België moet zijn excuses aanbieden voor de massale kinderroof uit Rwanda en Congo, nu vijftig jaar geleden. Honderden mengbloedkinderen zijn toen van hun moeders weggerukt. Séverine Uwerijinfura werd dertig dagen in de cel opgesloten, opdat ze zich niet zou kunnen verzetten.
We ontmoeten Séverine Uwerijinfura (66) in Parijs. ‘Mijn psychiater zegt dat ik moet vergeten en afsluiten, want het gewicht van de herinnering weegt zwaar.’ Het is allemaal zo lang geleden, maar het is nog niet vergeven. Ze hoopt met dit verhaal de Belgen wakker te schudden. ‘De Australische overheid heeft zich geëxcuseerd voor wat ze met de halfbloed-aboriginalkinderen heeft gedaan. Ze hebben die bij hun familie weggehaald om hen te “beschaven”. Zo ook hebben de Belgen de halfbloedkinderen uit de toenmalige kolonies Congo, Rwanda en Burundi in vliegtuigen geladen, zoals je met vee of kippen doet, en voorgoed van hun moeders gescheiden.’
‘Niemand vertelde de moeders dat de kinderen naar België zouden worden gestuurd’, beweert Séverine. ‘Niet de zusters van het internaat, niet de vaders, niet de Belgische overheid. Toen de vrouwen hoorden dat ze vertrokken waren, werden velen gek van verdriet. En er was niemand die zich om hun verlies bekommerde, er was geen psychologische hulp om dat te verwerken.’
Séverine weet waarover ze spreekt. Ze was vijftien toen ze door een Belgische koloniaal zwanger werd gemaakt en zestien toen ze van zijn kind beviel. Zijn naam: Florent Van Damme. Het is met twee van zijn vijf kinderen, Luc Van Damme (56) en Berrie Jacobs (52), dat ik haar in Parijs ontmoet. Luc en Berrie zijn niet haar kinderen: zij stammen elk van een andere moeder af. Séverine heeft beide vrouwen gekend. Ze heeft ook voor Luc en zijn broers en zus (DS 12 juni) gezorgd toen deze klein waren en zijzelf nog een tiener was.
‘Luc viel altijd op mijn borst in slaap’, zegt ze nadat ze hem nog eens goed heeft vastgepakt. ‘Ik voelde zijn adem in mijn hals.’ Ze kijkt hem vol vertedering aan: ‘Hij is mooi gerijpt, de afgelopen jaren’. Het is meer dan tien jaar geleden dat ze elkaar hebben ontmoet. Ook Berrie heeft ze gekend: ‘In jouw lach herken ik die van je moeder. O, je gaat steeds meer op haar lijken!’
Verstoppertje
Het drama van de moeders valt maar goed te begrijpen als je hoort hoe almachtig de koloniale overheid hun leven bestuurde.
Séverine was de elfde in een Rwandees gezin met twaalf kinderen en ze werd prematuur geboren. ‘Mijn vader, die in Kigali de belastingen inde, kwam in het weekend thuis op de boerderij. Hij vond dat ik eruit zag als een rat. Hij wilde mij niet.’
Maar haar moeder was creatief: samen met een vriendin bouwde ze een schuilplaats in een hooiberg, waar ze het ingebakerde kind ’s nachts verstopte. Overdag nam ze het in een mandje mee naar het veld. Dat sleepte zo vier jaar aan. Een poging om het meisje achter te laten in een dierenhol, mislukte: de moeder kreeg een nachtmerrie en ging het kind twee dagen later terughalen. ‘Ik lachte en stak naar het schijnt mijn armen naar haar uit. Mijn moeder is toen op haar knieën gevallen om God te danken.’
Het wonderkind mocht vervolgens, als enige van de twaalf kinderen, naar school. ‘Ik had geen kleren, geen schoenen, niets. Mijn moeder kocht een lap stof van precies één meter, die ze rond mij knoopte. Bij de protestantste missiepost aangekomen, hingen mijn voeten vol bloed.’
Ze heeft er haar leven aan te danken: ‘Al mijn broers en zussen zijn gestorven, velen door ondervoeding. Ik woonde tijdens de week bij de dominee en zijn vrouw. Ze gaven me twee schooluniformen, pantoffels en schoenen. Ik kreeg er magere melk te drinken, die ik beter kon verteren dan de melk van bij ons thuis, en ik zal nooit vergeten hoe lekker die eerste boterham met boter en confituur rook!’
Séverine vatte ook middelbare studies aan, maar niet voor lang: ‘Daarvoor moest ik naar een school ver weg in het zuiden, want niet alleen blanken en zwarten leefden in die tijd gescheiden. Als je protestant was, was je niet welkom in een katholieke school. Het hele onderwijs was door de missieposten georganiseerd. Na twee jaar werd ik teruggestuurd omdat ik te dikwijls ziek was. Ik verteerde het eten niet dat ze me daar voorschotelden.’
Haar vader was intussen bevriend geraakt met vader Van Damme. ‘Hij zocht iemand die voor zijn kinderen kon zorgen. Zo ben ik bij jullie komen werken’, zegt ze tegen Luc en Berrie.
Avonturiers
Volgens Séverine gooiden haar vader, die de belastingen inde, en vader Van Damme, die in Kigali onder meer een bar-hotel en een plantage uitbaatte, het wel vaker met elkaar op een akkoordje. ‘De één beschermde de ander. Het waren twee avonturiers bij elkaar. Iedereen was bang van hen. Van Damme durfde met tegenstanders op de vuist te gaan.’
Aan Séverine vertelde hij dat de moeder van zijn kinderen hen had laten zitten. ‘Later vernam ik van Melanie, zoals hun moeder heette, dat hij haar aan de deur had gezet. Zijn arbeiders moesten haar verjagen als ze zich bij het huis durfde te vertonen. Volgens Melanie had ze geweigerd om met zijn neef te slapen. Blanken vonden het toen blijkbaar doodnormaal om hun zwarte vrouwen met elkaar uit te wisselen!’
Na Melanie kwam Philomène, die Van Damme had leren kennen in zijn eigen bar. Toen ze zwanger werd van Berrie, die nu door zijn adoptie Jacobs heet, beweerde Van Damme dat het kind niet van hem was, zegt Séverine. ‘Philomène heeft een klacht ingediend bij de regent van Kigali, die ook een neef was van Van Damme. Deze heeft zijn oom onder druk gezet tot hij het kind toch erkende.’
Intussen was ook Séverine bevallen van een kind. ‘Eerst heb ik voor de man gewerkt voor 150 francs per week. Het geld zette ik opzij om te kunnen studeren. Toen ik 15 jaar was, vroeg Van Damme aan mijn vader of hij mij als vrouw kon nemen. Hij gaf mijn ouders een koe in ruil. Zo ging dat in die tijd: de ouders beslisten, en wij, onwetende meisjes, gehoorzaamden.’ Het leeftijdsverschil bedroeg maar liefst 50 jaar.
Maar ook Séverine kreeg ruzie met de verwekker van haar kind en ging ervandoor. ‘Op een dag, toen hij weg was voor zaken, heb ik alle spullen van mij en het kind bijeengepakt en op een vrachtwagen geladen die in de richting van mijn ouders reed.’
Van Damme kwam haar achterna, samen met de koloniale politie. ‘Ik was juist water gaan halen. “Waar is het kind dat je hebt ontvoerd?”, schreeuwden ze. Dat het ook mijn kind was, telde niet. Ze reden langs mijn ouders om de baby op te halen en vervolgens stopten ze mij in de gevangenis. In cel nummer 19.130. Ze scheerden mijn hoofd en staken me in gevangeniskleren. Ik had zoveel melk, die er nu niet meer uitkon. Wat deed dat pijn! Na dertig dagen lieten ze me vrij, zonder proces. Toen was Yuki al naar België vertrokken.’
Het drama kleurt tot op vandaag de relatie met haar dochter, die ze na vele jaren bij ons in België terugvond. ‘Elke keer als ik haar zie, ervaar ik weer die pijn.’
Klacht
Wat nu? Wat kan er nog gebeuren om haar pijn te verlichten? ‘De Belgen moeten beseffen wat voor onrecht er vijftig jaar geleden is aangericht’, zegt Séverine. ‘Het gebeurde met honderden kinderen, allen verwekt door kolonialen. Sommigen onder hen plukten knappe jonge meisjes van school of van de straat en als ze hen beu waren, stuurden ze hen weg of schoven ze hen door naar een vriend. Zij hadden de macht en permitteerden zich alles, een beetje zoals de maffia.’
‘Samen met Melanie en Philomène heb ik na het vertrek van de kinderen dagenlang gehuild, we huilden als gekken. Wij, de moeders, werden geminacht en psychologisch gedood. Excuses van België, bij de verjaardag van de onafhankelijkheid, is wel het minste wat ik verwacht. En als iemand een klacht wil indienen bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, voor deze misdaad tegen de mensheid, kom ik getuigen. Ik ben misschien een van de laatsten die nog in leven zijn.’
Ook wil Séverine de vaders ter verantwoording roepen, die, áls ze nog leven, in alle rust van hun oude dag genieten.
De verwekker van haar kind is in 1970 in Rwanda gestorven. Ze heeft hem op zijn sterfbed nog bezocht, wat later het gerucht voedde dat zij hem vergiftigd had. Bijgeloof, zegt ze daarover. ‘Hij stierf omdat hij ongezond geleefd had. “Bonjour muzehe (oude man, red.)”, heb ik gezegd. “Heb ik je niet altijd voorspeld dat je alleen zou sterven, om het leed dat je je vrouwen en kinderen hebt aangedaan?” Toen liepen er tranen uit zijn ogen.’
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: