Vijf dichters die Herman de Coninck kenden en op zijn goedkeuring mochten rekenen, een mooi decor en een prachtige belichting: meer heeft de derde editie van Koningsblauw niet nodig om de toeschouwers weer een avond te laten genieten van het blote woord: zelfs geen muziek.
HET zou poëzie puur worden, waarschuwde Piet Piryns ons. Maar dat was na de pauze, en de verstandige toeschouwer in het Gildhof in Tielt had het dan al door. Voor de derde editie van Koningsblauw stond alles in dienst van het naakte woord, met een prachtig decor – waarin de dichters Anna Enquist, Leonard Nolens, Myriam Van Hee, Anton Korteweg en Luuk Gruwez eerst achter een transparant scherm zaten waarop één zin van Enquist was geprojecteerd -, zeer intieme belichting, en geen noot muziek.
Muziek en woord kunnen elkaar wederzijds versterken, maar al te vaak wordt te elfder ure nog een muzikaal intermezzo gezocht. Dat die nummers dan als een tang op een varken slaan, hoeft niet te verbazen. Alsof bezoekers van poëzieavonden de poëzie zelf niet vullend genoeg vinden.
Het zegt iets over de gedichten van Herman de Coninck en zijn in deze tournee aanwezige geestesgenoten dat die afwezige muziek niet werd gemist. Dit keer maakten generatiegenoten van De Coninck de dienst uit.
Allemaal zijn ze nu in de drie edities van het hommageprogramma aan bod gekomen, behalve Rutger Kopland, maar die is in mei altijd verhinderd. En dan vindt Koningsblauw plaats, rond de verjaardag van het overlijden van de dichter.
Dat is wat morbide, want de Coninck was dit keer levendiger dan ooit aanwezig, dankzij zijn brieven waaruit dit najaar een selectie verschijnt. De presentator Piet Piryns maakte er in zijn aankondigingen dankbaar gebruik van, de toeschouwers kregen een kopie van zo’n brief als cadeautje mee naar huis.
De Coninck komt er vooral als een mens uit naar voor, die zijn beklag deed omdat de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie weer eens aan zijn neus voorbij was gegaan, maar dan wel een grappige felicitatiebrief aan zijn vriend Leonard Nolens schreef, toen die hem kreeg.
In een paar regels weet hij Nolens zowel te zalven als te slaan, en verkoopt hij en passant ook zichzelf een mep.DE vrienden van de Coninck bleken vrijdag allemaal begenadigde lezers, niet bang voor een halve minuut functionele stilte af en toe en met een goed gevoel voor ritme. De voorstelling legde hen een fluks tempo op. Soms hadden de woorden wel wat langer mogen nazinderen, zeker bij Myriam Van Hee. Die schrijft net als de anderen in een kleine taal, maar ook nog over kleine emoties, die bij de luisteraar wel wat langer mogen trekken voor ze smaak krijgen.
De dichters behielden tijdens de voorstelling duidelijk hun eigen profiel. De miniatuurtjes van Van Hee, de haarfijn ontleedde gevoelens van Enquist, de krachtige statements van Nolens, de zure weerhaakjes van Korteweg, de uit een spreektalige ether geplukte gedichten van Gruwez: de generatiegenoten van de Coninck vormen geen school die door dezelfde principes zijn geboetseerd, maar die ermee aan de slag zijn gegaan en ze op hun individuele situatie toepassen.
De sobere aankleding en het prachtige licht konden dat alleen maar onderstrepen. Het was de eerste keer dat toeschouwers een beetje jaloers naar mijn notitieboekje gluurden, zoveel prachtige zinnen werden als frisbees de zaal in gelanceerd. ,,Wij lopen soms te stinken van de schrik’’, klonk het in het sonore timbre van Nolens. Gegrinnikt werd er om Kortewegs verzuchting ,,Hoe goed het is dat ik niet in mijn schoenen sta’’. En Gruwez’ coureur was goed voor een krop in de keel met zijn gemeende ,,’t Probleem met starten is dat ge van kilometers verre aan moet komen’’.
Waarover schrijven dichters? Piryns vroeg het zich in de tweede helft af en gaf zelf het antwoord: over de dood, over poëzie, over de liefde, over hun paradijselijke kinderjaren. De dood had voor de pauze al een paar keer zijn kop geroerd, maar de andere onderwerpen mochten aan bod komen, zonder dat de sfeer er merkbaar triester of vrolijker op werd. Alles kunnen dichters even mooi verwoorden, zo bleek weer: een bezoek aan de Efteling, een schilderij, het poëziefestival van Watou. Herman de Coninck dacht dat poëzie rond 2010 dood zou zijn, maar vast schreef hij het zelf om stoer te doen, en trouwens, zes jaar voor die deadline zit er nog genoeg leven in het genre. ,,Het is hard zwijgen, een gedicht’’, schrijft hij in een van zijn brieven, en dat kan wel kloppen, maar als dichters dan toch voorlezen, dan liefst in een kader dat hun woorden zo mooi maakt als Koningsblauw.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: