Roovers en MartHa!tentatief treffen elkaar in Fort IV in Mortsel
De Roovers en het MartHa!tentatief zijn Antwerpse theatergroepen die op het eerste gezicht weinig gemeen hebben. Met hun nieuwe voorstellingen kruisen ze elkaar op een locatie waar poëzie in zit.
De Roovers, die teksttheater brengen waarbij ze toneelklassiekers naar hun hand zetten, spelen All My Sons van Arthur Miller in een loods. MartHa!tentatief maakt graag de cross-over naar andere genres en zoekt de inspiratie bij zichzelf. Zij brengen hun Mini Road Show, een theaterconcert op en in een vrachtwagen.’
Bij de Mini Road Show van het MartHa!tentatief wordt het publiek naar een afgelegen plek geleid, een vrachtwagen komt aangereden met daarin de Clement Brothers (broers Tim en Tom Clement samen met Jonas Van den Bossche en Gorik Elaut). Hun countrynummers van onder meer Johnny Cash vormen de muzikale leidraad voor een verhaal over een vader in het verpauperde Deurne-Noord die zich zijn hele leven heeft kunnen verbergen achter zijn platencollectie, maar op zijn zestigste niet langer de ogen kan sluiten voor de realiteit wanneer de deurwaarder aanbelt. Ook in All My Sons van de Roovers is het de economische realiteit die terugbijt. Een vader, in WOII rijk geworden met de verkoop van (slecht functionerende) vliegtuigonderdelen, blijkt zo verantwoordelijk voor de dood van zijn zoon, een gevechtspiloot.
Sara De Bosschere, actrice bij de Roovers, en gastacteur Peter Gorissen komen binnenwaaien in de repetitieruimte van het MartHa!tentatief in Fort IV in Mortsel, een plek die sinds Wim Helsens ‘Vrienden van de poëzie’ een stukje collectieve Vlaamse cultuurnatuur is. Johan Petit en Tom Clement van het MartHa!tentatief tellen de streepjes achter hun naam op een krijtbord. “Telkens als iemand meer dan tien minuten te laat komt, is die een kwart fles champagne verschuldigd voor op de première”, legt Petit uit. “De ideale manier om niet te veel op elkaar te gaan zagen tijdens het stressy repetitieproces.”
Wat is de grote aantrekking van theater op locatie, en meer bepaald in het Fort van Mortsel?
De Bosschere: “De loods waarin we All My Sons spelen, is een lege ruimte die je kunt invullen zonder dat er een echte infrastructuur aanwezig is. Dat is interessant omdat je doorgaans in een zaal speelt waar alles al aanwezig is. Hier zit je te kamperen en ondertussen vind je je theater opnieuw uit. Dat heeft zijn voor- en nadelen. Echt stil is zo’n plek bijvoorbeeld nooit, terwijl de stilte doorgaans het canvas is waar je als theatermaker op schildert.”
Petit: “Hoe lastig de omstandigheden bij locatietheater soms ook zijn, hier maak je wel je eigen stek en ontvang je als gezelschap de mensen als het ware bij je thuis. Het publiek stapt een andere wereld binnen nog voor het stuk begint.”
Clement: “Wij krijgen een diverser publiek over de vloer dat iets minder de codes van het gewone theater volgt en graag een pintje wil drinken of een sigaretje roken tijdens de voorstellingen.”
De Bosschere: “Het is terugkeren naar de oervorm van toneel.”
Gorissen: “Eigenlijk zouden we de discussie omgekeerd moeten voeren: je kunt overal spelen, zélfs in het theater. In een theaterzaal heet het al een experiment als het licht vijf minuten langer aan blijft. Ik heb ooit een stuk gespeeld waarin ik een babbeltje sloeg met het publiek: het duurde tien minuten eer ze beseften dat ze iets mochten terugzeggen. Een theaterzaal is een geïnstitutionaliseerd iets dat met zijn wetten het theater kapotmaakt. Negenennegentig procent van het materiaal wordt al bevroren – zoals Miller dat noemde – in het repetitieproces: dit mag niet te lang zijn, dat moet je zo zeggen… Terwijl je eigenlijk toneel speelt omdat je er geen woorden voor hebt, anders kun je evengoed een essay schrijven.”
Enkele jaren geleden speelden de Roovers op locatie ook al Van de brug af gezien naar een stuk van Miller. Wat boeit jullie zo in hem?
De Bosschere: “Millers laat heel herkenbaar de complexe relaties tussen mensen zien. All My Sons is het drama van een gezin, maar ook het drama van elke oorlog, die onvermijdelijk te maken heeft met geldgewin. Toen een BBC-journalist aan Miller vroeg wat iemand tot een groot schrijver maakte, zei hij: ‘De groten delen de morele verontwaardiging. Only the small writers find peace, the big ones never do.’ Het is de nimmer afwezige drang om het engagement aan te gaan dat Millers oeuvre zo zinderend maakt. Zijn stukken spelen zich bijna altijd volledig af in de huiskamer, maar de lijnen reiken verder: die huiskamer staat op die lege vlakte van de wereld. Millers stukken laten zich lezen als klassieke tragedies. Alleen heet het noodlot bij hem de maatschappij, de condities waarin de mens opgroeit en leeft. Het grote economische systeem beïnvloedt het familiale, en omgekeerd.”
Petit: “Dat is ook waar de Mini Road Show in essentie over gaat. Hoe de worsteling van de mens bepaald wordt door de omstandigheden waarin hij opgroeit en leeft. We zijn vertrokken vanuit het countryidee, de Amerikaanse woestenij en het gevecht van de mens tegenover zijn milieu. Als je dat naar hier verplaatst, kom je al snel uit bij de die andere Far West, de verpauperde wijken van Deurne-Noord bijvoorbeeld. En bij een vader die op zijn zestigste beseft dat hij zich niet langer kan verschuilen voor de realiteit.”
Gorissen: “Miller noemt dat ‘the paradox of denial’: in elke familiekelder ligt wel een bom verborgen. En als je die bom niet met z’n allen onschadelijk maakt, is het maar een kwestie van tijd eer ze ontploft.”
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: