Met de bijl in huis. Aanhalingstekens openen: Wat is de kracht van woorden toch watjes-achtig, in vergelijking met de werkelijkheid. Iemand leest een boek. Iemand schrijft misschien een boek. En tegelijkertijd worden er tanden uit de mond geslagen, geslachtsdelen verminkt, mensen, dieren afgemaakt op de meest gruwelijke en tegelijk prozaïsche wijze. Laat ik er dit van zeggen: het proza van het leven stoort zich niet aan vormkwesties, aan stijl, betekenis en esthetiek. Het reële, dagelijkse proza wordt beheerst door de taal van het geweld. De hele twintigste eeuw: een honderdjarige slachtpartij, waarin nu weer eens de gaskamer, dan de goelagarchipel, of de gewone huis-tuin-en-keukenvolkerenmoord de hoofdrol opeist. Je weet wel, die handmatig-knusse, met echte machetes en springlevend, spuitend bloed.
En wat doen ondertussen de lezers, wat doen de schrijvers? Ze zoeken naar de eenheid van vorm en stijl, ze discussiëren over mogelijke interpretaties, ze herlezen Thomas Mann voor de derde keer, zo’n rake sfeertekening van wat met Hitler definitief verloren ging. De schrijvers breken, nee… geen benen, dat laten ze over aan hun leeftijdsgenoten met een sterker gestel, ze breken zich het hoofd over de vorm waarin ze die gebroken benen, die verminkte bekken eens zullen vangen. Het derde hoofdstuk moet wel aansluiten bij het vierde. En het binnenrijm tussen hoofdstuk twee en acht, is dat niet te uitgesproken, te expliciet?
Wat wij nodig hebben is een literatuur die op zijn minst de ontzagwekkende omvang heeft van het echte leven – een literatuur die een al even ontzagwekkende chaos achterlaat, een landschap vol wastelands, vreemde verlaten plekken, die nergens toe dienen en er toch zijn.
Alles is beter dan die mussen, die een voor een functioneel van het dak vallen. Als er gevallen wordt, dan ook goed, dan ook ordeloos en met hele zwermen tegelijk. Massa’s mensen die verdwijnen in een afgrond van papier.
Anders hoeft het niet – het lezen, het schrijven. Anders: laat maar. Ga trouwen. Neem kinderen. Neem heroïne, neem een hond. Maar val me niet lastig met het kleine meesterwerk, de keurig afgeronde roman, het kleinood dat past op het betere nachtkastje.
Aanhalingstekens sluiten.
De definitieve anti-roman
Het valt nog te bezien of Roberto Bolaño bekend was met de uitspraak van W.F. Hermans, dat in een goede roman er nog geen mus van het dak mag vallen zonder gevolgen, maar verder ben ik ervan overtuigd dat de schrijver van 2666 zo geklonken moet hebben.
Ik durf die woorden ook in zijn mond te leggen omdat Bolaño er niet meer is om me tegen te spreken: gestorven in 2003, vlak voordat hij zijn magnum opus 2666 kon voltooien. Aan een leverkwaal, trouwens. Beetje negentiende-eeuws, schiet me te binnen, voor iemand die zo geobsedeerd was door de twintigste.
Dat boek van hem, postuum voltooid en verschenen, is al bestempeld als ‘de eerste grote roman van de eenentwintigste eeuw’. Misschien moet je eerlijk zijn en zeggen: de laatste grote roman van de eenentwintigste eeuw. Want dit werk van Bolaño is zo megalomaan, en tegelijkertijd zo’n gigantische mislukking, dat we alleen aan Richard Wagner kunnen denken, en de laatste stuiptrekkingen van de negentiende-eeuwse opera. Ik althans kan me na Bolaño geen roman meer voorstellen die met dezelfde koppigheid zozeer geen roman wil zijn als deze letterlijk verscheurde roman. Dit is een eindpunt, dit is een laatste rochel, de definitieve anti-roman.
Het is waanzin om een poging te ondernemen om een boek van 1070 pagina’s samen te vatten. Ik ga dat ook niet doen. Het boek is al de jongste societyloot in de literaire wereld.
Dit is alles wat u moet weten: het hoofdpersonage van deze roman is een stad, Santa Teresa in Noord-Mexico, waar aan de lopende band – op industriële wijze, mag je zeggen – meisjes en vrouwen verdwijnen, om vervolgens verminkt en vermoord teruggevonden te worden. Hoe, waarom, daders, motief? Het blijft ook na lezing van die 1070 pagina’s een raadsel. (Santa Teresa, zeggen recensenten, is in werkelijkheid Cuidad Juárez, ook gelegen in het noorden van Mexico, waar al even bloedige praktijken plaatsvinden. Ik geloof dat niet. Ciudad Juárez bestaat al. Santa Teresa moest bestaan, vond Bolaño: dat is het verschil.)
Opvallend is dat de auteur net zo willekeurig en achteloos omspringt met zijn karakters als de moordenaar of moordenaars in het boek met de slachtoffers. Hij wekt honderden mensen tot leven op papier, om ze vervolgens na een pagina of vier, of veertien, pats boem te laten vallen. Hier is een schrijver/seriemoordenaar aan het werk, die op papier doet wat zijn collega’s in slecht verlichte kelders bewerkstelligen.
Zichtbare mislukking
Deze megaroman kent vijf hoofdstukken met titels als: ‘Het deel van de critici’, of ‘Het deel van de misdaden’. Dat zijn titels die doen denken aan afleveringen van Friends of Frazier – aan Amerikaanse sitcoms, waarin het verhaal voor de kijker bij aanvang even bondig wordt samengevat.
Bolaño heeft nog meer van de tv afgekeken. Hij laat die hoofdstukken tamelijk willekeurig aflopen, als jeeps die per ongeluk in het woestijnzand vast komen te zitten. Het zijn slecht gelukte cliffhangers, die voorlopige eindes. Ze maken wel nieuwsgierig, maar krijgen geen vervolg. Want dan begint weer een nieuw hoofdstuk, met geheel andere personages, een ander verhaal, een andere sfeer. Zo worden er vijf cirkels getrokken die elkaar niet of nauwelijks raken – of het zou al moeten zijn dat in alle vijf de stad Santa Teresa voorkomt.
Verschillende verhalen die elkaar niet of nauwelijks raken. Dit procedé van de ontbrekende schakel kennen we inmiddels van de film: Short Cut, Crash, Babel, The Hours. We kennen het ook uit de literatuur: Cloud Atlas van David Mitchell is misschien wel het meest geslaagde voorbeeld.
Maar in alle eerlijkheid: in de bioscoop, op het grote doek werkt het idee het best. Beeld is een sterkere componentenlijm dan het woord, het ongelijksoortige kan door de camera makkelijker de schijn van verbondenheid krijgen, dan door de pen of door Word. Schrijven is tenslotte beschrijven, en maar hopen dat in de descriptie de verbeelding een woordje meespreekt. Beeld is veel directer, en ondertitels zijn facultatief.
Dat moet ook Bolaño geweten hebben, en juist daarom moest zijn project per se een prozawerk worden. Dan was de kans op de zichtbare mislukking het grootst.
De man is vijftig geworden en heeft nog de punkperiode meegemaakt, waarin alles wat de illusie wekte van heelheid of lieve vrede kapot moest, dwangmatig. Een oor was niet af als er niet een gat of een snee in dat oor zat. Een liefdesliedje moest schreeuwend roepen dat het geen liefdesliedje was. Die onvolkomenheid, zo nonchalant gebracht maar in werkelijkheid hypergestileerd – dat is de geest die 2666 ademt.
Maar dat niet-kloppen moest dan wel weer gebeuren op een zo hoog mogelijk, virtuoos niveau; dat alle ronde, goedgelukte romans het er tegen af zouden leggen.
Onderhoudende show
Deze kapotte roman is het Yad Vashem van het geschreven woord. De Messias is niet teruggekeerd op aarde, ondertussen zijn de mensen wel vermoord en het blijft maar wachten op een einde dat ook maar enigszins kan bevredigen.
De grote vraag waar ik mee blijf zitten, is: waarom is Bolaño niet gaan boksen, zoals zijn vader deed, waarom heeft hij zich niet bekwaamd in het slaan en trappen, maar in het schrijven?
Deze man wil slaan/schrijven, de nietsontziende kracht van een vuistslag toebedelen aan het woord. Dat kan niet. Dat kan gelukkig niet, want dan zouden onze schrijvers bijna collectief achter de tralies moeten verdwijnen.
Toch is het die onmogelijkheid waar 2666 om draait. Het beginnen van een bij voorbaat tot mislukken gedoemd project. En dat project dan zo gigantisch laten mislukken, dat wij als lezers een glimp opvangen van de gewone dagelijkse mislukkingen, waaraan we als verdoofden gewend zijn geraakt.
Een citaat uit het hoofdstuk ‘Het deel van de misdaden’: ‘Ik wil dat u hierover schrijft, dat u hierover blijft schrijven. Ik heb uw artikelen gelezen. Ze zijn goed, maar vaak doet u een slag in de lucht. Ik wil dat u raak slaat, dat u mensenvlees, straffeloos vlees en geen schimmen raakt.’
Zie daar de opdracht die de schrijver zichzelf stelde – een opdracht die de lezer een goede week leesplezier zal bezorgen. Want o ja, anders dan die strenge, gelovige avant-gardisten, was Bolaño een man die wist hoe hij zijn publiek kon vermaken. Amuseren. Een boksende schrijver dus, die als geen ander bedreven was in het behagen. In een onderhoudende show.
Heb ik genoeg paradoxen verzameld? Dan begint u een idee te krijgen van 2666.
Nog even over die intrigerende titel. In een eerder werk, Amulet, laat Bolaño zijn personage zeggen: ‘… dat lijkt niet op een begraafplaats uit 1974 en ook niet uit 1968 of 1975, maar op een begraafplaats uit 2666, een vergeten begraafplaats…’
Ik maak er dit van: 2666 staat voor het verdwijnpunt, het punt in de toekomst waarin herinneringen er niet meer toe doen.
Bolaño is voorbeeldig verdwenen, al voor verschijning van 2666.
Zijn boek zal blijven, zolang er mensen zijn die aan woorden hechten, tegen vuistslagen en beter weten in.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: