In 1996 creëerde Jan Fabre de monoloog De keizer van het verlies, met Dirk Roofthooft in een glansrol. In 2005 schreef hij een tweede stuk voor de acteur, met de veelzeggende titel De koning van het plagiaat. Nu bundelen de twee hun krachten opnieuw voor De dienaar van de schoonheid. Terwijl Fabre broedt op een vierde voorstelling, De god van de middenstand, staan de eerste drie stukken nu na elkaar geprogrammeerd in Antwerpen.
Fabres theaterteksten zijn buitenbeentjes. Ze kennen geen conventionele personages of psychologische ontwikkeling. De stijlkenmerken zijn altijd dezelfde. Een allegorische structuur, plechtig taalgebruik, barokke vormherhalingen en harde ironie keren steeds terug. Al zijn personages lijken afsplitsingen van de kunstenaar zelf. Dat maakt van deze stukken weerbarstig leeswerk.
Hoe verhouden tekst en enscenering zich voor u?
Fabre: “Schrijven en tekenen vormen de basis voor al mijn werk. Ik doe beide tegelijkertijd. Als ik schrijf, zie ik alle bewegingen voor mij. Ik hoor de ironie in de ernst van mijn teksten. Dat is zeker het geval met Dirk. Deze drie teksten beslaan een tijdspanne van veertien jaar. Dan leer je elkaar goed kennen. Als ik schrijf, hoor ik zijn ademhaling, het ritme van zijn stem, zijn fraseringen. Ik weet al hoe ik een tekst moet schrijven om Dirk uit te dagen.”
Veertien jaar, dat betekent ook dat jullie samen ouder zijn geworden. Zorgt dat voor een andere energie als u de stukken herneemt?
“Absoluut. Je lijf verandert met het ouder worden. Je kunt niet meer evenveel aan. Dirk is ook een tijd tamelijk ziek geweest. Dat laat zijn sporen na. Je wordt kwetsbaarder. Die kwetsbaarheid wordt echter een kracht.”
Waarom werkt u zo graag met Dirk Roofthooft?
“Dirk is zeer ernstig en toegewijd. En hij heeft een groot taalgevoel. Hij onderzoekt elke zin, elk woord en vraagt mij dan uit over de betekenis ervan. Hij zegt het wanneer bepaalde zaken voor hem niet werken of te onduidelijk zijn. Ik herschrijf veel. Daarna zoeken we hoe het gespeeld moet worden. Ik ben daar heel secuur in, want ik zie een eindbeeld voor mij. Ik zie Dirks lichaam als het ware metamorfoseren terwijl hij speelt.
“Een van de mooiste ervaringen voor mij is om te zien hoe dat ook gebeurt. Ik leg elke beweging tot op de millimeter vast, als een zware huid die ik over de acteur drapeer. Maar dan wil Dirk daar uitbreken, zijn eigen regisseur worden. Hij maakt zijn versie van het stuk. Ik zie plots het kleine Dirkje van tien jaar dat er plezier in heeft om te spelen. Of Dirk de duivel, de charmeur, de deugniet. Die komen allemaal naar boven. De tekst wordt plots van vlees en bloed. De stem van de tekst wordt lichaam, en het lichaam wordt stem. Een acteur mag voor mij geen sprekend hoofd zijn. Hij moet de taal lichaam geven.”
Uw teksten maken dat niet makkelijk. De archaïsche metaforen, het repetitieve, raadselachtige karakter en het gebrek aan psychologische ontwikkeling bieden weinig “klassieke” aanknopingspunten voor een acteur.
“Dat is waar. Mijn figuren rukken zich los van hun tijd. Ik heb niets te maken met de commercie. Dan kom je meteen archaïsch over. Ik werk dat ook in de hand, door oude symbolen in te zetten waarvan niemand nog de betekenis kent. Het rood-blauwe lichtsignaal dat je vroeger aantrof bij kappers, bijvoorbeeld. Niemand weet nog dat het rood staat voor de taak van de barbier om bloed af te laten. Of het logo van bloedtransfusiecentra, de pelikaan die in zijn borst prikt. Dat gaat terug op het bijgeloof dat de pelikaan zijn kuikens voedt met zijn eigen bloed. Het werd een metafoor voor Christus, die zijn leven geeft voor de mens. Die beelden dwalen verweesd rond in de wereld. Ik stof ze af en verwerk ze in mijn eigen heraldiek. De uil, de steen, zelfs het bord dat verwijst naar Salomé, die het hoofd van Johannes de Doper op een schaal zet, krijgen bij mij een plaats in een nieuwe orde.”
Het gebruik van “dode” symbolen, zelfs van een “dode taal” als Latijn, doet denken aan uw stelling dat uw werk een post-mortemtoestand uitdrukt.
“Ik spreek inderdaad vaak van een post-mortemstadium van het leven. Dirk spreekt altijd van de fabriaanse stijl van acteren. Mijn figuren hebben geen psychologie. Het zijn multipersoonlijkheden. Ze staan in een voortdurende dialoog met zichzelf en de buitenwereld. Ze zijn altijd onderweg naar een andere zijnstoestand en daarvoor moeten ze dingen achterlaten, zichzelf vernietigen, een nieuwe huid aannemen. Zo komen ze in een toestand na de dood terecht.”
Het is alsof u de symbolische orde van de wereld op het spel wilt zetten.
“Ik heb mijn werk inderdaad wel eens beschreven als plannen voor een overval. Deze teksten zijn heel precies opgebouwd volgens strikte regels, als een caleidoscoop. (Vouwt een blaadje zoals in het kinderspelletje “Wie ben je?”) Naargelang je de tekst openklapt, krijg je een andere invalshoek op mijn werk. Deze drie teksten zijn manifesten over wat kunst voor mij is. Samen vormen ze één grote installatie over ultieme verandering. Het gaat niet over psychologische problemen, maar over een beeld van de wereld en de kunst.”
In De koning van het plagiaat wijst u de gedachte dat de kunstenaar origineel en authentiek moet zijn radicaal af. Dat lijkt een paradox voor een
kunstenaar die als weinig anderen een publieke figuur is.
“Dat is de dualiteit van het kunstenaarsbestaan. Ik zeg nadrukkelijk dat het werk belangrijker is dan mijn persoon, maar hoe luider ik dat roep, hoe meer ik in de kijker loop. Het is echter een misvatting dat avant-gardekunst uit het niets zou ontstaan. In De keizer zeg ik het met zoveel woorden: ik heb het vuur gekregen van anderen en geef het weer door. Originaliteit is een fictie. Een kunstenaar die denkt dat hij origineel is, is een idioot. Beelden komen altijd ergens vandaan. Maar als kunstenaar kun je iets zodanig verdraaien of opentrekken dat het een nieuwe betekenis krijgt.”
U zegt vaak dat u cynisme in de kunst verafschuwt. Toch zegt u dat er harde ironie in uw teksten zit. Wat betekenen die twee begrippen voor u?
“Ik hanteer de ironie als een wapen, een scalpel om met een glimlach de zaken te analyseren. In mijn bestaan als kunstenaar ben ik zeer ernstig. Op mijn achttiende schreef ik al dat ik gedoemd was om een belangrijke kunstenaar te zijn. Ik geloof rotsvast dat ik iets kan veranderen, dat mijn werk ook in de toekomst waarde heeft. Anders heeft het geen zin. Maar alle ernst draagt ook ironie in zich. Niet alleen voor een buitenstaander lijken ernst en overgave al snel lachwekkend, zelfs de drager van het heilige vuur weet hoe kwetsbaar zijn strevingen zijn. Alle betekenissen zijn fragiele bouwsels. Als kunstenaar leef je met dat tragische besef, maar toch doe je voort. Er is gewoon geen weg terug.”
En een cynicus?
“Een cynicus heeft altijd een “tongue in cheek”-houding. Hij neemt nooit de verantwoordelijkheid voor zijn werk op zich. Zo”n kunstenaar hanteert de taal en de wapens van de media. Hij behaagt en amuseert, maar als puntje bij paaltje komt, trekt hij zijn staart in. Ik wil niet meedoen met dat spel. Ik wil daar een andere werkelijkheid tegenover stellen.”
Drieluik krijgt staartje met “God van de middenstand”
De keizer van het verlies gaat over een zielige clown, geïnspireerd door de Britse komiek Tommy Cooper. Hij maakt zich belachelijk met zijn gestuntel, maar geeft niet op. Een pop die als twee druppels water op hem lijkt, doet vermoeden dat de clown dood is en als een geest vanuit het hiernamaals spreekt. Dat verklaart ook waarom hij zijn hart uit zijn borst kan rukken en het met elastiekjes aan zijn lijf kan vastbinden om engel te worden. Op het einde krijgt de clown inderdaad vleugels. Fabre houdt hier een pleidooi voor de schoonheid van het verlies, het verlangen om steeds opnieuw te beginnen.
In De koning van het plagiaat zien we een engel die de mens zo lang bestudeerd heeft dat hij de drang voelt om hem na te apen. Maar als engel heeft hij geen vleselijk lichaam, enkel een spirituele, lege en perfecte vorm. Het menselijke brein, daarentegen, is materie, vlees. Om mens te kunnen worden verzamelt de engel breinen van vier “steins”: Frankenstein, Gertrude Stein, Wittgenstein en Einstein. Die staan respectievelijk voor de geneeskunde en artificiële intelligentie, de literatuur, de filosofie en de wetenschap. Hier bevraagt Fabre de idee van authenticiteit en originaliteit.
De dienaar van de schoonheid toont een poppenspeler die werkt voor zijn patron, de Schoonheid. Hij wil onzichtbaar worden, zodat je alleen nog zijn poppen ziet. Hij verzaakt daarom aan alles behalve zijn zwevende ogen. Zijn opzet mislukt als zijn poppen in opstand komen. Fabre bespeelt hier thema”s als de übermarionet, de ultieme pop-acteur van Gordon Craig, de maskers van Fernand Khnopff en James Ensor. Uiteraard gaat het ook over de meester-slaafverhouding. De opstandige poppen zijn als kunstwerken die tegen hun schepper in actie komen.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: