De vijftigste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid inspireerde David Van Reybrouck en Jan Vansina tot een nieuwe kijk op de koloniale geschiedenis.
Lezen gebeurt nooit op neutraal terrein. In Congo een boek lezen over de geschiedenis van Congo heeft een ander effect dan wanneer je het leest in België. In Congo heeft het onderwerp — het land, de mensen, de geuren — niets exotisch, maar is het concreet en vlakbij. Als het goed is, moet het boek daar een plaats in vinden.
Ik neem de proef op de som door Congo, een geschiedenis van David Van Reybrouck te lezen terwijl ik door zijn onderwerp reis. Het blijkt daar helemaal in te passen omdat het de saveur en de ambiance ervan helemaal tot leven brengt — en deze termen moeten niet te lichtzinnig worden begrepen, want ze gaan bijvoorbeeld ook over kapotte wegen, politieke intimidatie of daken die niet bestand zijn tegen de tropenregen.
Maar op een bepaalde manier past het boek helemaal niet in de context. Ik lees het namelijk in een digitale versie op mijn portable, en daarom moet een bijzondere voorwaarde zijn vervuld opdat ik het zou kunnen lezen. Er moet elektriciteit zijn. Dat is in Congo verre van vanzelfsprekend. Zoals het vast al evenmin vanzelfsprekend is om een kanjer als dit boek in zijn papieren vorm in de rugzak mee te zeulen.
Zulke praktische omstandigheden zeggen best iets over het land, temeer omdat het ooit anders is geweest. Voor Belgen is de neiging dan ongetwijfeld groot om de Congolezen die omstandigheden als een verwijt voor te houden: zie eens wat jullie van onze modelkolonie hebben gemaakt, na een halve eeuw onafhankelijkheid. In die perceptie is de geschiedenis gauw geschreven: het is er een van een gestage opgang tot 1960, die daarna abrupt in zijn tegendeel ombuigt.
Daarvan is bij Van Reybrouck geen sprake, en al evenmin van enige mildere vorm van nostalgie, waarin de aan- of afwezigheid van de Belgische kolonisatie de enige norm zou zijn. Bij hem is het zelfs veeleer omgekeerd. Hij laat zijn verhaal beginnen voor de aankomst van de kolonisatoren, waarmee hij aangeeft dat Centraal-Afrika niet op de kolonisering hoefde te wachten om een geschiedenis te hebben. Daar wordt wel eens anders over gedacht.
In het verlengde daarvan geeft dit boek veel plaats aan de Congolese ervaring van het verleden. Dat is een van de grootste verdiensten ervan en het is ook een reden waarom het zo uitstekend leesbaar is. Dat doet Van Reybrouck door gul te zijn voor Congolese getuigen, nu eens ontroerende, dan weer erg kleurrijke figuren.
De indrukwekkendste getuige komt als eerste aan het woord: Pierre Nkasi, die misschien wel 128 was toen hij eerder dit jaar stierf. De ontdekkingsreiziger Stanley? ‘Nee, die heb ik nooit gezien. Lutuni heb ik wel nog gekend, een van zijn boys. Hij droeg geen broeken.’
Figuranten
Dat Congo’s geschiedenis meer is dan alleen een kwestie van voor en na de kolonisering, betekent natuurlijk niet dat die koloniale verovering louter een anekdote is. Dat toont Jan Vansina, de nestor van de geschiedschrijving van Afrika, overtuigend aan. Toen dat in België niet bleek te kunnen, bouwde Vansina een opmerkelijke wetenschappelijke carrière uit in de Verenigde Staten. Van hem verscheen zopas een boek over Kuba, een befaamd koninkrijk in Centraal-Congo, tussen 1880 en 1960. Vansina gaf zijn boek de titel Being colonized, omdat gekoloniseerd zijn nu eenmaal de allesbepalende factor was in die periode.
Vansina gaat in het reconstrueren van de Congolese ervaring nog een eind verder dan Van Reybrouck. Hij kan nu eenmaal putten uit meer dan een halve eeuw antropologisch veldonderzoek, waarbij hij kon registreren welke informatie, geruchten, grappen, gewoonten, dromen of rituelen in omloop waren. Daarmee kon hij erg concreet onderzoeken wat het effect was van de kolonisering op de diverse soorten inwoners van het Kuba-rijk, een effect dat heeft gespeeld voor de hele Congolese plattelandsbevolking — tot op zekere hoogte, want het zou heel misleidend zijn om de Congolezen als een homogene groep te beschouwen.
Opmerkelijk is dat, zoals Vansina besluit, die plattelanders de kolonisering nooit hebben ervaren als een groots project van beschaving en ontwikkeling, zoals dat in de metropool werd voorgesteld. Integendeel, zij ervoeren haar als geheel willekeurig, onsamenhangend en verwarrend. Ze berustte op een exploitatie die bedreigend was voor hun sociale orde en ze waren er zeker niet de eerste begunstigden van.
Misverstanden en wanbegrip waren wederzijds en groot. Het gevolg was wantrouwen. Dat verklaart waarom zowel de Congolezen als de Belgen geregeld in de ban waren van de angst dat de ene niets anders wilde dan de andere uitmoorden. Misschien kwam het door dat sluimerende, door onwetendheid veroorzaakte wantrouwen dat enkele gruwelijke, maar beperkte incidenten kort na de onafhankelijkheid van 30 juni 1960 volstonden om een massale exodus van de Belgen uit Congo te veroorzaken; ‘een slecht ingeschat veiligheidsrisico’, aldus Van Reybrouck.
De aandacht voor ‘gewone’ Congolezen, zeker in Vansina’s boek, biedt een goed tegengewicht voor een ander risico van de klassieke eurocentrische historiografie: dat de Congolezen slechts figuranten in hun eigen geschiedenis waren, ofwel als ietwat kinderlijke ‘nobele wilden’ in de koloniale ideologie, ofwel als passieve slachtoffers in de antikolonialistische kritiek daarop.
Congo en China
Geen van die ogenschijnlijk tegengestelde, maar toch nauw verwante visies doet recht aan de historische realiteit. De gekoloniseerde bevolking speelde wèl een actieve rol, maar ofwel werd die doodgezwegen ofwel bleef hij onopgemerkt. Jan Vansina schrijft met de gestrengheid van de academicus, die erg secuur in zijn onderwerp doordringt. Zo komt hij tot een besluit dat ingaat tegen een ander, in België erg gangbaar cliché: dat vandaag in Congo een groot heimwee zou bestaan naar ‘de tijd van de Belgen’. Dat is slechts waar in de mate dat die tijd — en vooral de mythe daarrond — in fel contrast staat met de vermijdbare miserie waarin heel veel Congolezen vandaag leven.
Dat heimwee gaat in tegen de even sterke herinnering die het kolonialisme associeert met systematische dwang en ongelijkheid. Net dat dwangsysteem (met verplichte teelten, lijfstraffen et cetera) ziet Vansina als de fundamentele zwakte van het Belgische koloniale bestel. Dat had rond 1960 de limieten van zijn houdbaarheid bereikt en begon al hier en daar zelfs af te takelen vóór de formele onafhankelijkheid. De koloniale orde stortte dan ook in op dag één van de onafhankelijkheid.
David Van Reybrouck schrijft anders. Zijn focus is veel minder gericht op het platteland en de traditie dan op de steden (Kinshasa in de eerste plaats) en de (post)moderniteit. Voorts geeft hij blijk van een betrokkenheid die hem ver weg houdt van alle oude, intern Belgische disputen. ‘Achteraf is het makkelijk praten’, verzucht hij wel eens tussendoor, met veel zin voor historische relativiteit.
Die betrokkenheid doet de toon van zijn boek opvallend verschuiven. Zijn nauwkeurige, vernieuwende en evenwichtige exposé over het verleden lijkt hij, naarmate het boek vordert, vooral te zien als de voorgeschiedenis van wat nog moet komen. De tussenfase, zoals de lamentabele decennia van de Mobutu-dictatuur, is daarom de minst interessante.
De apotheose volgt in het slothoofdstuk, dat grotendeels in China is gesitueerd. Daarin laat hij de contouren zien van een nieuw geopolitiek en geocultureel model, waarin niet langer de oude kolonisatoren, maar wel Azië en Afrika centraal staan. Maar in afwachting daarvan kan het heden onverbiddelijk zijn, want net terwijl ik deze woorden tik, valt hier in Congo het licht weer uit. Het is 22u07. Toch weer bijna vier uur elektriciteit gehad vandaag.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: