voor honden, voor zetstukken, voor bloemstukken, met of zonder acteurs – het kan allemaal, en ik juich dat toe.
Maar geef ons ook grote, meeslepende stukken vol drama. Ik heb veel nieuw toneel gezien de laatste jaren, veel goed toneel, straf toneel – maar weinig nieuw straf drama. Het is geen restauratiebeweging die ik probeer op te wekken. Het is, integendeel, een beweging die, opnieuw, als vanouds, theater durft uit te vinden op de maat van zijn tijd en zijn biotoop. In tijden van verwarring over identiteit en zuiverheid, in tijden van dilemma’s tussen enerzijds heilig gewaande principes en anderzijds een verscheurend onheilige realiteit, mag en moet er op de planken opnieuw worden getwijfeld, afgewogen, uitgedaagd en uitgescholden. Pro’s en contra’s, gestapeld op de bult van de immer machteloze diersoort genaamd de mens.
Dat openbare twijfelen kan, vind ik, alleen in taal. Denken zonder taal? Dat is onmogelijk. Gun bijgevolg het denken weer een grotere plaats op de planken, en niet alleen ernaast, in het bureau van de dramaturg. Gun ons weer grote stukken – zij het nooit meer stukken die alleen maar geschreven worden door het slag auteurs dat nimmer luistert naar regisseurs, acteurs, dramaturgen en, desnoods, naar recensenten. Drama is een teamsport, nog voor de eerste letter en de eerste beweging het voetlicht ziet. De auteur die niet zelf een stukje wil zijn, heeft niets te zoeken in toneel.

In het Vlaamse weekblad Knack stond deze week een ontroerend interview met een niet meer zo jonge acteur, die mij na aan het hart ligt: Bert André. Hij besluit dat, van zijn goedgevulde carrière, “alleen de programmaboekjes en de foto’s overblijven”. Dat is precies, behalve domweg mijn jaloezie op hun talent, waarom ik zo’n ontzag en dankbaarheid voel voor acteurs. Zij zijn onze echte helden, onze sjamanen, de enige kunstenaars die, nog terwijl ze hun kunstwerk maken, er al definitief afscheid van staan te nemen.
Zeer zeker, we beleven in de Nederlanden een hoogzomer van het toneel als kunstvorm. Laten we er echter voor zorgen dat ook daar niet alleen programmaboekjes en kunstfoto’s van overblijven. Gun ons dat wat ook artistieke hoogzomers in andere landen en andere tijden hebben opgeleverd: een oogst aan belangwekkende stukken, in plaats van alleen de herinnering aan belangwekkende voorstellingen.
Gun ons stukken die, ook los van hun enscenering, het lezen waard zijn, en die ook lang na hun première blijven bestaan. En moge een van die stukken het stuk zijn dat vanavond wordt bekroond. Ik wens Jurre Bussemaker, Rob de Graaf, Eric de Vroedt en Peer Wittenbols veel succes.
Niet alleen vanavond. Maar in lengte van jaren.

Voeg een reactie toe

Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.

Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je:

  • (inter)actief deelnemen aan het gebeuren op onze site
  • een persoonlijke kalender bijhouden van je favoriete activiteiten
  • foto’s opladen en vrienden toevoegen
  • Favoriete foto’s, video’s, muziek, teksten of reacties bijhouden
  • andere reacties beoordelen
  • door Tom Lanoye
  • Alle rechten voorbehouden Alle rechten voorbehouden
  • opgeladen op 10 nov 2007
Tags

Gerelateerde activiteiten

Podiumdebat & Uitreiking Taalunie Toneelschrijfprijs
07 nov 2007

Contact

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Contacteer ons)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital