Theatermaker Arne Sierens vertrok voor ‘Schöne Blumen’ vanuit fijne neonplekken met begeerlijke meisjes, maar kwam uit bij menselijke tristesse op haar naakst. ‘In hostessenclubs wordt de mens het meest zichtbaar.’
Het druilt in Gent. Miezerig drupt de regen van het zeilscherm boven het zomerterras waar we afgesproken hebben. Sierens laat het niet aan zijn hart komen. Lachen doet hij gul. Overtuigd als steeds schallen zijn ideeën over het tafeltje: over kapitalisme, de rechtse puriteinen, het grote geld in theater. Hier spreekt een man die weet wat hij weet, en wee wie het omgekeerde poneert. Half ex-volksmens uit de randwijk, want opgegroeid in de Brugse Poort in Gent, half theatraal enterpreneur in het centrum met zijn Compagnie Cecilia.
Zijn gsm rinkelt. Een van zijn actrices, gokken we. ‘Allo zoetsje, oewest?’ Sierens en Gent: een onverbrekelijk verbond. En een rijkelijke inspiratiebron ook. Voor zijn voorstelling Schöne Blumen putte hij onder meer uit zijn herinnering aan café De Schaapstal, nu een stripclub op de baan naar Drongen. ‘Dat was toen een meetingplek waar hostessen kwamen chillen. Op mijn zeventiende leerde ik ze er allemaal kennen. En later heb ik er ook nogal wat geïnterviewd toen ik voor de voorstelling De broers Geboers research deed naar de Gentse pooier Gilbert Boelens.’
Sierens vertelt het met bijna wetenschappelijke ernst, om dan vol vuur de films te verdedigen die hem mee inspireerden: Japanse films over ‘bloemenmeisjes’, de films Import/Export van Ulrich Seidl en de Pusher-trilogie van Nicolas Winding Refn.
Over de voorstelling zelf vallen er meer stiltes. Een week voor de première in Het Paleis is de auteur-regisseur nog zoekende. ‘Pas over een maand ga ik weten wat we nu juist gemaakt hebben.’
Zo beierend zijn klok naast het podium klinkt, zo minutieus zoekt hij de klepel op de repetitievloer. Pas nog brak hij de rol van Mieke Dobbels weer helemaal open, en herschreef hij stukjes tekst. Zal muzikant Jean-Yves Evrard mee op scène zitten, of toch bij de techniek? Doorlopend blijft Sierens componeren, tot hij de juiste toon vindt.
Bamboekitsch
Hij heeft het zichzelf en zijn vijf spelers ook niet makkelijk gemaakt, zo bleek vorig weekend tijdens de previewreeks op het Boulevardfestival in Den Bosch. Uiterst dwingend is weerom het blote decor van Guido Vrolix. Deze keer geen ijspiste of een glasscherventapijt. Wel twee monumentale steigers in bamboe, opdringerig half de zaal ingeduwd. ‘Ik wou het typische aquariumtheater vermijden, de grens met het publiek breken.’ Temptation Island meets eighties nachtclub-kitsch. Elke zin die je als acteur op zo’n platform uitspreekt, dreigt meteen te klinken als een preek tijdens de hoogmis.
Voor een lege kerk dan wel.
In Schöne Blumen trekt de hostessenclub van Josiane (Karin Tanghe) nog amper klanten. ‘De neon is kapot, en het ligt niet aan de kabel.’ Professioneel mannenbehaagster Malika (Mieke Dobbels), ooit als een straatkat uit de goot gevist, wil de boel wel overnemen. Maar ze kampt met de mannen: haar zielige aanbidder Anthony-van-de-droogkuis (Robrecht Vanden Thoren) en haar ex-lief Kiki (Titus De Voogdt), die nu komt paraderen met zijn nieuwe Conny (Valérie Schiemsky). Vroeger, vóór Altijd Prijs (2008), zou Sierens alles hebben opgevrolijkt met dansjes en foute playback. Nu regeert de pure tristesse.
‘Het is ons overkomen’, grijnst Sierens bijna verontschuldigend. ‘Voor de zomer hadden we nog een heel kleurrijke, energieke versie. Er werd gedanst, we klommen in de palen. Maar mijn decorateur zei: “Het is niet omdat je in het bos loopt, dat je in alle bomen moet kruipen.” Ik heb toen alles van tafel geveegd, het hele stuk herschreven tot iets meer ingetogens, meer beschouwend. Met het risico dat mensen het nu afstandelijker vinden, maar ik heb die afstand even nodig. Net als in Altijd Prijs en Apenverdriet wou ik het gevoel van de wereld meer doen binnenkomen. Zo wordt van Malika even gesuggereerd dat ze een Albanese kan zijn.’
Maakt Arne Sierens nu ineens politiek theater?
‘Eigenlijk wou ik een voorstelling maken over kapitalisme. Als je de laatste jaren de wereld volgt, wordt alles herleid tot de vraag: wat kost dat? Ik vind dat gruwelijk. Ken je de Lola-film van Fassbinder? Die gaat eigenlijk over het Duitse economische systeem van half de jaren vijftig. Ik wou daar vandaag een antwoord op bieden. Maar dat wordt rap pamflettair, en daar ben ik niet goed in.’
‘Johan Heldenbergh, die kan dat! Ik moet het laten voelen, via beelden. Want theater over de wereld moet meer zijn dan roepen: ‘Zie eens!’ Als ik jou wil overtuigen van mijn gelijk, moet ik je meepakken in een soort baarmoedergevoel.’
‘Het verhaaltje van het stuk is maar een simpele schets: Malika doet alles om goed te doen, maar wordt toch gewoon op straat gezet. Het is bijna Assepoester, he? We hebben het over mensen met te weinig tools om hun lot zelf in handen te nemen, maar dan in de vorm van een sprookje.’
Waarom wilde u dat sprookje in een veredelde seksclub?
‘Het is een plek waar je lijf en je economie in elkaar overgaan. Waar eindigt het gevoel en begint het geld? Het is een wereld van liegen, van conventies. De kunst van hostessen is het paradijs kunnen creëren, mee kunnen zuipen zonder zelf zat te worden. Het begeren mag niet geconsumeerd worden, want dan stopt de verdienste. Dat is het verschil tussen hostessenclubs en prostitutie.’
‘Tegelijk blijft het de plek met de meeste taboes, waar we heel hypocriet mee omgaan. Overal ter wereld zit prostitutie nog steeds in een verdomhoekje, zonder wettelijk kader: “Laat ons samen doen alsof het niet bestaat!” Het is toch onwaarschijnlijk dat zoiets fundamenteels als je lijf nu in handen is van de onderwereld, die daar ontzettend veel geld mee verdient? Gewoon omdat wij het niet willen zien? Legaliseer dat toch!’
Nochtans, kijk naar de zichtbaarheid van porno op het net. En in Amsterdam is prostitutie gewoon deel van het toeristische centrum?
‘Wel, een van de triggers voor Schöne Blumen was net de moord op een Amsterdams hoertje, Bernadett Szabo. Een Hongaarse van negentien. In Amsterdam bevalt ze van een kind, twee weken later is ze alweer aan het werk. En als ze op een nacht neergestoken wordt, verdwijnt dat gewoon tussen de plooien. De walletjes zijn niet meer dan een gedoogzone, met de politie als poortwachters van het prison.’
‘Dan zeg ik: geef de sekswerkers een statuut. Ik vind juist dat we met de opgang van de rechtse partijen weer in een enorm puritanisme leven. Als ik de regeringsvorming volg, hou ik mijn hart vast. Ze praten met zeer weinig begrip over de ‘mens’. We zitten terug in 1890, met een maatschappij die collectief ontkent dat er stront is. Nee, stront behoort tot het leven. Net als roes, seks, lijf. Je moet dat niet corrigeren maar accepteren en een plek geven. Anders komt het in vijfvoud binnen langs de achterdeur.’
Zelf lijkt u de schijnwerpers meer dan ooit op ‘de mens’ te richten, maar wel bijna cynisch.
‘Daar raak je iets aan. De voorstelling schurkt echt tegen die grens, terwijl ik zelf helemaal geen doemdenker ben. Ik blijf onvoorwaardelijk geloven dat je er wel iets aan kunt doen. Maar nogmaals, het is ons tijdens de repetities als groep overvallen. Omdat je de mens altijd blijft ondervragen, in je laboratorium. En daar gaat het mij nu om: die eenvoudige tekening van de mens.’
‘Want wat raakt er het meest: de Byzantijnse fresco’s van rond 1200, of de vroeg-middeleeuwse schilderijen waarin ze het perspectief ontdekken? Ik geloof steeds meer in 2D: de loutere afbeelding van de mens, in plaats van de kleurrijke nuance. Ik probeer de faits-divers meer en meer uit te schakelen. Alles is nu minder vet, meer uitgepuurd. Heeft dat met de leeftijd te maken? Ik wil geen bullshit meer, enkel de essentie.’
Voyeurisme
Waarom komt u dan toch zo vaak uit bij snackbars en danstenten?
‘Ik kies niet voor populaire biotopen op zich, maar voor plekken waar de mens het naakste is. In een dokterskabinet of een zakenkantoor is alles gemaskeerd, dat is niet interessant. Natuurlijk ben ik nu ook een burger die zijn huis moet afbetalen. Maar dat populaire blijft in mij zitten, dat is mijn verhaal.’
‘Populaire cultuur is ook de motor van om het even welke cultuur: bruter, grofkorreliger. Dat boeit me meer, misschien is dat mijn opstandig trekske. Ja, dat zit op de grens met koketteren, aapjeskijken, voyeurisme. Daar bots ik voortdurend tegenop: theater blijft nu eenmaal voor de middenklasse.’
‘Maar ik bewonder ook zo’n groep als Die Antwoord, die gespeelde white trash rappers uit Zuid-Afrika. Super hoe ze als intelligente artiesten koketteren met hun achtergrond! Ze openen de discussie. Zo haalt ook mijn theater het zwart-wit eraf, en voegt het nuances toe. “Bekijk het eens in kleur!” Begrip is een paternalistisch woord, maar je dwingt mensen om mee te voelen en erover te denken.’
Maar u zal nooit met wijkbewoners uit de Brugse Poort theatermaken, of wel?
‘Nee, dat kan ik niet. Dan zou ik mijn vorm moeten aanpassen. Zij zitten in een andere cultuur: André Hazes. De smartlap. Ik vind dat prachtige vormen, maar ik ben Hazes niet. Ik ben geen volksmens. Zulke spelers brengen wel hun inhoudelijke verhaal mee, maar dat moet je ook nog kunnen overbrengen. Dat vergt training, tempo, tijd, ruimtegevoel. Professionele acteurs, dus.’
‘Wat ik wel zou kunnen doen, is ze opnemen op camera. Je pakt dan het leven zoals het is, maar pak je het leven wel? Je hebt ook heel saaie documentaires! Is een foto beter dan een schilderij, als je de kern van de mens wil treffen? Vastleggen is niet genoeg. Theater is de wereld máken.’
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: