Kunstencentrum Vooruit, Gent, België

Direct naar inhoud

Direct naar navigatie



Persinterview: Dimitri Verhulst - 'Een vrouw heeft het recht om te zeggen: ik hou niet meer van mijn kind’

‘De laatste liefde van mijn moeder’: Dimitri Verhulst over zijn nieuwe roman
‘Een vrouw heeft het recht om te zeggen: ik hou niet meer van mijn kind’
In een huis in een dorp nabij Hoei valt een detail van de plaatselijke kat me op. ‘Zijn oog was aan het wegetteren,’ zegt Dimitri Verhulst, ‘en we hebben dan maar alles wat nog in zijn oogkas zat er laten uithalen.’ De zandkeurige kater is een eenoog die een zwervend bestaan achter de rug heeft: street credibility zát. Hij trekt zich zo te zien weinig aan van zijn mankement: ’t lijkt me zo’n leperd die in het ruim van piratenschepen met veel succes op ratten zou kunnen jagen, en zich, in een goede bui, graag laat strelen door de haakprothese van de eenogige kapitein.

Er valt me ook een accordeon op, een roodgemarmerd exemplaar van het merk Crucianelli: ‘Een cadeau van mijn schoonvader,’ zegt Dimitri Verhulst, ‘ik móést ‘m dus wel leren bespelen.’ Hij gordt de piano à bretelles om en speelt een graai uit het repertoire dat hij, na twee jaar zelfstudie aan de hand van tabulaturen op het internet, al in de vingers heeft: ‘Tulpen uit Amsterdam’, ‘Marina’, ‘La Paloma’ en – ‘speciaal voor de Humo-lezers iets hedendaags’ – ‘The Scientist’ van Coldplay. Er gaat niets boven muziek, maar de letteren zijn anders ook niet mis: Dimitri Verhulst heeft een nieuwe roman het licht doen zien, ‘De laatste liefde van mijn moeder’. Het is het verhaal van de gespannen driehoeksverhouding tussen de arbeidster Martine Withof, haar zoon Jimmy, een kind uit een haar afgelopen huwelijk, en haar nieuwe liefde Wannes Impens, een arbeider bij Volkswagen. Het is ook een verhaal van een moeder die haar zoon, een kind nog, op een dag voor bekeken houdt. Er mag gelachen worden, hard gelachen zelfs, maar de nasmaak is wrang, en de gelijkenissen met het echte leven zijn niet toevallig.

Het is me bekend dat Dimitri Verhulst (37) na het beëindigen van een boek in heimwee verzeilt. Zou het weer zover zijn?
Je bent er twee jaar mee bezig geweest, je beseft dat je nooit meer de kans zult krijgen om het nóg eens te schrijven, en daar komt heimwee van: terugverlangen naar het bedenken, naar de incubatietijd, en niet het minst naar het schrijven zelf. Als ik een boek achter de rug heb, blijkt het me ineens te overvleugelen: het kan zowel goed als slecht gelezen worden, of ronduit verkeerd geïnterpreteerd, en dan begint de miserie.
Nu, ik zei wel dat ik na het beëindigen van een boek het gevoel heb dat ik het nooit nóg eens zal kunnen schrijven, maar eigenlijk was ‘De helaasheid der dingen’ een reprise, én een verbetering, van ‘De kamer hiernaast’. En niets staat me in de weg om later te vinden dat ‘De laatste liefde van mijn moeder’ beter had gekund.»

Had ‘De helaasheid der dingen’, je succesboek én je molensteen, beter gekund?
Die roman had vooral minder mogen zijn: er staan twee hoofdstukken te veel in, die alleen maar de aandacht afleiden van waar het eigenlijk om gaat. Maar ik zou ‘De helaasheid…’ niet opnieuw willen schrijven, dat heb ik mezelf plechtig beloofd – ik zou er die twee hoofdstukken uitgooien, en dat zou het dan zijn.

Ik wil ook van die specifieke thematiek afblijven, want dáár nog eens in gaan roeren zou ziekelijk zijn. Veel schrijvers schrijven pas over hun naaste familieleden als die dood zijn. Dan heb je toch een vrijheid die ik over het hoofd heb gezien. Ik dácht dat ik van mijn familie af was, maar dat is een inschattingsfout gebleken. Ik wil absoluut niet de indruk wekken dat ik nog niet afgerekend heb met dat facet van mijn verleden, en dat ik het maar wil blijven herkauwen. Enfin, dat boek was kennelijk ook goed genoeg om, zoals je zei, een molensteen voor me te worden.

Laat je de naam Louis Paul Boon vallen, dan zullen de meeste mensen die wel eens een boek lezen het over ‘De kapellekensbaan’ hebben – zeer zelden zullen ze nog een tweede titel van Boon opnoemen. En bij de naam Claus zal altijd wel iemand ‘Het verdriet van België’ roepen. The White Stripes mogen zelfs al blij zijn met één riff. Je mag dus al blij zijn dat je één boek met zo’n weerklank geschreven hebt, maar ik zou het zonde vinden mocht niemand verder kijken dan ‘De helaasheid der dingen’. Het zal wel het bouwmateriaal voor de sokkel van mijn standbeeld blijven (lachje), maar ik zou het jammer vinden mocht blijken dat ik het nooit heb kunnen overtreffen. Ik ben in ieder geval nog veel te jong om die ambitie los te laten. Evolutie zie ik niet meteen als béter gaan schrijven, meer als ánders schrijven dan vroeger. ‘Mevrouw Verona daalt de heuvel af’ vind ik in dat opzicht een beter boek dan ‘De helaasheid…’: rijper, volwassener. ‘Godverdomse dagen op een godverdomse bol’ vond ik niet beter dan ‘De helaasheid…’, maar in literair opzicht was het moediger.

t Was een bravourestuk. Alsof je je stilistische vermogen tot het uiterste wilde beproeven.
Maar met reserves. ‘Niets, niemand en redelijk stil’, mijn tweede boek, was de typische reactie van een debutant die als ‘talent’ wordt ingehaald. Ik dacht: ‘Nu ga ik er een patat op geven, nu ga ik er zodanig ver over dat ze van hun stoel zullen vallen.’ Daardoor is ‘Niets, niemand en redelijk stil’ een strontboek geworden. Het kraakte van leugenachtige ambitie, er zat geen ziel meer in. Taal, de cadans of de muziek van één zin, kan zo mooi zijn dat je je erdoor laat meeslepen. Dat mag van mij, je moet niet bang zijn voor de schoonheid van de taal, maar je moet ze wel de baas blijven. Volgens mij liet iemand als Pessoa zich overheersen door de taal. Ik vind hem een fantastisch schrijver voor mensen tussen de twintig en de dertig – zijn werk was indertijd een bijbeltje voor mij, maar als ik hem nu herlees, stel ik vooral vast dat hij de kans gemist heeft om een buitengewoon groot schrijver te zijn. De ziel is zoek.

Even een parenthese: ik heb je nergens zien opduiken ter promotie van de film ‘De helaasheid der dingen’.
Ik heb van meet af aan gezegd dat ik me niet met die film zou bemoeien: het is mijn vak niet. Die film moest volledig van Felix van Groeningen zijn, en er zit volgens mij dan ook heel veel Felix in het personage Gunther. Het enige wat ik gevraagd heb is de namen van de personages te veranderen, want nonkels van mij hadden al genoeg aanstoot aan het boek genomen. Van Potrel hebben ze Petrol gemaakt, en dat vind ik een veel te klein verschil en ook flauwtjes. Ik dacht: ‘Jullie hadden mijn probleem beter moeten aanvoelen.’
Naar die film kijken was voor mij geen genoegen, waarmee ik nog niet gezegd heb dat ik ‘m slecht of goed vind. De confrontatie was hard, ook wegens het geluid, dat veel te hard is opgenomen, en dan ook veel te hard klonk. Ik zat de hele tijd te denken: ‘Draai in godsnaam die volumeknop naar links!’
Ik vond de klankband ook iets te expliciet, te dragend. Ik hoor nooit het geluid van wat ik beschrijf, maar als ik de acteurs in de film meubels aan spaanders hoorde slaan, werd ik haast gek. Daardoor wist ik weer dat ik psychisch wel een knauw heb gekregen, vroeger. Er kan nog therapeutisch aan mij gesleuteld worden (lachje). Ik gruwde er ook van dat alles weer terugkwam door die film: dat dorp kreeg weer de volle aandacht, het scheelde niet veel of de journalisten hadden er een tentenkamp opgericht. Ik kon het woord ‘helaasheid’ niet meer horen, ik wilde onder het tapijt kruipen van schaamte omdat ik aan de basis van al die gekte lag.»

Onlangs is uit een onderzoek gebleken dat Nederlandse scholieren je werk graag lezen. Dat leek me merkwaardig, omdat de kleur van je proza toch zeer Vlaams is. Je schrijft liever ‘teljoor’ dan ‘bord’.
In het gewone leven gebruik ik ook teljoor, al spreek ik het anders uit dan het daar staat (lacht). Om waarachtig te schrijven, schrijf ik zoals ik gebekt ben. Ik ga steigeren als een corrector van een Nederlandse uitgeverij mij probeert te verbieden om het over een tas koffie te hebben. Van de zes miljoen Vlamingen zal alleen een bescheten half percent het over een kopje koffie hebben. Wie eigent zich dan het recht toe om te beweren dat een tas een kopje moet zijn? Voor ‘Godverdomse dagen…’ heb ik dan ook een Vlaamse professionele meelezer geëist – daardoor weet ik nu dat er eigenlijk geen verschil is (lachje). Ik word baldadig als die Nederlanders me beknotten in mijn vrijheid van schrijven: dan ben ik zelfs geneigd om het over een sportkabas te hebben in plaats van over een sporttas – van sporttas willen die Hollanders eigenlijk ‘weekendtas’ maken. Maar goed, die correctors verslijten doorgaans snel. Het zijn niet zelden pas afgestudeerde strebertjes die vooral hun broodheer, de uitgever, willen tonen hoe goed ze de Nederlandse taalkunde wel beheersen, en hoe virtuoos ze werkwoorden kunnen vervoegen.

Ik zag aan je blik dat je het niet helemaal met me eens was toen ik zei dat de kleur van je proza zeer Vlaams is.
Nederlanders vinden mijn boeken vaak apart omdát ze Vlaams zijn. Mijn boeken mogen ook voor een Vlaming apart zijn, lijkt me. Ik gebruik de taal van iemand die veel pastoors heeft horen preken, wat voor een hedendaagse lezer al tamelijk exotisch is. Kijk, mijn schrijftaal is Dimitriverhulsts, en die taal wil ik zo goed mogelijk beheersen. Elke goede schrijver maakt zijn eigen taal, zijn eigen kunsttaal: ik zou Jeroen Brouwers niet lezen mocht hij geen Brouwers schrijven. Een Nederlandse recensent staat er overigens niet bij stil dat Vlamingen nooit zeggen dat deze of gene Nederlandse schrijver Hollands schrijft. Terwijl Hollands, Grachtengordeliaans, ook best storend kan zijn. Maar goed, als die mens nu binnen de Grachtengordel woont en zich het best in de plaatselijke taal kan uitdrukken, dan moet hij dat net wel doen.

Ik weet dat je graag schrijver bent, en dat je het in gedachten van jongs af aan al was, lang voor je iets had gepubliceerd, maar heeft het schrijverschap ook nadelen?
Mensen gaan anders reageren als ze een schrijver in hun rangen hebben. Een schrijver wordt als een soort spion gezien: dat heeft mijn sociaal leven ten dele naar de knoppen geholpen. En het vuilste van het vuile is de columnist, een verfoeilijke soort. Je zal maar elke dag vijfentwintig regels moeten schrijven: je bedriegt mensen die het beste met je voorhebben, want je zit constant op vinkenslag: ‘Kan ik dít gebruiken? Of misschien dát?’

Je teksten zijn altijd uitstekend geritmeerd. Ik durf haast te denken dat je alles wat je schrijft ook hardop zegt, om dat ritme te perfectioneren.
Dat deed ik bij mijn eerste boeken, maar nu is die ritmiek er vanzelf. Ik ben een beetje bang voor dat automatisme, want het is ook een gevaar. Laatst heb ik in- en uitleidingen geschreven voor ‘Striptease’, het bekende tv-programma van de RTBf, dat nu ook door de VRT zal worden uitgezonden. ’t Moesten gedichtjes zijn, en ik moest rekening houden met het kenwijsje van ‘Striptease’, een repetitief muziekje dat op de duur als een cantus firmus in mijn kop zat. Ik heb een hele dichtbundel op het ritme van dat dwingende muziekje geschreven: je kunt er zó mee naar een boeddhistische tempel stappen, want die teksten kun je chanten als een mantra. Eigenlijk vind ik het verschrikkelijk om vast te stellen dat dat ritme het van me heeft overgenomen, zonder dat ik dat besefte.

Le plat pays

Nog iets over onze geboortegrond: in een opiniestuk schreef je onlangs dat je op zoek was naar een bumpersticker met het opschrift: ‘Ik ben een Vlaming en daar schaam ik me verschrikkelijk voor.’ Kun je dat even toelichten voor een ruim publiek?
Ik denk ook wel eens aan een lied dat ‘Le plat pays n’est pas le mien’ heet (lachje). Ik ben onder andere naar Wallonië verhuisd wegens de populaire sticker ‘Ik ben een Vlaming en daar ben ik fier op’, en de mentaliteit die daaruit sprak. Vlaanderen is nog altijd rijker dan Wallonië, dat krijgen we vaak te horen, maar ik ken verdomme heel veel Vlaamse gasten die al jaren stempelen en zich afvragen: ‘Hoezo, we zijn rijk?’ Mochten ze Walen zijn, dan zou de Vlaamse goegemeente automatisch zeggen dat ze van de staat profiteren, maar het zijn gewoon pechvogels, die net voor het computertijdperk aanbrak afgestudeerd zijn en de computer sindsdien nooit echt in de vingers hebben gekregen, of toch niet voldoende om er hun brood mee te verdienen, en die ondertussen weliswaar de kans hebben gekregen om zich bij te scholen, maar met hun 45 jaar te oud zijn om nog makkelijk te worden aangenomen. Maken al die Vlaams-nationalisten in de politiek, promotors van het rijke Vlaanderen, zich zorgen over díé mensen? Maken ze zich zorgen over het feit dat 10% van het gezinsbudget naar onderwijs gaat, terwijl de bevolking is wijsgemaakt dat onderwijs gratis is?

Het verkiezingssucces van Bart De Wever was zo eclatant dat het volgens mij niet kan kloppen. Het is niet écht, zoals ook de triomf van Leterme niet echt was. We mogen niet over het hoofd zien dat het gros van de bevolking achterlijk is: oerdomme mensen die zich domweg laten meesleuren door het mediasucces van bijvoorbeeld De Wever, de quizkampioen.

Nog iets anders: Marie-Rose Morel mag zitten kankeren in een blog op de website van de VRT, terwijl ze toch deel uitmaakt van het Vlaams Belang, een extreemrechtse partij die geen kans laat voorbijgaan om ‘BRT weg ermee!’ te roepen. Iemand van de PVDA zal niet zo gauw een podium krijgen van de VRT, terwijl bijvoorbeeld Peter Mertens een zeer valabel politicus is. Zijn boek ‘Op mensenmaat. Stof voor een socialisme zonder blauwe plekken’ was een eye-opener voor mij. Als onafhankelijk denkend mens mag ik toch twéé klokken horen bij de openbare omroep?»

Vind je dat een schrijver zijn politieke engagement móét uitdragen in opiniestukken?
Ik ben wel eens gevraagd om een wekelijkse politieke column te schrijven, maar ik kon niet garanderen dat ik elke week een mening zou hebben. Nu ja, élke mening is politiek. Beweer je iets over gezondheidszorg, dan kom je vanzelf in de politiek terecht. Het lijkt me dan ook onmogelijk om apolitiek te zijn. Maar ik zou nooit vlakaf politieke columns à la Tom Lanoye schrijven: ik ben om te beginnen al niet zo slim als hij, en lang niet zo goed geïnformeerd en gedocumenteerd. Daar ben ik te lui voor. En al die Vlamingen die er nu toe doen, ken ik niet meer. Vlaamse kranten lees ik niet meer, en ik heb in geen jaren nog een Vlaams televisieprogramma gezien: ik heb trouwens geen tv. Ik woon híér, in Wallonië. Ik denk dat ik geïntegreerd ben (lacht).

Heb je dan niet het gevoel dat je afgesneden bent?
Ik bén afgesneden, maar ik heb niet het gevoel dat ik daardoor iets mis. Als ik al eens een Vlaamse gazet koop – een ‘kwaliteitskrant’ heet dat in het noorden des lands – dan zie ik dat er twee bladzijden aan ‘Mijn restaurant!’ worden besteed, een programma dat ik nooit heb gezien. Ik lees Le Soir, een krant die niet meedoet aan het soort jool rond tv-programma’s dat in Vlaamse kranten schering en inslag is. Ja, er verschijnt één keer per week een televisiekatern: dan weet ik meteen waarin ik die dag mijn aardappelschillen moet wikkelen.

Televisie speelt een rol in ‘De laatste liefde van mijn moeder’: Martine Withof, de moeder in kwestie, is geboren in 1953, het ontstaansjaar van de Vlaamse televisie. Je doet ironisch over de televisiepioniers van toen, die tv zagen als een middel tot volksopvoeding.
Wat volgens mij catastrofaal mislukt is. De allereerste uitzending van de Vlaamse televisie ging over Titiaan en de Venetiaanse schilderkunst. Titiaan kon en kan het overgrote deel van het publiek geen fluit schelen. Het is een misvatting te denken dat iedereen vatbaar is voor diepgang. Daar zijn ze ondertussen achter bij de televisie, zodat niemand zich er nog om volksopvoeding druk maakt. En maar goed ook. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig heeft de BRT een punt gezet achter de serie ‘De collega’s’: dat was te luchtig, ‘de mensen staken er niets van op’, ’t was geen ‘kunst’. Wel, onlangs heb ik de cd-box van ‘De collega’s’ gekocht, en ik stond versteld hoe goed die serie wel was. Fantastisch, en het ging over zóveel.

Misschien breekt jeugdsentiment je nu op.
Neen, want in mijn herinnering was ‘De collega’s’ pure kolder, een opeenvolging van billenkletsers. En nu zie ik vooral de tragiek van al die personages, en ik zie er ook een politieke dimensie in: de Brusselse Rand, en alle gedoe van dien, zit in het personage Hilaire Baconfoy. Volksopvoeders vonden dat ze al die ‘nonsens’ niet langer op ons volk konden loslaten, maar nu maakt niemand nog bezwaar tegen de zoveelste heruitzending van ‘F.C. De Kampioenen’, een serie die nog niet eens aan ‘De collega’s’ kan tippen. Men omhelst zonder problemen de ware aard van televisie: de kijkcijfers.

Moederliefde

Voor Martine Withof is televisie een troostapparaat. Ze is verslaafd aan de soap ‘Home is where my children cry’. Ze vergeet er haar eigen treurige leven even bij. Is dat de legitimatie van soaps?
Heel veel miserabele mensen gaan met veel plezier op in de miserie van iemand anders zoals die in soaps wordt verbeeld. Ik veroordeel hen niet, maar ik ben dolblij dat ik hún leven niet hoef te leiden, en dat ik me dus niet met soaps moet troosten. Die mensen gaan er zodanig in op dat ze die soappersonages ook voor waar aannemen: ze heffen als het ware de fictie op, wat ik heel kras blijf vinden. Maar goed, als soaps hetzelfde effect hebben als Prozac, en als we er de ziekenfondsen mee kunnen ontlasten, wat zou ik daar dan op tegen kunnen hebben?

Waarom moest ‘De laatste liefde van mijn moeder’ geschreven worden?
Net als Jimmy ben ik iemand die simpelweg door zijn moeder in de steek is gelaten. Ik hoef dan ook maar weinig aan Jimmy te veranderen om van ‘De laatste liefde van mijn moeder’ een uitgesproken autobiografische roman te maken. Om me enkele rechtszaken te besparen – ik spreek uit ervaring – is het beter dat ik niet uitpak met dat autobiografische aspect, maar het is natuurlijk niet verboden om gebeurtenissen uit je eigen leven te gebruiken in de literatuur. Voor de duidelijkheid: het is dus een niet-autobiografisch boek (lacht).

Je frunnikt aan de mythe van de moederliefde. Je stelling is: ‘Mama is niet altijd de liefste van de héééle wereld, en dat is ze zeker niet vanzelf.’
De liefde van mama is één van de laatste taboes. Een vrouw heeft het recht om op een dag te zeggen: ‘Ik hou niet meer van mijn kind.’ Daarom is ze nog geen crimineel. Ik weet haast zeker dat nogal wat vrouwen opgelucht zouden zijn mocht het sociaal aanvaard zijn om ervoor uit te komen dat je niet van je kind houdt. Nu ben je nog altijd persona non grata als je je kind in de steek laat en eerlijk zegt: ‘Ik kan die opvoeding niet de baas, mijn hart volgt niet meer, ik zie het niet meer zitten.’ Mijn moeder heeft op een bepaald moment gezegd: ‘Ik moet je niet meer hebben.’

Met zoveel worden?
Letterlijk, zonder poespas. En ik heb er ook geen heisa over gemaakt: ik begreep voldoende dat ze het meende. Ik heb mijn kleren bijeengegrabbeld en ben de deur uitgegaan: voorwaarts! Dus: zulke moeders bestáán, en dat weet ik al lang. In het gezinsvervangend tehuis waar ik tussen mijn zestiende en mijn achttiende heb gezeten, heb ik genoeg moeders gezien die er hun kind kwamen dumpen. Het tekent je als je dat met je eigen ogen gezien hebt. Zelfs als die moeders te horen kregen dat ze hun kind niet zomaar konden dumpen, en dat de jeugdrechter daarin tussenbeide moest komen, dan nog zegden ze: ‘Kust m’n kloten. Als hij hier niet kan blijven, dan slaapt hij voor mijn part maar op straat, maar ík moet hem niet meer hebben.’

Je hebt ooit gezegd dat je het moedig van je moeder vond dat zij je zo openlijk in de steek liet.
Dat ís het toch ook? Je zult maar in een gemeente van elfduizend zielen wonen, waar heel veel mensen elkaar kennen, en dan zóiets doen. Je moet er lef voor hebben.

Werd ze erop aangekeken?
Daar heb ik geen idee van, maar ik kan me wel voorstellen dat men vraagtekens bij die vrouw zal hebben geplaatst. Er werden ook vraagtekens bij míj geplaatst, zo van: ‘Wat heb jij godverdomme uitgevreten om je moeder zover te krijgen?’ Als je dan naar eer en geweten ‘niets’ antwoordt, dan geloven de mensen je uiteraard niet.

Kun je een moeder die je heeft laten barsten ooit helemaal uit je hoofd zetten?
Een keer of drie per jaar stel ik zonder aanleiding de vraag ‘Hoe zou het nog zijn mét…?’ Ik ga ervan uit dat mijn moeder nog leeft. Ik denk vier seconden aan haar, en daar ben ik voor de rest niet stuk van. Ik zou veel meer boeken verkopen aan vrouwen tussen de 35 en de 60 mocht ik iets anders over moeders beweren.
Ik mis mijn moeder niet, ik heb haar nooit gemist, en toch heb ik ooit onwaarschijnlijk veel van haar gehouden, en zij van mij. Ze heeft me overbemoederd. Op het voetbal heb ik jarenlang mijn voeten in mijn voetbalschoenen gewrongen, stiekem, omdat ik mijn veters niet kon dichtknopen. Dat deed mijn moeder namelijk altijd voor mij. Ik wou het zelf leren, maar altijd kwam ze weer aanzetten met: ‘Tuttut, ik doe het wel.’ Dat zei ze ook toen ik aardappelen wilde leren schillen. Maar is dat wel liefde? Ik wou van alles leren kennen, en vooral kúnnen, en zij verhinderde dat systematisch. Volgens mij moet een moeder haar kind vooral voorbereiden op de wereld, het leren sterk te zijn in die wereld.

Heeft zij je kijk op alle moeders bepaald?
Neen. Mijn grootmoeder was een mater dolorosa, die alles deed voor haar kinderen, onder andere wroeten tot ze er bijna bij neerviel. Van haar heb ik een heel ander beeld dan van mijn eigen moeder. En ik heb ook een pleegmoeder gekend – ik heb nog contact met dat pleeggezin, ik ben vorige zondag nog bij die mensen gaan eten. Mijn pleegmoeder is een progressief, belezen iemand, aan wie ik goede herinneringen heb. Zij vindt het onbegrijpelijk dat mijn moeder mij ooit op straat heeft gezet, en ze vindt het al even onbegrijpelijk dat ik daar nu begrip voor opbreng.

Je personage Jimmy is een ontvankelijk kind, een gevoelige radar. Leek jij in dat opzicht als jongetje op hem
Dat kan ik niet meer achterhalen. Hoe graag ik het ook zou willen, nooit kan ik nog in het hoofd van het kind van twaalf kruipen dat ik toen was. Tijdens het schrijven dacht ik bij momenten dat hij te slim was. Te slimme kinderen storen mij altijd in romans. Ze storen mij ook in reclamespotjes waarin zo’n kleine dan aan zijn vader uitlegt hoe de gps en de pc werken. Dom zijn vind ik een fundamenteel kinderrecht. En ook normaal: eigenlijk moet je nog alles leren als je twaalf bent.

Wat ik wel zeer geloofwaardig vind aan Jimmy is zijn eergevoel, en het feit dat hij in absolute termen spreekt. Een kind tussen zes en twaalf gebruikt met het grootste gemak woorden als ‘nooit’ en ‘altijd’. Zeggen: ‘Nooit spreek ik nog met die gast,’ en een tijd later vaststellen dat je alweer een praatje met hem aan het maken bent. Maar op het moment dat je ‘nooit’ zei, meende je dat ook absoluut: het was een kwestie van leven en dood.»

Martine Withof heeft een vreselijk huwelijk achter de rug: haar ex dronk en sloeg, niet noodzakelijk in die volgorde. Ze heeft ook een nieuwe vriend, Wannes Impens. Die situatie komt me bekend voor, zowel uit je werk als uit je leven.
Ik kan er ook niets doen dat ik het dáár weer over heb, al wou ik wel eens een ander milieu verkennen: wat dacht je van een doktersgezin? (lacht) Ik heb mijn best gedaan om in ‘De laatste liefde van mijn moeder’ niet al te veel over dat milieu uit te weiden – ’t is alleen maar koloriet in dit boek. Maar niemand mag me kwalijk nemen dat ik schrijf over iets dat ik ken. Veel Joodse auteurs hebben het toch ook tien boeken lang over hun vergaste ouders mogen hebben? Na acht van die boeken zal ik wel gedacht hebben: ‘Oké, ze zijn vergast en dat was gruwelijk. Klaar.’ Maar ik heb nog geen acht boeken over mijn milieu geschreven. En ik ga er ook geen acht over schrijven.

Ik neem aan dat je nu een veel gelukkiger leven leidt dan weleer, maar rakel je, telkens als je over je milieu van vroeger schrijft, niet van alles op waarbij je je weer onbehaaglijk gaat voelen?
Erover schrijven maakt mij niet bepaald gelukkiger. Erover praten ook niet. Allerlei mensen die zich betrokken partij voelen, lezen mijn boeken ook. En dan begint de ellende weer…
Voor het overige ben ik niet verantwoordelijk voor mijn kindertijd, en ook niet voor het milieu waarin ik ben geboren. Ondertussen hangt het me al een beetje de keel uit om over die gezinssituatie van vroeger te schrijven. Ik héb al andere boeken geschreven. Ik wil me ervoor hoeden dat het mijn succesnummertje wordt.

Martine Withof en haar nieuwe vriend zijn zeer bekrompen mensen, op het groteske af. Vreemd dat arbeiders de bekrompenheid die we meestal aan de kleine middenklasse toeschrijven nog lijken te overtreffen.
Ze verlangen allebei naar kleinburgerlijkheid, om eindelijk ‘eenvoudig’ te kunnen zijn, en vooral gezichtsloos. Dat kan ik zeer goed begrijpen. Martine heeft tien jaar in de kijker gelopen met de blauwe ogen en de builen die ze aan haar man te danken had, en ze is blij dat ze daar niet meer op wordt aangesproken. In haar beleving worden mensen bij voorkeur op níéts aangesproken: ze gaan naar hun werk in de fabriek en als ze hun uren hebben geklopt gaan ze naar huis. Geluk is dat niet, maar ’t is zeer zeker ook geen ongeluk. Haar nieuwe leven met Wannes Impens is al een gigantische stap voor haar: ze heeft er alles voor over om minder ongelukkig te zijn, wat nog wat anders is dan gelukkig zijn.

‘De laatste liefde van mijn moeder’ speelt zich in het begin van de jaren tachtig af: ook een crisistijd, ten gevolge van de oliecrisis van 1979. Is de parallel met deze tijd gewild?
Ja, literatuur mag een spiegel zijn. In het begin van de jaren tachtig schreef Herman Brusselmans ‘De man die werk vond’: zo’n man was zeldzaam in die jaren, en ook toen waren de mensen bang om hun werk te verliezen. Bang voor alles, eigenlijk. ’t Was vooral een angstige tijd.

Samen met Jimmy maken Martine en Wannes een busreis naar het Zwarte Woud, wat even wrange als vermakelijke passages heeft opgeleverd. Heb je ter voorbereiding ook zo’n reisje ondernomen?
Drie jaar geleden ben ik – zij het niet met de bus – nog eens naar het Zwarte Woud gegaan, om te zien hoe het er daar allemaal bijlag. ’t Was zeker in de jaren tachtig een klassieke reisbestemming-voor-de-gewone-mens, een betaalbare gezinsklassieker ook, een aanrader van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen. Dat reisje gaf me in ‘De laatste liefde van mijn moeder’ de kans om latent racisme bloot te leggen, alledaagse haat voor het vreemde: mensen die in absolute termen denken over hoe Fransen, Engelsen en Duitsers in elkaar zitten. Mensen die dat precies menen te wéten, en ook met het grootste gemak lucht geven aan die absolute kennis. ’t Was plezierig om daarmee te spelen.

Tijdens dat reisje maakt de buslading op hilarische wijze kennis met een noviteit uit die dagen: het hamburgerrestaurant McDonald’s.
In ’93 was ik in Krakau, uitgerekend op de dag dat daar de eerste McDonald’s openging. ’t Was alsof de volledige bevolking was uitgelopen; die mensen stonden in eindeloos lange rijen aan te schuiven voor die McDonald’s, wellicht hetzelfde soort rijen als toen er nog niks in de winkels van het Oostblok lag (lacht). Die immense volkstoeloop was voor mij een zegen: de musea waren zo goed als leeg, ik kon er alles ongehinderd bekijken.

Er heerst spanning, een wederzijds onbehagen, tussen Jimmy en zijn stiefvader Wannes. Ik wil niet te veel verraden, maar had het volgens jou ooit nog goed kunnen komen tussen die twee?
Ik denk het wel. In mijn klas was ik destijds het enige kind van gescheiden ouders: nu moet je lang zoeken naar een kind van wie de ouders níét gescheiden zijn. In mijn kindertijd zei Johan Anthierens op de televisie dat hij ‘gelukkig gescheiden’ was, en toen kreeg hij een tsunami van verwijten over zich heen: dat zegde alles over hoe men toen over echtscheiding dacht. ’t Was voor mij niet zo moeilijk om een nieuw samengesteld gezin te bedenken dat zich in het begin van de jaren tachtig uitslooft om te doen alsof het altijd al samen is geweest. Om nog meer de schijn op te houden, wil Wannes bovendien ook de indruk wekken dat hij de natuurlijke vader van Jimmy is.

Dat die niet zijn eigen vlees en bloed is, zit hem anders wel dwars. Hetzelfde geldt overigens voor Jimmy zelf, want die blijkt nog altijd behoorlijk vast te zitten aan zijn biologische vader, wat voor alcoholistische bruut die man ook mag zijn.
Die band is op eergevoel gebaseerd: hij mag er niet aan denken dat hij zijn vader ooit zou moeten verloochenen. En hij noemt de dingen graag bij hun naam: de man van zijn moeder, zijn verwekker, is zijn vader, punt uit. En daar kan Wannes Impens niets aan veranderen. Ik was ook een eergevoelig baasje: mijn vader was mijn vader. Niemand moest niet met hem sollen, ook al had ik dan veel met hem te stellen gehad. Ik zou nooit ontkend hebben dat ik zijn zoon was, en ik heb ook nooit iemand anders dan hem als vader aanvaard.

Maar ik kan ook veel begrip opbrengen voor Wannes Impens: het is niet makkelijk om een relatie aan te gaan met iemand die al een kind heeft. Ik zou het vermijden. Mijn vrouw is daar anders in: Nathalie weet natuurlijk dat ik een kind van een andere vrouw heb, en dat kind komt hier ook op bezoek. Ik merk dat Nathalie een veel betere en ook sterkere ouder voor mijn kind is dan ikzelf. Uiteraard had ze veel liever gehad dat ik kinderloos was. Een kind uit een andere relatie is een stuk verleden dat in ons dagelijkse bestaan van nu sluipt – een stuk verleden waar Nathalie eigenlijk geen zak mee te maken heeft. En dat kind zal ook altijd een herinnering blijven aan het feit dat het ooit gemaakt is, en daar is seks aan te pas gekomen. Ik hoef niet aan het vorige seksleven van mijn vrouw herinnerd te worden, want zij heeft geen kind uit een eerdere relatie.»

Voor Martine is Jimmy natuurlijk ook een levende herinnering aan een man die haar geweld aandeed en elke dag dronken het huis kwam binnengestommeld.
Ze heeft die man gruwelijk gehaat, en het kind dat hij bij haar heeft verwekt lijkt als twee druppels water op dat monster. Dat moet echt niet makkelijk zijn.

Maar vind je het humaan dat iemand haar kind om die reden laat stikken?
Als die reden deel uitmaakt van een groter geheel van ongenoegens, dan wel ja. Het lijkt me niet onlogisch, en ook niet onmenselijk, dat Martine die kleine uit het oog verliest door verliefd te worden op een man die haar beter behandelt dan haar ex.

Kijk, ik betwijfel álle moederliefde, een verschijnsel dat bijna altijd in clichés wordt uitgedrukt. Een kennis uit het dorp is laatst bevallen. ‘Het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt,’ zei ze meteen. Het mooiste? Een bevalling is: haast creperen van de pijn, kermen, ondertussen de boel onderschijten en smeken om epidurale verdoving. En dan moet je achteraf ook nog eens dichtgenaaid worden! ‘Het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt’: daar trap ík niet in. Ik wil hooguit toegeven dat die gedachte genetisch bepaald is. Goed, het kind wordt geboren, en meteen beweert de moeder dat ze ongelofelijk veel liefde voor dat wurm voelt, ook al kent ze het nog maar twintig minuten. Komaan zeg!

Martine blijkt zwanger te zijn van Wannes. Jimmy heeft dat niet in de gaten: Héloïse, een meisje dat hij op de touringcar heeft ontmoet, wijst hem erop. Op dat moment begint de verwijdering tussen hem en zijn moeder.
Mijn moeder was op een bepaald moment ook zwanger van een andere man. Ze zweeg erover, wat voor mij betekende dat er stront aan de knikker was. Ze begon babykleertjes te breien, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Maar die waren voor iemand anders, zei ze, iemand van op haar werk. In ‘Het verdriet van België’ is zwangerschap taboe: als een moeder met een boreling in de kraamkliniek lag, zei men tegen haar andere kinderen ‘dat ze van de trap was gevallen’. Ik moet vaststellen dat er weinig verschil was tussen 1940 en 1980, ook al ben ik in een heel ander gezin geboren dan Louis Seynaeve (het hoofdpersonage van ‘Het verdriet van België’, red.). Zwangerschap was taboe, terwijl ik mijn moeder altijd met andere mannen heb horen neuken: we woonden in een krot met slecht geïsoleerde muren. Mijn vader was ondertussen in het café. Nood breekt wet, zal ik maar zeggen. Als ze wilde vogelen, moest ze mijn aanwezigheid er maar bijnemen.

Weet je nog wat je dacht als ze dat deed?
Mijn belangrijkste gedachte was: ‘Ik hoop dat mijn vader nu niet binnenkomt, of anders slaat hij haar de kop in. En dan ben ik mijn moeder kwijt.’

In het echte leven heb jij, net als Jimmy, ook een halfbroer. Komt hij je wel eens voor de geest?
Ik heb hem twee keer gezien, de eerste keer toen hij nog in de wieg lag. ’t Was kermis in het dorp, en ik zat met mijn vader in het café. Mijn moeder kwam daar ook binnen, met haar nieuwe man en haar nieuw kind. Waarschijnlijk een psychologische zet, om haar ex-man eens goed te raken.
En de tweede keer, een jaar of drie geleden, heb ik hem op de Boekenbeurs gezien. Een man liet een boek signeren. Ik vroeg ‘Voor wie is het?’ en toen zei hij zijn naam: ik wist meteen met wie ik te maken had. ‘Dag broer,’ zei hij nog, en hij verdween. Nu, ‘broer’ klonk me aangenamer in de oren dan ‘halfbroer’. ’t Moet niet prettig voor hem zijn om een schrijver als halfbroer te hebben, een schrijver die het bovendien altijd over een verleden heeft waarin zijn halfbroer nog niet of nog maar nauwelijks bestond, en waar die halfbroer toch iets mee te maken heeft. Dat soort ontmoetingen is geknipt voor een weekendfilm, een B-film uit Hollywood, maar ’t is me wél overkomen. We mogen in het leven ook niet bang zijn voor gebeurtenissen die aan weekendfilms doen denken.»

Maar die vluchtige ontmoeting had geen gevolgen.
Neen. Misschien heb ik hem teleurgesteld. Misschien had hij verwacht dat ik hem achterna zou hebben gerend. Ik weet niets van zijn leven af. Ik doe niet aan Facebook. Op dat gebied ben ik heel graag van de oude stempel.

Wennen aan winnen

In het tweede deel van ‘De laatste liefde van zijn moeder’ maak je een geweldige sprong in de toekomst. Jimmy is ondertussen eenennegentig; hij blijkt filosoof te zijn geworden, maar hóé hij dat geworden is, en hoe zijn leven na het definitieve afscheid van zijn moeder is verlopen, laat je weg. De stokoude Jimmy zit te wachten op een nachtelijke bezoeker, die hoogstwaarschijnlijk zijn halfbroer zal zijn, die hij nooit eerder heeft ontmoet. En misschien zit hij in één moeite door ook op de dood te wachten.
Zoals zoveel mensen ben ik de laatste jaren verslaafd geraakt aan de boeken van Sándor Márai. Die draaien heel vaak om één ontmoeting die te laat komt in het leven. Ze is volkomen zinloos, maar ’t is fantastisch dat ze toch nog plaatsvindt. Ik ben ondertussen bezeten van dat thema, en ik was blij dat ik het in ‘De laatste liefde van mijn moeder’ kon aansnijden. Zulke ontmoetingen kunnen mij nog overkomen: met mijn moeder, mijn halfbroer, misschien met de man van mijn moeder. Sommige mensen willen nog eens hun ex-lief ontmoeten, of iemand van wie ze lang geleden hoopten dat ze ooit hun lief zou zijn. Zulke ontmoetingen vertellen zoveel over wie of wat je had kúnnen zijn. Ze doen er niet meer toe, maar ze zijn nog mogelijk, en je kunt er nog naar uitkijken.

In het stuk over je beklimming van de Tourmalet dat een tijd geleden in Humo is verschenen, schreef je: ‘Aan winnen heb ik nooit hoeven te wennen, het is iets waar ik gewoon niet voor geboren ben.’ Is een veelgeprezen successchrijver dan geen winnaar?
De helft van de tijd die ik in dat stuk heb gestoken, heb ik aan twijfel over die zin gespendeerd. Ik dacht dat de lezers mij wegens die zin pedant zouden kunnen vinden. Iemand die de Libris heeft gewonnen en die zin opschrijft, moet wel een blaaskaak zijn. Maar dat ik me geen winnaar vóél, is nog altijd de waarheid. En trouwens: ik heb maar één prijs gewonnen waar een erg mooi bedrag aan vastzat, zelfs al ging vijftig percent ervan naar de belasting. Ja, ik heb ongelofelijk veel lezers – ik weet niet of ik die nú nog zal hebben, maar ik heb dat soort succes toch even mogen smaken in mijn leven. En dat is buitengewoon. Maar ik wil een hoog verkoopcijfer niet met kwaliteit verwarren: ‘Problemski Hotel’ vind ik nog altijd relevant en goedgeschreven, terwijl het verre van mijn best verkochte boek is.

Het heeft anders wel goede kritieken gekregen, herinner ik me.
Tja. Ik kan niet goed tegen kritiek, moet ik tot mijn scha en schande vaststellen, en dus lees ik ook geen recensies meer. Zelfs opbouwende kritiek helpt niet, want er valt niets aan mij op te bouwen. Je mag op je kop gaan staan, maar ik ga altijd, altijd mijn goesting doen.

www.humo.be

Voeg een reactie toe

Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.

Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je:

  • (inter)actief deelnemen aan het gebeuren op onze site
  • een persoonlijke kalender bijhouden van je favoriete activiteiten
  • foto’s opladen en vrienden toevoegen
  • Favoriete foto’s, video’s, muziek, teksten of reacties bijhouden
  • andere reacties beoordelen
  • door Rudy Vandendaele (Humo, 24 aug 2010)
  • Alle rechten voorbehouden Alle rechten voorbehouden
  • opgeladen op 30 aug 2010
Tags
Artiesten
Dimitri Verhulst

Gerelateerde activiteiten

Uitgelezen – Elsschot, Ellis, Verhulst
07 okt 2010

Contact

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Contacteer ons)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital