’Ik lees graag makkelijke boeken, hoor. Ik schrijf ze alleen niet graag’
Het gaat uitstekend met Peter Verhelst, dank u. ‘t Is vijf jaar geleden dat we de schrijver uitgebreid aan de tand voelden, en sindsdien is er in zijn leven en loopbaan behoorlijk wat stof opgewaaid én weer gaan liggen. Er waren de heftige reacties op zijn splinterbom ‘Zwerm’ uit 2005, een scheiding en een nieuwe liefde, de lijvige dichtbundel ‘Nieuwe sterrenbeelden’, het gelauwerde jeugdboek ‘Het geheim van de keel van de nachtegaal’ (gemaakt met tekenaar Carll Cneut), het stadsdichterschap in Gent. En nu ligt zijn nieuwe roman ‘Huis van de aanrakingen’ (Prometheus) in de rekken: geen razende hightechthriller over samenzweringen en woekerende virussen zoals zijn voorganger, maar een subtiel gestikte lappendeken van vertellingen die uitwaaieren naar de vier windstreken, en naar minstens zoveel eeuwen.
De cast: een wereldreiziger in dienst van de Franse koning, een gestrande matroos van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, een Koreaanse pottenbakker in ballingschap, een kalligraferende geisha en een New Yorkse archeologe annex vat vol hedendaagse neurosen. Allemaal strompelen ze op de tast naar een plek om thuis te komen. ‘Huis van de aanrakingen’ is géén suikerspin. Verhelst betast de wanden van de krater die ‘Zwerm’ sloeg en graaft ‘m zelfs nog dieper uit. Al lijkt hij wél te suggereren dat verhalen troost kunnen bieden: ‘Omdat, als het mogelijk is sterren te zien die er niet meer zijn, het ook mogelijk is in verhalen te leven.’
Maar eerst moeten we het over ‘Julius Caesar’ hebben, het theaterstuk dat hij schreef en regisseerde voor NTGent.
‘Julius Caesar’ is geboren uit mijn fascinatie voor Barack Obama. En uit de ontroering die ik – en met mij vele miljoenen – voelde toen die zijn overwinningsspeech gaf. Dat gevoel van: godverdomme, zou het dan toch mogelijk zijn? Eindelijk gloorde er weer hoop aan de einder! Tegelijk begon in mijn achterhoofd weer dat relativerende stemmetje te zeuren: ‘Je weet dat die speech ook maar een fabricatie is? Dat hij ‘m tot in de puntjes gerepeteerd heeft? En dat hij ‘m gewoon afleest van een teleprompter?’ Tuurlijk wist ik dat, maar dat neemt niet weg dat het een meesterwerk is: mooi en gewiekst tegelijk.
De tekst volgde bijna slaafs de wetten van de retorica: hij verwees naar klassieke voorbeelden en werd telkens op het perfecte moment geïnjecteerd met citaten uit de recente geschiedenis. Iets waar je als schrijver meteen stikjaloers op bent. Maar als je al eens wat andere speeches hebt gelezen – van Cicero tot Hitler – valt op dat er dezelfde rode draad door loopt: álle Grote Leiders spiegelden hun toehoorders een betere, meer rechtvaardige wereld voor. Oké, in de toespraken van Hitler zit geen greintje mededogen, omdat hij dat eenvoudigweg niet kende. Maar hij gebruikt wel krek dezelfde trucs als de grote verzoeners Gandhi, Martin Luther King en nu ook Obama.
Caesar is een beetje een geval apart. Hij stamde uit een oud adellijk geslacht, maar probeerde uit plat opportunisme in de gunst van het volk te komen. Hij pleegde geen staatsgreep maar installeerde wel een dictatuur, slinks en met de goedkeuring van het volk. En dat is in de hedendaagse politiek eigenlijk niet anders. Kijk maar naar wat Geert Wilders probeert te bereiken in Nederland.
Het hier en nu resoneert wel mee in je tekst, maar ‘t is geen sleutelstuk over de politiek anno 2010.
Nee, dat wilde ik niet. De citaten van Herman Van Rompuy staan dus gewoon broederlijk naast die van Gandhi en Himmler (grijnst). Misschien hadden we van ‘Julius Caesar’ een experimentele quiz kunnen maken: dat het publiek bordjes met de namen Gandhi, Himmler, Van Rompuy enzovoort krijgt en moet raden welke uitspraak uit welke mond komt. Niet makkelijk hoor, want niet één citaat in mijn stuk wordt uitgesproken door degene die het ooit als eerste uitsprak.
Heb je de tekst laten nalezen door de Vlaamse Caesar-kenner Bart De Wever?
Nee, maar ik weet zeker dat hij het met een pak stellingen roerend eens zou zijn. Dat is niet eens een verwijt: ik was het hier en daar óók roerend eens met mijn hoofdpersonage.
Waar dan?
Dat de hervorming van de maatschappij helemaal geen nieuwe mensen van ons zal maken, zoals we doorgaans aannemen. Als ik een zin als ‘Het zijn alleen morele veranderingen die van ons een nieuwe mens zullen maken’ herlees, denk ik: juist!
De vraag is: hoe maak je in godsnaam werk van een nieuwe moraal? In ‘Zwerm’ citeer ik uit het laatste interview van Jacques Derrida met Lieven De Cauter, waarin Derrida pleit voor ‘messianiteit zonder messianisme’. Daarmee bedoelt hij dat de mensheid wel mag hopen op verbetering, maar eerst komaf zal moeten maken met het waanidee dat er ooit een verlosser zal opstaan. Als we onszelf wijsmaken dat Obama de langverwachte messias is en al onze hoop op hem projecteren, komt er van die betere wereld niks in huis. Maar blijkbaar is het sterker dan onszelf.
Enfin, een beetje verlosser dekt zich natuurlijk altijd in. Vandaar de slotregels van mijn stuk: ‘De droom is niet te groot voor jullie. Jullie zijn te klein voor de droom.’ Maar aan een droom die te groot is voor de mens zouden we niet eens mogen begínnen. Er zit niks anders op dan klein en pragmatisch te denken.
Een pragmatische bedenking dan: je hoeft Obama toch niet als de Grote Verlosser te zien om te weten dat de wereld beter af is met hem dan met George W. Bush? Die deed me steevast denken aan dat nummer van Grandaddy: ‘He’s Simple, He’s Dumb, He’s the Pilot’.
Ik ben al meermaals steil achterover gevallen van de imbeciliteit van veel politici uit binnen- en buitenland: natuurlijk is Obama dan een verademing. Maar ik stel mezelf wel eens de vraag of we toch niet beter af zijn met een dommige politicus dan met een razend intelligente verlichte despoot.»
Zo één die doodleuk verklaart: ‘De geschiedenis zal zich niet herinneren of Caesar goed geslapen heeft, maar wel wat Caesar heeft gedaan.’
Exact. Komt trouwens létterlijk uit de biografie van Himmler. Zijn lijfarts raadde ‘m aan om het wat rustiger aan te doen, maar daar wilde hij niet van weten. Daaraan herken je de ware idealist, zeker?
Mijn oor!
We hebben het nu de hele tijd over de tekst, maar ook regie en scenografie van ‘Julius Caesar’ zijn van jouw hand. Beetje tevreden?
Het is helemaal geworden wat ik voor ogen had, ja. De reacties lopen nogal uiteen, maar dat verbaast me niks. Of ik nu theater of literatuur maak, er zullen altijd mensen zijn die het resultaat per definitie moeilijk of hermetisch vinden.
Ik neem aan dat je ‘t daar naar goede gewoonte niet mee eens bent?
Zeker, en dit keer méén ik het zelfs. Ik begrijp het wel als toeschouwers niet meteen helemaal mee zijn, want we doen niet wat het doorsneepubliek van ons verwacht. Om te beginnen serveren we allesbehalve een groots spektakel: een onheilspellend draaiende centrifuge en één podiumlamp, daar moet je het mee doen. Er zijn ook geen momenten die de zogenaamde gulle lach triggeren. Ja, het fragment over huwelijkswetten is behoorlijk van de pot gerukt, maar de sinistere grap is dat die passage uit het partijprogramma van Himmler komt. Wie verwacht meegesleept te zullen worden door een afgelijnd verhaal dat je iets vertelt over het leven, zal bedrogen uitkomen. En wie getroost wil worden nog meer: catharsis, mijn oor! Maar als je het over een dictatuur hebt, dan kan je toch niet zomaar de ene crowdpleaser na de andere afvuren? De toeschouwer moet als het ware gedwongen worden om anders te kijken en te luisteren dan hij gewend is.
Maar we komen het publiek ook tegemoet. De acteurs brengen de tekst zonder veel franje: Aus Greidanus Jr., die Caesar speelt, zit niet te fluisteren of te mompelen, maar is gewoon duidelijk verstaanbaar. En de voorstelling duurt ook maar een uurtje: zó lang hoef je die staat van opperste concentratie dus niet vol te houden.
Doordat er op het podium zo weinig gebeurt, hou je een heel zuiver maar enorm fragiel stuk over. Er hoeft maar één toeschouwer met tuberculose in de zaal te zitten en ‘t is om zeep. Maar dat is net wat me zo boeit aan theater: die magie van nu-of-nooit, de kans dat het ook compleet kan mislukken. Wat de acteurs in ‘Julius Caesar’ doen zou ik nooit durven. Ze weten dat ze afgemaakt kunnen worden.
Maar daar steek jij als een goeie huisvader een stokje voor: in de voorstelling die ik bijwoonde, legde je een kletsende puber sissend het zwijgen op.
Ja zeg, ‘t is toch ontzettend dwaas van leerkrachten om hun klassen te verplichten hun zaterdagavond in het theater door te brengen? Dat dóé je niet. Maar áls zo’n leerling dan komt, moet-ie niet al na dertig seconden achteroverleunen en de ervaring voor anderen verknallen. Het kan best zijn dat het stuk niks voor jou is, maar geef het op zijn minst een kans. Of stap desnoods op, doe een dutje of vul in stilte het klusjeslijstje in je hoofd aan.
Wat kan ik daar verder nog over zeggen? Dat die gast brute pech had dat ik vlakbij op de loer lag? (lacht)
Het mannetje Peter
Sinds vorige week ligt ‘Huis van de aanrakingen’ in de winkel: 333 pagina’s dik, precies de helft van ‘Zwerm’. Alweer gezweet om dat cijfer te doen kloppen?
Integendeel: het was puur toeval. Destijds was het een geweldig gedoe om ervoor te zorgen dat ‘Zwerm’ exact 666 pagina’s telde, en daar had ik echt geen zin meer in. Toen de eerste zetproef van ‘Huis van de aanrakingen’ in mijn bus viel, bleek het lot me gewoon een handje te hebben geholpen.
De titel is heel anders dan we van je gewend zijn: een beetje Márquez-achtig.
Nogal Zuid-Amerikaans, hè? Ik heb dit keer heel lang over een goeie titel gepiekerd. Amper twaalf pagina’s gaan over dat huis van de aanrakingen, maar ‘t is een perfecte metafoor voor de roman. Ik had ook vijf aparte novelles kunnen maken, netjes gepresenteerd in één cassette. Ik kan de reacties al dromen: ‘O! Zo schoon!’ Maar door ze te vervlechten, door ze elkaar letterlijk te laten aanraken, zijn ze zoveel rijker geworden.
Om dat te bereiken, heb ik de verhalen wel hardhandig in elkaar moeten duwen. Daardoor is ‘Huis van de aanrakingen’ misschien niet makkelijk te verteren, maar dat moet je er dan maar bijnemen. Tegenwoordig lijkt het alsof er alleen nog maar boeken geschreven mogen worden die zich in één ruk laten uitlezen. Ik lees die boeken graag, hoor. Maar ze schrijven, dat laat ik liever aan anderen over.
In 2003 verwees je in Humo naar het gevaar dat elke schrijver bedreigt: ‘Voor je ‘t weet, word je een machine die zichzelf herhaalt.’ Met ‘Huis van de aanrakingen’ zet je alwéér een stap weg van je doorbraakroman ‘Tongkat’. Maar het oermateriaal van die roman heb je wel al een aantal keer gerecycleerd, onder andere voor ‘Memoires van een luipaard’ en ‘Zwellend fruit’.
Ik heb niet vier keer hetzelfde boek geschreven, hè. Sommige passages kwamen misschien letterlijk terug, maar in een andere context kregen ze een volledig nieuwe betekenis.
‘Zwerm’ was een eindpunt in mijn schrijverschap. Toen dat boek bij de drukker lag, heb ik even getwijfeld of ik niet gewoon moest doorgaan met schrijven: ik had voldoende materiaal voor nog zo’n turf en ik zat in een echte rush. Maar de reacties op ‘Zwerm’ – of beter: op mij – waren zo fel dat ik dacht: fuck, nu ram ik ze een klepper van 999 pagina’s door de strot! Gelukkig ben ik ook weer niet zó kinderachtig (lacht). Ik ben dan maar eerst aan een poëziebundel en een theaterstuk begonnen, en pas twee jaar later was ik klaar voor een nieuwe roman.
Enfin, voor ik daar écht aan kon beginnen, was het wachten geblazen. Geduld is het belangrijkste talent van een schrijver: er moet zich iets aandienen dat je meesleept en dat je dwingt om een tikje anders te schrijven dan voorheen. Ik wilde meer variatie in ‘Huis van de aanrakingen’ dan in pakweg ‘Tongkat’. De vertelstemmen in dat boek kwamen allemaal uit de kop van een mannetje dat Peter heette – zij spraken zoals ik dacht. Daar heb ik definitief komaf mee gemaakt.
Bond Zonder Naam
De belangrijkste stem in ‘Huis van de aanrakingen’ is die van Tomoko Kidman, een jonge archeologe uit New York. Met haar collega David Kennedy gaat ze in de Turkse woestijn graven in de aarde: ‘We leggen het patroon bloot, de stroom die er ooit liep, omdat we geloven dat er iets te lezen zal zijn wat helpt ons wezenlijke dingen te herinneren.’ Dat roept herinneringen op aan ‘De namen’ van Don DeLillo, waarin een risicoanalist en een archeoloog een sekte achterna reizen om hun geheime code te kraken.
Je méént het! Man, ik word bloednerveus van die onbedoelde overeenkomsten met DeLillo. Vooral omdat ik ‘m de grootste chroniqueur van ons tijdsgewricht vind, en nog stilistisch verbluffend ook. Ik moet je teleurstellen: ik heb ‘De namen’ echt niet gelezen. Maar ik ga het zeker doen.
Ik heb gewoon iets met archeologie. Ik heb nooit archeoloog willen worden, maar ik wou nu dat ik het als kind had wíllen worden. Dan was het er misschien van gekomen. Maandenlang op je knieën in een zinderende woestijn zitten graven en dan op iets stoten dat de geschiedenis van de mensheid in een ander daglicht stelt: ik word al lyrisch als ik er nog maar aan dénk.
Het verhaal van Tomoko heb ik pas op het laatst aan het boek toegevoegd. Eerder dan naar de fundamenten van de wereldgeschiedenis op zoek te gaan, delft ze naar haar eigen verleden. David Kennedy is een ander paar mouwen: uit de objecten die hij opgraaft leest hij hoe het gesteld is met onze maatschappij, en daarover zegt hij dingen die onmisbaar zijn voor het boek. Bijvoorbeeld: dat het Westen misschien wel de steen heeft gevonden waarop het oeralfabet staat, maar dat we er niet in slagen om de code te kraken. En dat we daar ongelofelijk angstig van worden. En ook: dat we verhalen opgraven. Altijd maar verhalen.
’Alsof onze geschiedenis zich alleen nog openbaart in de vorm van een Rubiks kubus, glanzende oppervlakken met onbenoembare mogelijkheden,’ zo verwoordt hij het. Maar een Rubiks kubus valt wel degelijk op te lossen. Uit die zin spreekt dan toch veeleer hoop?
Goed gezien, maar even verderop staat wel: ‘Angst, de eerste celdeling van de hoop.’ We móéten wel geloven dat we die kubus ooit kunnen oplossen, anders wordt het leven ondraaglijk. Maar hoe dieper we graven – alsmaar sneller en driftiger – hoe minder we begrijpen. En zo dijt het universum van de dingen die we niet begrijpen elke dag uit. Je kunt daar moedeloos van worden, maar zelf vind ik het eerder geruststellend. We moeten de willekeur te lijf gaan door verbanden te blijven leggen, bijvoorbeeld in verhalen, in het volle besef dat de mensen zich over pakweg honderd jaar ziek zullen lachen om onze naïviteit, net zoals wij dat nu doen met de wetenschap uit de middeleeuwen. Dat heet vooruitgang, meneer.
Coldplay-parodie
Via de verhalen van wereldreizigers als Jean-Baptiste Tavernier, een zeventiende-eeuwse traveller van wie een zesdelig dagboek met impressies is overgebleven, leg je ook de kern van de westerse ziel bloot. Zo zegt de Oost-Indische gouverneur Shaista Khan tegen hem: ‘Wat is die eenzaamheid van de westerling, die tegelijk de kracht lijkt die hem over bergen en door moerassen jaagt, van huis weg, altijd op zoek naar… Naar wat? Waarom zijn die westerlingen zo bang voor zichzelf, voor hun hoogstpersoonlijke synya?’
In de oosterse filosofie betekent synya zoveel als ‘leegte’, maar eigenlijk is het onvertaalbaar. In het Westen staat ‘leegte’ immers gelijk aan ‘niks’, ‘nul’. ‘Vermenigvuldig een getal met nul en wat je overhoudt is nul. Niets,’ zegt Tavernier in mijn boek. Waarop Shaista Khan: ‘Deel datzelfde getal door nul en wat je krijgt is oneindig.’
Met andere woorden: wij zien de leegte als een put, oosterlingen zien haar als een berg.
Precies. Je kan die twee werelden onmogelijk verzoenen. De personages in ‘Huis van de aanrakingen’ komen uit alle windrichtingen en hun verhalen spatten alle kanten uit, maar één ding hebben ze gemeen: ze komen allemaal thuis. Het staat er letterlijk: ‘Wat is thuis? Een verhaal met een begin, een midden en op het eind de laatste droom waar we ooit willen aanmeren.’ (Blaast) Klinkt nogal Bond Zonder Naam, hè, als ik het zo vertel.
Je doet er nog een schep bovenop door een tekstflard uit ‘To Build a Home’ van The Cinematic Orchestra te citeren: ‘This is a place where I don’t feel alone / This is a place that I call my home’. Sinds wanneer ben jij fan van…
Slechte Coldplay-parodieën? Geloof me: ik sta er zelf ook van te kijken (lacht). Zet dat nummer op en binnen een halve minuut druipt de honing van de muren, en toch heeft het een snaar bij me geraakt. De tekst sluit perfect aan bij de personages.
Ik heb lang gepiekerd over hoe ik in mijn boeken met ontroering moest omgaan. Vroeger was het simpel: ofwel schreef ik er met een grote boog omheen, ofwel liet ik zo’n zoeterig citaat volgen door een ander citaat waardoor de honing meteen zuur werd. Dit keer heb ik me kunnen inhouden – je mag ‘Huis van de aanrakingen’ beschouwen als mijn allereerste poging om gevoeliger te schrijven. Niet simpel, hoor. Voor je ‘t weet leg je het er te dik op en vragen lezers zich af of je misschien aandelen hebt in muurkranten met van die melige slogans.
Waarom wilde je dat uitgerekend nu doen?
De leeftijd, zeker? Ik heb de voorbije jaren ook een paar ingrijpende dingen meegemaakt, en die hebben misschien wel hun weerslag op de manier waarop ik tegen het leven aankijk.
’Sprakeloos’
e hebt nooit te koop gelopen met je autobiografie, maar in je laatste dichtbundel, ‘Nieuwe sterrenbeelden’, staan wel meer gedichten die naar je scheiding verwijzen. Alleen al de titels spreken boekdelen: ‘Continentendrift’, ‘Black Hole Sun’, ‘Crash Stills’.
Ik ben Leonard Nolens niet, hè. Heel indrukwekkend hoe hij leven en poëzie vermengt, maar toen ik zijn dagboeken las, kroop ik af en toe bijna onder tafel van gêne.
Zonder in detail te treden: ‘Nieuwe sterrenbeelden’ was een voorafschaduwing van wat komen ging. De turbulentie is begonnen toen die bundel al grotendeels klaar was. Natuurlijk zitten er flarden uit mijn eigen leven in, maar het is geen kroniek. Gedachten en gevoelens zijn al lang niet zuiver meer als ze op het papier belanden: ze nemen andere vormen aan.
Sinds ik met mijn vriendin samenwoon (steenkapster Maud Bekaert, met wie Verhelst samenwerkte voor de Poëziezomer in Watou, red.), besef ik pas goed hoe imponerend het moet zijn om met iemand te leven die voortdurend probeert om gevoelens – niet noodzakelijk de zijne, maar toch – in woorden te vatten. Probeer de schrijver maar eens los te koppelen van de mens die naast je aan de ontbijttafel of in de fauteuil zit. Omgekeerd is ook niet simpel: de mensen met wie je samenleeft, lezen als het ware voortdurend over je schouder mee. Ze kunnen je op elk moment tot de orde roepen: ‘Wat staat hier precies? Kun je dat eens even toelichten?’ (lacht) Ik weet alleen dat mijn nieuwe roman een ode is aan het leven en aan de liefde – en dat heeft dan natuurlijk wel weer met mijn leven te maken.
Die nieuwe gevoeligheid is het gevolg van de rust in mijn privéleven, maar evenveel van mijn theaterwerk, dat me dwingt om anders naar de dingen te kijken. Ik ben niet de enige: ‘Sprakeloos’ van Tom Lanoye had alleen geschreven kunnen worden door iemand die gepokt en gemazeld is in het theater.
Gaat het schrijven je met de jaren beter af, of blijft het zwoegen?
Geen idee. ‘t Wordt hoogstens wat lastiger om niet in herhaling te vallen. Maar anders dan vroeger lukt het me nu om naast het schrijven ook nog wat te léven. Vroeger kon ik met gemak twintig uur aan een stuk zitten werken – ‘Tongkat’ heeft me amper zes maanden gekost – maar ik heb geen zin meer om mezelf de vernieling in te schrijven. Los van de vaststelling dat ik het niet meer kán en zelfs niet meer wíl kunnen (lacht). Over ‘Huis van de aanrakingen’ heb ik twee jaar gedaan, en ook daarom is het een ander soort boek geworden. Weidser, veel minder monomaan.
Schrijven, eenzaam achter je laptop zitten tikken, blijft mijn ding. Het is een mengeling van luxe en toewijding en gêne – als ik op het einde van de dag niet verder ben gekomen dan één komma, bijvoorbeeld. Maar zo’n nieuwe wereld creëren geeft een geweldige boost: dat moment waarop je voelt dat alles in elkaar valt. Je gaat er echt belachelijke dingen door doen: in je auto stappen, loeihard Marilyn Manson opzetten en met je vuist door het raam gestoken naar Brugge rijden. En dan maar hopen dat je niemand tegenkomt die je kent.
Tijger eet mama
Sinds september 2009 ben je officieel stadsdichter van Gent, of liever: dromenvanger. Qué?
Ieder zijn stijl, zeker? In Antwerpen is de stadsdichter zo ongeveer in zijn eentje de ontzuurder van de stad, maar in Gent zou dat niet werken. Ik voel er ook weinig voor om zoals Erwin Mortier gedichten te schrijven over welbepaalde plekken in de stad, als een soort papieren geheugen. ‘t Leek me gewoon juist om mensen te vragen hun dromen op te schrijven. Het idee komt uit ‘Tongkat’: daarin zuigt de lijdensvanger het lijden van de mensen op, zodat zij ervan verlost zijn. Dat was dan weer een verwijzing naar de kluizenaars die zich in de middeleeuwen lieten inmetselen in de kathedraalmuur. Als kind fascineerde dat gegeven me enorm, ik ben nog in de kerk in Brugge gaan kijken hoe ze dat deden. Stiekem was het mijn droom om daar zélf ingemetseld te worden.
Hoe oud was je toen?
Twaalf (grinnikt).
Heb je al veel inzendingen gekregen? Of laat ik de vraag anders stellen: heb je al veel inzendingen gekregen waar je iets mee kunt?*
Valt best mee. Maar er moeten er nog meer komen. Hierbij een oproep aan alle Gentenaars!
Ik was wel onder de indruk van de inzendingen van de kinderen. Volwassenen proberen vooral hun literaire aspiraties te etaleren, maar kinderen zijn heel puur: ‘Ik droomde dat mijn mama aan het luilakken was. Papa kwam met een tijger aan. Papa zei iets tegen mama en mama zei: ‘Oké.’ De tijger at mama op.’ Geniaal, toch?
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: