Zes dichters die elk tien minuten lezen. Zelfs geen ,,blinde harpiste’’ tussendoor, zoals de presentator Piet Piryns de gniffelende rangen geruststelde. Het is de sterkste aflevering van Koningsblauw ooit, al ligt dat niet alleen aan de formule. De zes bewezen dat poëzie niet alleen weer hip is, maar vooral erg goed.
De dichter Herman de Coninck, aan wie de tournee is opgedragen, voorspelde graag dat poëzie de 21ste eeuw niet zou halen. Als de nieuwe generatie dichters zo verder doet, krijgt hij nog ongelijk. Normaal overklast Leonard Nolens met gemak de meeste dichters op poëzieavonden met zijn frasering en dictie. Maar de vijf jonge dichters die donderdag vóór hem aan bod kwamen, maakten het de éminence grise van de Vlaamse poëzie niet zo makkelijk.
De aftrap geven is altijd ondankbaar, maar Eva Cox trok de avond wat aarzelend op gang. Haar poppenstemmetje ontkende de voeten die ze stoer op schouderbreedte had gezet. Ze rijmde ,,tierelantijntje’’ op ,,breintje’’, dat is me te Gezelle-gezellig; en de stroom binnenrijmpjes en alliteraties waren vooral te slim. Helemaal geen ,,stoere poëzie’’, zoals Ilja Leonard Pfeijffer bewonderend recenseerde – misschien was de Hun der Nederlandse letteren onder de indruk van haar elfjesachtige verschijning.
Dat waren wij van de stem van Menno Wigman. Met ongelooflijk zachte stem en dictie loodste hij ons door grootstedelijke landschappen – hun copyshops! hun nieuwbouwwijken! – naar begrafenissen voor mensen die moederziel alleen gestorven waren. Die krijgen dan zo’n ontiegelijk vroege, anonieme begrafenis van de gemeente, waarvoor Wigman en andere dichters toch iets moois hadden geschreven. In Lier had Wigman een veel groter publiek, maar het was even stil. Een revelatie.
Overigens was Koningsblauw dit jaar niet alleen een staalkaart van jonge, vooral Nederlandse dichters, maar ook van manieren om voor te dragen. Na de fluisterende Wigman kregen we Mustafa Stitou, luid, nadrukkelijk, met dat staccatoritme dat zo goed past bij zijn gedicht ,,Affirmaties’’, een mantra voor de onzekere man, en de ademloze ratelzinnen van Tjitske Jansen. Ze had zich afgevraagd of ze ,,De idioot op het dak’’ zou voorlezen, het gedicht waarvan de titel niet toevallig verwijst naar Ingmar Heytzes ,,De idioot in het wak’’, waarvan de titel niet toevallig verwijst naar Vasalis’ ,,De idioot in het bad’’. Gelukkig las ze het wel, en zelfs wie haar al op Saint Amour had gehoord, lachte weer mee.
Dat Ramsey Nasr de acteur van het gezelschap was, liet zich ook niet ontkennen, zoals hij bundel in de hand stond te declameren, al dan niet met geheven arm. Zijn eerste selectie waren dan ook zijn persiflages op de heroïsche en romantische Duitse gedichten, zoals Schumanns ,,Dichterliebe’’. Hij moest weer malgré soi besluiten dat die grote gevoelens uit de tijd waren, en toch roerde ,,de baarlijke liefde’’ meer dan eens haar kop in zijn gedichten.
De grote gevoelens schuwde Herman de Coninck zelf natuurlijk ook niet; wel, zoals de meeste jonge dichters, de valse pathos. Het levert een mooie, vooral heel vitale, poëzie op die eenvoudiger lijkt dan ze is. Dat had de jonge garde van Koningsblauw dan wel gemeen met Leonard Nolens. Toch stond Nolens, die de avond afsloot, een beetje apart. De enige dichter van het programma die De Coninck ook heeft gekend, wachtte rustig tot hij de aandacht van de zaal had. Toen pas boog hij zich naar voren en stak in directe rede (,,Jij bent altijd de man…’‘) van wal. Het opstapje leek even hoger: poëzie is echt laagdrempeliger geworden.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: