Felix van Groeningen: “In Dagen zonder lief ging het over vrienden en over de dertig naderen, terwijl het hier gaat over familie en afkomst. En dat is eigenlijk nog veel fundamenteler.”
Van de gelijknamige en deels autobiografische succesroman van Dimitri Verhulst heeft Felix van Groeningen een erg ruige maar ook komische en exuberante tranche de vie van het marginale Vlaamse dorpsleven gemaakt, waarin een schrijver terugblikt op zijn toch wel erg turbulente, door de alcoholdampen van vader en nonkels overheerste jeugd in het dorp Reetverdegem.
Dit is jouw eerste boekverfilming, want Steve+Sky uit 2004 en Dagen zonder lief uit 2007 waren allebei
originele scenario”s.
Van Groeningen: “Maar mensen moeten toch niet weten dat De helaasheid der dingen ook een boek is. (lacht) Die beslissing dateert al van een hele tijd terug. Na Steve+Sky had ik het gevoel dat ik helemaal van nul moest herbeginnen en ik vond dat echt lastig. Dirk (Impens, de producent, JT) had mij al eerder gezegd dat ik tijdens het maken van een film al over het volgende project moest beginnen na te denken. Dus nog vóór ik Dagen zonder lief begon te draaien, ben ik al op zoek gegaan naar mijn derde film. Ik was toen als acteur bezig met de toneelvoorstelling Aalst (waarvoor Dimitri Verhulst delen van de theatertekst geschreven had, JT) en ik had al met Dimitri gesproken over een eventuele samenwerking. Ik heb dan ook zijn boeken gelezen met het idee dat daarin misschien wel een film zat. Toen ik De helaasheid der dingen uit had, bleek dat inderdaad zo te zijn. Voor mijn derde film had ik ook wel zin om iets verder van mezelf weg te gaan. Maar een boek verfilmen, zeker als je het écht goed vindt, is superfijn om te doen. Je kunt altijd op iets terugvallen.”
Tijdens het draaien van die derde film heb je dus ook al beslist wat het
volgende project wordt?
“Euh… nu ligt het eigenlijk weer volledig open. Wat ik wou voorkomen is mij nu wel overkomen: dat ik nog niet weet wat mijn volgende film wordt. Samen met Dirk (Impens, JT) ben ik een tijdje bezig geweest met het plan om De bende van Jan De Lichte van Louis Paul Boon te verfilmen, maar inmiddels is dat geëvolueerd in de richting van een televisieproject en ik ben daar eigenlijk uitgestapt. Door wat mij nu overkomen is met De helaasheid der dingen heb ik mij gerealiseerd dat ik toch vooral zin heb om een nieuwe bioscoopfilm te maken. Er is van alles mogelijk en dat verwart mij ook een beetje. (lacht) Maar ik ga rustig mijn tijd nemen om te kiezen. Ik lees allerlei boeken, maar misschien begin ik opnieuw van nul een scenario te schrijven. Ik weet het nog niet.”
De wereldpremière in Cannes bleek meteen een schot in de roos. Had je dat verwacht?
“Dat heeft mij wel wat overrompeld, maar tegelijk was dat wel iets waarop ik hoopte. Dat mijn vorige films niet echt in het buitenland geraakt zijn, vond ik erg jammer. Maar dat heeft mij niet weerhouden om opnieuw te kiezen voor iets heel Vlaams. Zelfs iets vuilers of iets harders. (lacht) Enerzijds heeft de goede ontvangst in het buitenland mij dus verbaasd, maar anderzijds was dat ook wel onze betrachting, want we hebben keihard aan de film gewerkt.”
Op de set van Dagen zonder lief liepen de crewleden rond in een T-shirt met de slogan “Al mijn vrienden zijn klootzakken”, wat toen zo”n beetje als ondertitel van de film fungeerde. Bij De helaasheid had een T-shirt met het opschrift “Mijn familie is een bende klootzakken” ook wel gekund.
“Eigenlijk wou ik een T-shirt met “Mijn moeder is een hoer, madam”, maar niemand zag dat zitten. (lacht) Ik wou dat echt, maar mensen dachten: “Dat gaat niemand dragen!” Ik vind dat één van de heftigste zinnen uit het boek en het zit ook in de film. Zo”n uitspraak klinkt wel gênant, maar De helaasheid der dingen zit vol van die dingen, in het kwadraat. In Dagen zonder lief ging het over vrienden en over de dertig naderen, terwijl het hier gaat over familie en afkomst. En dat is eigenlijk nog veel fundamenteler.”
Enig idee hoe de familie Verhulst op de film zal reageren?
“Ik heb met een aantal mensen van de familie Verhulst contact gehad omdat ik ze op voorhand wou uitnodigen op een screening. Ik vond dat gewoon fair, want ze zullen er sowieso op aangesproken worden. Een aantal van hen is daarop ingegaan, maar niet de directe familieleden. Die willen er eigenlijk niks mee te maken hebben. Voor de film hebben we, op vraag van Dimitri, de namen veranderd en ik heb er ook nog fictie aan toegevoegd, dus eigenlijk is het niet echt meer dat autobiografische verhaal van Dimitri.”
In het boek klinkt veel tristesse en bitterheid door in de manier waarop de inmiddels schrijver geworden Gunther terugblikt op zijn jeugd in Reetverdegem. Maar in de film blijkt de jonge Gunther zich toch ook best te amuseren.
“Ik moet dat een beetje nuanceren. In het begin maakt Gunther zeker deel uit van die bende en is hij daar inderdaad redelijk gelukkig. In het boek spreekt de schrijver ook altijd over “wij” en niet over “ik”. Als kleine jongen vond Gunther dat wel een fijne plek. Ik kon mij dat ook goed voorstellen. Als kleine jongen trok ik zelf ook veel op met mijn oudere broer en mijn neven, die een jaar of vijf, zes ouder waren. Mijn familiale situatie was totáál anders, maar dat gevoel van die kleine tussen die oudere gasten herkende ik wel. En dat heb ik echt wel uit het boek gehaald. Maar dan komen er in De helaasheid meer en meer signalen van buitenaf dat die plek toch niet zo oké is en blijkbaar is Gunther slim genoeg om daar iets mee te doen. Maar uiteindelijk is het ook zeer pijnlijk voor hem. Naar het einde van de film zie je ook meer en meer een eenzame jongen, zeker op het moment dat hij moet vertrekken uit dat gezin.”
Dit is jouw derde film en ook de derde keer dat je met cameraman Ruben Impens samenwerkt.
“Het is ook mijn derde film met Dirk en met Nico (Leunen, de monteur, JT). Samenvormen we intussen zo”n hecht team dat ik denk dat het nog wel even zal meegaan. De samenwerking wordt alleen maar vlotter en ik heb het gevoel dat we ook betere dingen doen. Deze film hebben we ook weer voor een groot deel uit de hand gedraaid. Wat aan Ruben zo fantastisch is, is dat ik hem volledig vertrouw. Hij is ook niet bang om risico”s te nemen. En hij begrijpt mijn manier van draaien: dat ik veel met de acteurs wil bezig zijn, dat ik veel wil draaien en veel wil uitproberen. Ruben is al bij de repetities betrokken en hij mengt zich ook echt in het plaatsen van een scène in een bepaalde ruimte. Voor een regisseur is het misschien niet vanzelfsprekend om dat toe te laten, maar met Ruben klikt het gewoon. Als er iets is wat hij niet zo goed vindt, zal hij dat ook zeggen.”
Hoe was het om als regisseur al die vecht- en zuippartijen niet alleen te ensceneren, maar ook onder controle te houden?
“Alles is eigenlijk vrij vlot gegaan. De grote chaotische scènes hadden zeer veel energie en waren gewoon superleuk om te doen. De hele Roy Orbisonsequentie, die vrij lang was, hebben we in één avond en nacht opgenomen. We hebben die scènes waanzinnig veel herdaan en die gasten bleven maar gaan. Ik heb daar absoluut niet hard aan moeten sleuren. Het had een ongelooflijke vaart en iedereen had er zin in. Ik heb enorm veel gekregen van de acteurs, en dan is het niet zo moeilijk voor een regisseur. Af en toe een beetje intomen en proberen de energie te verdelen over de vele takes. De meeste van de zuipscènes hebben we bewaard voor het einde van de shoot en we hebben daar allemaal naar uitgekeken. Het was alsof de gekste scènes allemaal op het einde van de draaiperiode gepland waren. Chaotisch vaak, maar daar zijn wel heel leuke dingen uitgekomen. (lacht) Het moeilijkste waren de echt agressieve scènes en die zullen mij altijd het meeste bijblijven. Het was heel heftig, maar we wilden iets heel straf maken, dus we zijn daar ver in gegaan. Als Koen De Graeve zijn zoon, die dan nog gespeeld wordt door een veertienjarige jongen, bij de keel grijpt en op hem begint te slaan, ook al is dat in werkelijkheid naast hem op een kussen, en die gast moet dan “Nee, papa, nee!” schreeuwen, dan is dat heel emotioneel. Erg heftig. Zo”n scène werkt op het scherm, denk ik, maar als je dat aan het draaien bent, is het nog tien keer hettiger. En iedereen van de ploeg voelt dat.”
Het klinkt in ieder geval moeilijker dan een vrijscène regisseren.
“Och, vrijscènes. Ja, je moet over een zekere gêne geraken. Maar ik heb er helemaal geen problemen meer mee om mensen te vragen hun kleren uit te doen en er gewoon voor te gaan. Bij vrijscènes sta ik achter de camera “Go! Go! Go!” te roepen om te maken dat de mensen niet meer gegeneerd zouden zijn, alhoewel ik mij afvraag of het zoveel helpt. (lacht)”
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: