Kunstencentrum Vooruit, Gent, België

Direct naar inhoud

Direct naar navigatie



Persartikel: Paul Bley, de verraderlijke lyricus met de grimmige gruwelverhalen

Sinds de opmerkelijke cd Solo in Mondsee buigt de jazzwereld zich weer met grote belangstelling over het merkwaardige pianistieke temperament van Paul Bley (77). Terecht, want in een pianowereld vol zwijmelende romantici is een karakter als dit een ware verademing. Dit weekend te horen in ons land.

Paul Bley is een man die er geen doekjes om windt: ‘Een toonladder is een lelijk ding. Voor een pianist is het onzin om daarop te oefenen. Je kunt beter inspelen op de verzuchtingen van je handen.’ Met die uitspraak, te lezen in het fijne boekje Time Will Tell, rangschikt Bley zich ondubbelzinig in het kamp van de vrije improvisatie. Toch klinkt zijn muziek aan de oppervlakte veel minder radicaal dan die van bijvoorbeeld Cecil Taylor of Fred Van Hove. Er zit immers altijd wat sluimerende lyriek in zijn spel. Luister naar die recente solo-cd, tien verraderlijke improvisaties op een eenvoudig melodisch motief. Eventjes klinkt het erg lieflijk, maar tussen de plooien van de melodie smokkelt Bley de meest grimmige gruwelverhalen.

In wezen is hij dan ook de tegenpool van een Bill Evans, de kampioen van de romantische uitwijdingen. Toen Bley aan het begin van zijn carrière stond, medio jaren vijftig, was het al Bill Evans wat de klok sloeg. “Evans bezat zowat 99 procent van de markt van de jazzpiano”, vertelt Bley in zijn vermakelijke autobiografie Stopping Time. “Ik hoopte nog een stukje van dat resterende procentje mee te pikken door helemaal anders te werk te gaan.” Dat betekende: weg met de gebruikelijke improvisaties op akkoordenschema’s, gedaan met het verder exploiteren van oude jazzstandards, gedaan ook met het etaleren van virtuositeit. In de plaats daarvan concentreerde Bley zich op de dingen die er echt toe doen: ervoor zorgen dat de twee handen hun eigen weg kunnen gaan, een rijke klank ontwikkelen en die blijven voeden met straffe kruiden, op tijd een sprong in het duister wagen. “Om te leren zwemmen moet je een zwembad vinden, om te leren musiceren moet je een publiek vinden”, zegt hij. “Alles wat je leert in een studeerkamer is waardeloos. Geen enkele leraar kan je bijbrengen hoe je boeiende muziek maakt. Je leert dat in de praktijk, in confrontatie met een publiek en met collega’s.”

De tredmolen vermijden

Bley’s leerschool waren onder meer de sessies met Charles Mingus en Art Blakey, een concert met tenorsaxofonist Lester Young en natuurlijk de legendarische sessies met Ornette Coleman in oktober 1958 in de Hillcrest Club in Los Angeles. Bley speelde er met onder anderen drummer Billy Higgins. Hij was koortsachtig op zoek naar een manier om los te komen van de vertrouwde bebop-schema’s, een moeizaam proces. Toen bracht de drummer twee vrienden mee: trompettist Don Cherry en saxofonist Ornette Coleman. Meteen was het hek van de dam. “Er gebeurde vanalles tegelijk. Het publiek verliet massaal de club. Ornette speelde klanken die je niet als zuivere noten kon plaatsen. Daarop moest ik een antwoord vinden op mijn perfect gestemde piano. Bovendien zette Ornette ons voortdurend op het verkeerde been. Hij speelde songs in een structuur van 32 maten, maar daar zat geregeld een frase van acht maten bij die niets met de rest had te maken. Later begreep ik dat die eigenlijk functioneerden als ‘erasure phrases’, fragmenten die het geheugen leegmaken om de tredmolen te vermijden.” Kortom: Coleman had de uitweg uit het bebop-stramien aangetoond. Maar de groep hield het niet lang vol in de Hillcrest Club, want het publiek haakte af. Vandaag weten we beter: deze sessies zijn jazzgeschiedenis. Een deel is gelukkig ook op plaat verkrijgbaar, nu op naam van Ornette Coleman (Complete Live at the Hillcrest Club, Gambit Records).

Een andere belangrijke ervaring deed Bley op bij saxofonist en klarinettist Jimmy Giuffre met bassist Steve Swallow als derde man. Giuffre maakte vreemde composities. “Contrapunt was de essentie bij Giuffre. Hij arrangeerde zijn stukken zo dat elke muzikant zelf zijn snelheid kon kiezen. We moesten alleen op bepaalde momenten tutti spelen.”

Bewust fragiele muziek

Dat was een merkwaardig procédé dat tot bijzonder gewaagde en zelfs bewust fragiele muziek leidde. En met Bley klonk het trio zelfs als een kwartet, omdat de linker- en de rechterhand van de pianist voortdurend een eigen koers voeren. Het merkwaardigste is nog dat deze muziek van Giuffre vaak heel lieflijk klonk. En in het verlengde daarvan is dat met Bley’s muziek ook zo, zeker met zijn solowerk. Nog altijd wordt hij vaak gezien als een echte lyricus, ergens in de buurt van een Keith Jarrett. Dat is misleidend, want Bley is dat slechts deeltijds. Zijn spel zit vol stekels en doornen. En de vergelijking met Jarrett is ontluisterend: Bley laat veel meer vrijheid toe, werkt consequenter op zijn klankkwaliteit. Hij gebruikt make-up noch parfum en hij heeft verdorie veel meer ballen.

Paul Bley speelt solo in Gent (15/5, www.vooruit.be), Brussel (16/5, www.flagey.be) en Antwerpen (17/5, www.deroma.be). De boekjes ‘Stopping Time’ en ‘Time Will Tell’ zijn te bestellen via zijn website www.improvart.com

Voeg een reactie toe

Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.

Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je:

  • (inter)actief deelnemen aan het gebeuren op onze site
  • een persoonlijke kalender bijhouden van je favoriete activiteiten
  • foto’s opladen en vrienden toevoegen
  • Favoriete foto’s, video’s, muziek, teksten of reacties bijhouden
  • andere reacties beoordelen
  • door Didier Wijnants (De Morgen, 12 mei 2009)
  • Alle rechten voorbehouden Alle rechten voorbehouden
  • opgeladen op 14 mei 2009
Tags

Gerelateerde activiteiten

Paul Bley
15 mei 2009

Contact

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Contacteer ons)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital