De oorsprong van mijn werkzaamheden als beeldend kunstenaar ligt in 1998. Ik had mijn jarenlange jazz-avonturen vaarwel gezegd en besloot een aantal klankinstallaties te bouwen. De aanleiding voor deze werken was de ontdekking dat veel mensen schijnbaar geen onderscheid (meer) konden maken tussen een akoestisch geproduceerd geluid en een reproductie via luidsprekers. Door beide typen geluid in ondoorzichtige maar geluidsdoorlatende witte zuilen te verpakken, verplichtte ik het publiek een auditief onderscheid te maken.
Ondanks de overwegend goede reacties op deze werken, realiseerde ik me dat ze teveel inspeelden op menselijke tekortkomingen (al dan niet als gevolg van onze welvaart). Ik wilde vooral (vergeten) schoonheden laten zien, i.p.v. te hameren op allerlei gebreken. De voorliefde voor zowel akoestisch als elektronisch geluid bleef. Ik besloot echter evenveel aandacht aan het visuele als aan het auditieve aspect te besteden. In deze periode duidde ik mijn werk eigenlijk niet meer als klankinstallaties aan, maar als installaties waar geluid een onderdeel van vormde. Een en ander verwoordde ik toen in de volgende tekst:
De afgelopen jaren heeft installatiekunstenaar Bram Vreven het gegeven klank een steeds wisselende functie toegekend. Geluid is afwezig waar je het verwacht, lijkt in ander werk toevallig te verschijnen en kruipt vervolgens waar het niet gaan kan. Toch is Vreven geen klankkunstenaar in de traditionele zin van het woord. Wat klinkt is niet hét doel. De strakke visuele componenten in zijn werk zijn minstens even belangrijk, net als het element beweging, die niet zelden het zicht- en hoorbare op een eigen-zinnige, bijna choreografische manier met elkaar verbindt.
Het woord choreografie was gevallen. Het ordenen van bewegingen volgens al dan niet vastgelegde patronen. Wie ooit een hedendaags dansstuk zonder muziek heeft gezien begrijpt dat dans tegelijkertijd muziek ìs. Ook al valt er niets te horen, de dansbewegingen genereren hun eigen muziek. Op dezelfde manier neemt beweging een centrale rol in mijn werk in. Bij de serie Vloei – Flow komt dat principe duidelijk naar voren. In deze werken worden gelijke hoeveelheden water aan nauwkeurig gecontroleerde bewegings processen blootgesteld. Vanuit de stilte ontstaat een enorme diversiteit aan vloeipatronen, golven en stromingen. Hierbij stelt zich tevens de vraag in welke mate de “vloeiweg” reproduceerbaar is. Valt die ene mooie rimpeling nog een keertje over te doen? En zo ja, in welke mate is deze dan identiek aan zijn voorganger?
De uitdaging die aan de basis ligt van mijn meest recente installatie Rays, was de vraag of ik ook zonder de aanwezigheid van organische substanties natuurlijk aandoende bewegingen kon creëren. In de installatie pivoteren zes mat-zwarte rubberen stroken, opgespannen tussen twee schijven, naast elkaar om hun as. Op dit werk is een oude, maar steeds weer terugkerend uitspraak misschien wel het meest van toepassing: “Bram Vreven vermenigvuldigt eenvoud met zichzelf”, waarbij zichzelf zowel op eenvoud als op me-zelf kan slaan. Eenvoud en orde vormen mijn uitgangspunten, tot ik door vermenigvuldiging bij (chaotische) complexiteit uitkom.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: