Zoals je tal van auteurs hebt bij wie de pen slechts vibreert op het ritme van de stad (denk aan pakweg John Dos Passos, Alfred Döblin of Paul van Ostaijen), zo zijn er schrijvers die telkens weer hun literaire heil zoeken in een kleine dorpsgemeenschap. In de Franse literatuur liggen ze voor het grijpen en stuit je onder meer op Marcel Pagnol, Alphonse Daudet of Jean Giono. Zonder voorbehoud kun je Philippe Claudel aan dit rijtje toevoegen, al mag je zijn boeken allerminst als eng-regionalistisch catalogeren.
Toch leidt de ambachtsman ons in het merendeel van zijn boeken binnen in een miniatuurtheater vol haarscherp getekende plattelandsfiguren, iets wat vooral in Grijze zielen (2003) en Het verslag van Brodeck (2008) tot illustere hoogtepunten leidde. “Een dorpsgemeenschap heeft een universelere dimensie dan je op het eerste gezicht zou denken”, zo vertelde Claudel me ooit in een interview voor deze krant. “Een kleine gemeenschap kan tegelijkertijd een weerspiegeling van de gehele wereld zijn. Net daarom hou ik er ook van om met bijna archetypische personages zoals ‘de burgemeester’, ‘de pastoor’, ‘de onderwijzer’ en ‘de vreemdeling’ te werken.”
In het vroegere werk van Claudel, zelf opgegroeid in Dombasle-sur-Meurthe in de Elzas, zien we die werkwijze geheel tot ontbolstering komen. Tegelijk merk je hoezeer de melancholische mijmeringen nog de bovenhand nemen op het verhaal. Dat was bijvoorbeeld het geval in Rivier van vergetelheid, waarin een man in een dorp soelaas zoekt voor het lenigen van zijn liefdesverdriet. En ook in de zojuist vrijwel simultaan vertaalde boeken Tot ziens meneer Friant (2006) en Alles waar ik spijt van heb (2000) is Claudel vooral in zijn element als sfeerschepper, die herinneringen opblinkt tot ze een welbepaalde weemoedige schittering krijgen. Of tot hij ze noodgewongen moet achterlaten in “de meesmuilende labyrinten van de verloren dagen”.
Beroezende metaforiek
Tot ziens meneer Friant is een tekst die Claudel bijzonder na aan het hart ligt. “Als ik slechts één werk mocht overhouden van wat ik geschreven heb, dan zou het zonder twijfel dit boek zijn”, meldt hij ons op de achterflap van deze fraai uitgegeven novelle. Als leidraad van zijn parcours de mémoire gebruikt hij de schilderijen van Emile Friant (1863-1932), een streekgenoot die op het Parijse Salon successen boekte met realistische schilderijen vol landelijke, ietwat traditionele taferelen. Aan de hand daarvan roept Claudel de wereld van zijn grootmoeder op. Zij was sluiswachtster, “een vrouw uit een tijd waarin daden zwaarder wogen dan woorden” en vrijwel dagelijks zocht Claudel haar na schooltijd op in haar huisje aan het kanaal van Dombasle. “Daar dronk ik mijn jonge leven als een glas vruchtenlimonade.” Ze praatten over “soorten jam” en “over vissen”, “over het leven van de sleepschippers en over de bevers die de taluds kapot knaagden”. Voordien was ze dienstmeid geweest, “in de schreeuwerige mallemolen van Nancy”, “een verleden van onderdanigheid en boenwas”. Geleidelijk aan krijgt hij inzicht in elementen van de familiehistorie. Zoals het schilderij Drinkebroers van Friant hem “een voorouder” teruggeeft, met name zijn overgrootvader, die een notoire drinkebroer was. Claudel ontwaart op het doek “de anarchie van het stof en het gapende keelgat”, evenals de “broederschap van de foezelwijn en waggelgang bij dag”. Maar er is nijpender tragiek, die uiteraard met de Grote Oorlog in verband staat, als zijn grootvader vlak voor het eind de slachtoffers vervoegt: “Hij zou nog maar twee maanden duren, maar dat was ruim voldoende om er te sneuvelen, drie dagen voor de wapenstilstand, doordat er een kartets in zijn gezicht vloog en een grote granaatscherf in zijn hart.”
Claudel schuwt de grote emoties niet in dit geschrift, dat bol staat van de beroezende metaforiek en regelmatig gutst van de overdaad. Maar het is wonderlijk om vast te stellen hoe Claudel je telkens weer op sleeptouw neemt en alle schijnbaar losse motiefjes aan elkaar knoopt. Tot ziens meneer Friant is een kralensnoer van vertellingen over de dood, de mist van het vergeten en verzwonden jeugdliefdes: “Een jeugdliefde vertoont nogal wat gelijkenissen met een hevige buikloop en gelukkig is er in beide gevallen niet veel nodig om ze over te laten gaan.”
Maar ook het kunstenaarschap en de nefaste verlokkingen van het succes worden subtiel aangeraakt. Claudel traceert het moment waarop Friant “een schilder van de enggeestige society” wordt “en niet langer van zijn eigen wereld”: “Gestorven, heengegaan, begraven, gefusilleerd onder de eerbetuigingen (...), “genekt door een overdaad aan tierelantijntjes”. De schrijver beseft meteen ook waar voor hemzelf het gevaar schuilt.
Omspoeld door raadsels
Ingetogener en droefgeestiger is de tweede Claudel die dezer dagen op onze leestafel neerstreek. Alles waar ik spijt van heb is de tweede, nu pas vertaalde roman van Claudel uit 2000 en fungeert als een subtiel rouwtelegram over zijn moeder. De verteller keert terug naar zijn Noord-Franse grauwe geboortedorp om er drie dagen door te brengen in het plaatselijke Hotel de l’Industrie, nadat zijn moeder is overleden. Hij is genoodzaakt om er de spoken van hardnekkige jeugdherinneringen te ordenen en ze meteen ook te verdrijven. Zijn bekommernis om zijn moeder komt te laat, want allang was er een verwijdering tussen hen opgetreden. “Zestien lange jaren, zestien magere jaren, waarin ik een uitgebluste, licht verbitterde man was geworden.” In het mortuarium ziet hij dat haar gezicht nog altijd “een eenvoudige schoonheid” bezit: “Kwam het door de jaren dat ik zonder haar had geleefd dat ik vond dat ze er jonger uitzag dan ze eigenlijk was? Het kledingstuk van de dood stond haar merkwaardig goed.”
Niettemin knaagt de wroeging. De ik-verteller is omspoeld door raadsels, ook omtrent zijn vader, die hij slechts gekend heeft als foto aan de muur, in een vliegenierspak. “Dat was voordat hij omkwam in een verre oorlog in een land vol zachtheid en regen.” Hijzelf is geboren toen zijn moeder amper zestien was: “Ik had tijd nodig om me neer te leggen bij die waarheid, die een moordenaartje van me maakte, een krijsend doodslagertje van een pas ontloken bloem die nooit het licht van haar dromen heeft kunnen zien.” Zijn jeugd is schamel en een tikje doelloos. Maar wanneer hij op stomme wijze ontdekt dat het portret van zijn heldhaftige vader gewoon een uitgeknipte tijdschriftfoto is, beseft hij dat het om “een gestolen deel van een ander leven” gaat. “En in een oogwenk veranderde mijn moeder van een heilige in een laaghartige sloerie.” De woede is niet te stelpen: “Ik was de zoon van een leegte.” De breuk is onvermijdelijk. Pas in de nalatenschap ontdekt hij een brief van haar die hem meer inzicht zou kunnen bieden in zijn afkomst, maar heeft het zin om de geheimen nu nog zo bruusk te ontsluieren? Uiterst sereen slaagt Claudel erin om je toch deelgenoot te maken van de ware toedracht én je van je à propos te brengen. Meteen besef je hoezeer hij toen al zijn metier volkomen in de vingers had en meesterlijk omspringt met de grijstinten van onze emotionele huishouding.
Alles waar ik spijt van heb is een terneerdrukkende rêverie, maar valt allerminst te reduceren tot een nostalgische oprisping. Hier worden gensters geslagen, zonder dat Claudel te veel tierelantijntjes in stelling hoeft te brengen.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: