Eigenzinnig met de stroom mee
Zijn pas verschenen biografie heet ‘De wereld als trommel’, en dat is de spijker op zijn kop. Slagwerker Han Bennink bespeelt alles wat hij onder handen krijgt, en werd zo in de jaren 1960 een pionier in de geïmproviseerde muziek.
Bennink staat op zijn oude dag, en tot zijn eigen grote verrassing, zo blijkt, weer volop in de belangstelling. In de weken voor zijn aantreden met The Ex op het ‘Follow The Sound’-improvisatiefestival in Antwerpen, werd hij werkelijk bestookt met persaandacht. Er verscheen dan ook onlangs een waanzinnig onderhoudende documentaire op dvd, evenals een geanimeerde biografie. We vermoedden dus al bij voorbaat dat er voldoende stof bij Bennink was te halen voor een goeie Bij_Voorbeeld. En hij overtreft de verwachtingen. Han Bennink vertelt zoals hij drumt, in een steeds verrassende stroom met constante tempowisselingen, omweggetjes en heerlijk irrelevante tussendoortjes, allemaal met evenveel charisma gebracht.
We zoeken hem op vóór zijn soundcheck in een loods net buiten Antwerpen. Hij zetelt zich met een pijp en een goed glas wijn in het nazomerzonnetje, en terwijl The Ex alras van leer trekt doen we hem de opzet van het interview uit de doeken.
We gaan gewoon een goed gesprek hebben over uw inspiratie, dat kan dus eender wat zijn. Ik heb geen vooropgesteld vragenlijstje bij me.
Bennink: “Nou, dat wordt gemakkelijk. Ik heb jaren gestotterd, en nu heb ik het idee dat ik zó veel ouwehoer, alsof ik het een beetje in moet halen. Dus kom maar op met die vragen van je!”
Congo Matadi
In de documentaire vertelt u al een beetje over uw eerste invloed. Uw vader was zelf muzikant, en hij nam u vaak mee naar concerten. U hebt van hem ook uw eerste drumsetje gekregen voor Sinterklaas. Speelde hij zelf jazz?
Bennink: “Nou, hij speelde wel jazz, maar het was geen jazzmuzikant. Daar kon je geen geld mee verdienen, hij was gewoon een eh… unterhaltungs-künstler. Hij speelde commerciële muziek op feestavonden, van die dingen. Maar in zijn vrije tijd had hij een jazzcombo. We spreken dan wel voor de oorlog, zo rond 1935. In die tijd was jazz voornamelijk bedoeld om op te dansen. Count Basie, Benny Goodman, Stan Kenton… soms speelden die jongens wel eens voor een zaal met mensen, denk maar aan Goodmans legendarische concert in Carnegie Hall, maar het was dus vooral feestmuziek. Mijn vader was eigenlijk een imitator van Goodman, ze noemden hem de ‘King of Swing van de Zaanstreek’. Hij was ontzettend muzikaal, als vijfjarig kind speelde hij al accordeon bij de kapper op zaterdagmorgen. Ik heb eigenlijk ontzettend veel geleerd door van hem af te kijken. Toen ik een jaar of twaalf was, ging ik vaak mee naar de studio. Ik was in die tijd ook nogal een geïsoleerde jongen. Ik heb toen menig partijtje al meegeklapt, of zitten trommelen op bongo’s of maracas. ‘Ophoue, we moeten gaan spelen’, riep-ie dan.”
Kon uw vader zich nog vinden in de muziek die u daarna zelf begon te maken?
Bennink: “Bijlange niet zeg. Stel je voor: hij kwam uit de studio na uren repeteren – en ze speelden ook altijd hetzelfde repertoire; het was zijn vaste job natuurlijk – en dan hoorde hij mij op zolder met Ornette Coleman meespelen. Daar begreep hij geen ene reet van. Hij is op den duur zelfs afgehaakt om met mij te spelen, en hij kwam ook niet meer naar mijn concerten kijken. Dat ging zijn pet te boven.”
Hoe hebt u eigenlijk de stap gezet naar een vrijere vorm van jazz?
Bennink: “Dat gebeurde gewoon. Ik ging naar de kunstschool, en daar was jazz heel erg ín. Op schoolavonden speelde dan Trio Pim Jacobs, dat was hip bij ons. Met Piet Noordijk of Herman Schoonderwalt… In die tijd was er trouwens ook Jacques Sels, een Belgische jazzsaxofonist, een Antwerpenaar! Een legendarische figuur hoor… Hij wilde in het wit begraven worden, net als de negers in New Orleans. Hij dealde ook wiet, achter de rug van zijn vrouw om. (Mijmert) Congo Matadi, zo noemde hij die wiet…”
Kijk eens aan, we krijgen zelfs wat Antwerpse folklore mee!
Bennink: (lacht) “Dus die groepen speelden op schoolfeestjes, en soms mocht ik wat meespelen op drums. En zoals ik al zei: ik was als puber een hevige stotteraar, maar die muziek gaf me wél een sociale positie op school. Dan zeiden ze ‘wow, hij kan wél drummen!’ En ook de meiden waren zo meer in mij geïnteresseerd.”
Ook niet onbelangrijk op die leeftijd.
Bennink: “Ik dacht het wel. Hallo!” (lachend) “Nog altijd trouwens.”
Maar zo zitten we nog steeds niet bij de free jazz.
Bennink: “Nou, ik luisterde altijd naar Michiel de Ruyter, een radio-dj bij de VARA. ‘s Zaterdagmiddags om twee uur. Daar hoorde ik voor het eerst Ornette Coleman, en ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Nou gaat het toch wel een beetje merkwaardig worden.’ En wat later zag ik voor het eerst Sunny Murray, ook in de VARA-studio. In 1964 was dat, met Albert Ayler, Don Cherry en Gary Peacock… Sunny speelde op een hele rare manier, met een stel breinaalden op een geleend drumstel. En hij zat te kwijlen, hij hield ook geen maat meer… voor mij was dat een soort afscheid aan het drummen. Ik vind: drums zijn uitgevonden om rhythms op te spelen, en dat hoeft dan toch niet op een welbepaalde manier te klinken? Ik geef vaak het voorbeeld: je kunt hem net zo goed in een hagelbui zetten met een contactmicrofoon erop, met de donder en bliksem erbij – daar een opname van maken, dat lijkt me een prachtig gehoor. Of je kunt er een kom groene erwten overheen strooien, en dat dan opnemen.”
Het is te beperkend om er per se met twee houten stokjes op te slaan?
Bennink: “Precies! Let op: ik hou ook wel een beetje van ‘dat andere’, en dat ben ik al die jaren ook wel blijven doen. Ik vind het ook heel leuk om in een bepaalde set-up heel straight te spelen.
Ik heb nu mijn eigen trio, na jaren muzikaal gehoereerd te hebben bij andere mensen. Ik moet eerlijk zeggen: ik kan er maar moeilijk aan wennen, om mijn eigen naam zo prominent vermeld te zien. De jongens waar ik daar mee speel beschouw ik bijna als m’n eigen kinderen. Zulke intelligente en hoogbegaafde muzikanten, en ze hebben een zelfde in- en uitgang als ik. Ik kan ook geen noten lezen, en daardoor geen composities schrijven, maar ik kan wel dingen herkennen die ik goed vind, en daarop inpikken. Zo kan het gebeuren dat we plots ‘tempo’ gaan spelen (in de maat, red), dat kunnen ze ook heel goed. Er gaat hun werkelijk geen zee te hoog. ‘Vrij’ is alleen maar een woord joh, er is alleen maar muziek. Maar ik wil dan wel álles gebruiken wat er is, ook bullshit. Alle kanten ervan. Een beetje zoals de collages die Kurt Schwitters maakte. Nog zo iemand die me waanzinnig heeft beïnvloed. Als hij er niet was geweest, had waarschijnlijk mijn kunst ook niet bestaan. Hij heeft ook de Oersonate geschreven (een dadaïstisch klankgedicht, red), in 1929 was dat al. Daarna is hij voor de nazi’s gevlucht naar een eiland in Noorwegen, en nog later naar Engeland. Zijn levenswerk was de ‘Merzbau’, een heel indrukwekkende ruimtelijke installatie – daar heeft hij verschillende versies van gemaakt, die telkens opnieuw werden vernield. Echt een ver-schrik-ke-lijk invloedrijke artiest.”
Singer Singer naaimasjien
Dus als ik het goed heb, bent u niet echt free jazz gaan spelen, u bent eerder…
Bennink: (maakt de zin af) “ik ben gewoon met de stroom meegegaan, ja hoor. Ik speelde nog met René Thomas (een virtuoze maar grotendeels vergeten Luikse jazzgitarist, red), en hij was de eerste die ‘Chippie’ en ‘Jayne’ speelde. Dat waren twee stukken van de plaat ‘Something Else’ van Ornette Coleman, waar Walter Norris piano op speelde, met Don Payne op bas en op drums Billy Higgins. We speelden die echt nog op akkoordenschema’s. René vond dat echt wel hele mooie stukken, die waren geënt op ‘What Is This Thing’ en ‘How High The Moon’ (jazz standards, red). Maar hij maakte zich in die tijd grote zorgen over de opkomst en de attentie van de free jazz, want hij kon daar niet echt in volgen. Ik moet zeggen: ik vond dat (benadrukt) zo’n-Ontzettend-Geweldige- Gitarist. Ik dank God op mijn blote knieën dat ik met hem heb gespeeld. (slaat de handen tegen zijn wangen) Mán! We hebben samen later ook nog met JR Monterose (Amerikaanse tenorsaxofonist, red) gespeeld, in Paradiso was dat. En dan achteraf ’s nachts met hem gaan biljarten in baancafés langs de snelweg… Ik heb hilarische momenten met hem beleefd. Maar free jazz kon-ie niet pruimen (lacht).”
Maar voor u was het een aha-erlebnis. Het was de vonk die de rest van uw carrière bepaald heeft.
Bennink: “Nou kijk, in de schilderkunst vind ik ook altijd het eerste werk… ik zal niet zeggen dat ik de roze en blauwe periode van Picasso zo interessant vindt, maar neem nou zijn eerste kubistische werk, met de invloed van Juan Gris. Of het begin van Karel Appel, of Joseph Beuys… Ik vind de eerste dingen op een stukje papier die ‘kunst’ mogen heten, die vind ik het allermooiste. Omdat het zo verschrikkelijk jong is. En naderhand wordt het… Natuurlijk, je werkt jarenlang verder en je krijgt een hele rugzak vol met allemaal mogelijkheden. Maar ik denk toch dat je opereert vanuit dat ene ding, en daaruit gaat putten om andere dingen uit te zoeken. Is dat een beetje het antwoord op je vraag? Ik heb wel geleerd dat er voor mij geen absoluut vrije muziek bestaat. Ik speel net zo geconcentreerd in vrije stukken als wanneer ik ‘tempo’ speel. In het laatste geval ligt het er niet zo dik op, maar het is voor mij altijd een beetje zweten, zelfs pijn lijden. Ik probeer het dan wél te laten klinken als ‘Singer Singer naaimasjien’, begrijp je. Het moet er makkelijk uitzien, maar voor degene die het doet… Je loopt geen wereldrecord op je gemakje, zoals Bolt, give me a fucking break, no way! Dus je gaat tot het uiterste. En je doet alles. Ik probeer nog steeds alle grenzen te verleggen.”
Maar wel met het vakmanschap dat u heeft opgedaan.
Bennink: “Nou ‘vakmanschap’, dan gaat het een beetje ruiken naar bijenwas, naar antiek. Ik hou wel van mooie schoenen, ik poets ze misschien vaker dan mijn tanden, maar voor de rest? Nee hoor, als ik speel, dan is er bloed aan de paal.”
En met alle respect: u houdt dat ook nog altijd vol.
Bennink: “Tja, het hangt natuurlijk van je gezondheid af, en dat weet je nooit. Ik heb ook de meeste aardappelen wel gegeten in m’n leven – alhoewel ik niet zo van aardappeleters hou, dat laat ik liever aan Vincent Van Gogh over. Je moet maar wat mazzel hebben in je leven. Je moet ook niet vergeten: ik heb vaak door nacht en ontij gereden, met sneeuw, met dronken chauffeurs. Soms hield ik mijn hart vast – ik had toch een gezin thuis, met een vrouw en drie kinderen.”
Luciferdoosje
Er zit in de documentaire ook een citaat in dat verband, Mick Thoomes (een curator, red) zegt op een zeker moment: ‘Als je hem op het podium ziet, is het moeilijk uit te leggen aan je buurman dat daar een heel bescheiden man zit.’ Wat ik me dan afvraag: bent u zo’n moment dan een acteur, of juist niet?
Bennink: “Kijk, ik heb altijd naast mijn vader op het podium gezeten. In die zin ben ik een podiumdier, want ik voel me totaal niét lekker als ik in een zaal moet zitten. Dan ga ik altijd op de buitenste stoeltjes zitten, achterin, zodat ik weg kan lopen. Op het podium kan ik een omheining rond me neer zetten, want daar heb ik mijn wapens. En de muziek heeft me zo verschrikkelijk ver gebracht… Weet je dat vroeger m’n broertje mee naar de winkel moest om de boodschappen te zeggen? Ik durfde echt niéts omdat ik zo stotterde. Maar met die muziek kom ik de hele wereld rond. En het mooie daarvan is: muziek blijkt dan toch een universele taal te zijn. Ik hoef mezelf uiteindelijk nooit te veranderen, of ik nou voor eskimo’s speel of hier in Antwerpen. Dat is toch geweldig. Maar een acteur? Ik acteer niet veel. Maar anderzijds, ik ben me er wel van bewust: als je op het podium gaat staan, ben je een performer, je gaat voor een publiek staan. En als je van het podium komt en tussen het publiek gaat zitten, ben je ook acteur. En evengoed als je in het publiek begint, en dan het podium opwandelt.”
Wat u tijdens een performance ook allemaal doet.
Bennink: (lacht) “Akkoord, maar ik doe dat ook wel om de akoestiek te veranderen. Het gaat me helemaal niet om de act hoor, ik vind het zelfs niet leuk om naar mezelf te kijken. Die vertrokken kop, en dat rood aangelopen gezicht… Ik heb het nou wel een keer gezien zeg! Dat gebeurt dus nooit bewust. Het kan best zijn dat ik het vanavond niet doe, maar dan moet je er van uitgaan dat de muziek niet loopt. Ik denk trouwens dat ik vanavond maar best achter m’n setje blijf zitten, want die jongens van The Ex zijn zo verschrikkelijk muzikaal, daar moet je bij blijven! Ik kan hoogstens een keer op de grond gaan zitten.
Wat ik met Misha (Mengelberg, red) vroeger had, dat je die hele zaal rondgaat, dat waren bijna dadaïstische voorstellingen. Dat interesseert me niet meer zo. Maar ik blijf vinden dat je op alles moet kunnen trommelen. Als er geen drumstel is, dan maak ik echt nog wel een hele avond vol op een stoel, hoor. Mijn droomwens is: met een leeg luciferdoosje en twee verbrande lucifers de mensen in extase brengen. Omdat je dan eigenlijk niets meer in handen hebt. Ik had vroeger zo’n gigántisch drumstel, en tegenwoordig ben ik nog alleen maar aan ’t reduceren. In de beperking toont zich de meester.”
Ik dacht eigenlijk dat u gewoon niet meer genoeg had aan een drumstel.
Bennink: (lacht) “Een drumstel vind ik eigenlijk tamelijk saai. Als ik alleen nog maar een stoel pak en erop speel vind ik het al leuker, ook voor het publiek, want daar speel je toch voor. Er zijn lui die zo’n houding bestempelen als ‘commercieel’… wat nou, m’n reet commercieel! Alsof andere muzikanten niét zouden weten dat ze komen spelen voor een publiek. Van die snobistische kunstenaars, dat is toch waanzinnig? Je bent gewoon artiest, en in dat opzicht ben je net zo’n kwijlebal als Marco Borsato. Of Bobbejaan Schoepen. Het is gewoon andere muziek voor een ander publiek. Leeft hij nog, Bobbejaan?”
Ja hoor! Hij heeft zelfs onlangs een comeback gemaakt à la Johnny Cash.
Bennink: “Ik heb hem wel gezien vroeger. Bij de AVRO trad hij op in een variétéprogramma, dat heette toen de ‘Bonte Dinsdagavondtrein’. Heel vaak gezien, die Schoepen… Ik zou eens een duetje met hem moeten spelen joh.”
Paars en Oranje
Op het moment dat u met Mengelberg en Willem Breuker opgang maakte in de muziek, was er een vergelijkbare ontwikkeling aan de gang in de literatuur. Had u daar enige voeling mee?
Bennink: “Nou, er was iets in Nederland waar ik toch wel grote vraagtekens bij had, en dat heette ‘jazz and poetry’. Dat werd geïntroduceerd door een zwarte Amerikaan met de naam Ted Joans, en die zei altijd ‘Jazz is my religion’. Simon Vinkenoog en Johnny the Selfkicker (Johnny van Doorn, red) zijn dat toen ook gaan doen. Mensen als Lucebert – heb ik héél goed gekend –, die luisterden naar jazz en maakten daar dan gedichten over. Maar die jongens gingen echt voordragen aan een microfoon, met daarachter een jazzspelende ritmesectie. Misha en ik hebben dat ook nog gedaan, maar ik had er niks mee. Ik vind: je hebt jazz of poetry. Zo ben ik nu eenmaal. Ik heb bijvoorbeeld een mobiele telefoon. Nou ben ik er maar net achter, na zeer lange tijd, dat ik daarmee ook foto’s kan maken. Maar dáár koop ik toch geen telefoon voor! Ik ga toch ook niet met een camera telefoneren, wat is dat nou voor waanzin. Ik heb ook niets met computers, ik doe niet aan internet. Ik schijn wel een website te hebben, en op YouTube schijnt ook veel te zien te zijn… Eigenlijk is er dus ook informatie genoeg. Waar lullen we eigenlijk over!”(lacht)
Nochtans bent u volop multifunctioneel. Zo maakt u naast muziek ook beeldende kunst.
Bennink: “Ze zeggen wel ‘je dient twee meesters’, en dat mag dan wel zo zijn in het calvinistische bestel wat ze hebben uitgevonden, maar ik heb ook al heel mooie collages van Hugo Claus gezien. Of prachtige naaktfoto’s van Louis Paul Boon. En wat een verschrikkelijk goeie schrijvers waren dat niet. Die hadden ze godverdomme al lang de Nobelprijs moeten geven. Dus uit één geest komt dat allemaal voort, maar in de markt krijgt het één iets meer waarde dan het ander. Ik zou best wel eens een tijdje willen thuiszitten om iets anders dan muziek te doen. Want je komt, je geeft je bonsaiboompje water, je betaalt de rekeningen die zich hebben opgehoopt, en dan moet je alweer weg. Mijn optredens zorgen wel voor het grootste deel van mijn inkomen, maar ach, ik trek wel van Drees.”
Excuseer?
Bennink: “Ja, dat kennen jullie niet! We hadden in Nederland een minister, Willem Drees. Dat was een socialist. Hij vond dat iedereen boven de 65 een uitkering moest hebben, en die bestaat nog steeds. Dat noemen we dus ‘trekken van Drees’. Ik kom uit een zeer socialistisch milieu. We waren absoluut niet paaps. Dat zijn meteen de kleuren die ik het meeste haat: paars en oranje. (Roept) En ja hoor, die kutbiografie, sorry, maar die is in het paars en oranje gedrukt. ’t Zou beter opvallen in de schappen of zoiets. Maar wat mij betreft hebben ze hun kans gemist.”
En toch kunnen we hem aan iedereen aanraden.
Op www.gonzocircus.com kun je de recensie lezen van het boek en de dvd.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: