Wie over enkele dagen een duik in de platenbakken neemt, zal er eindelijk het langverwachte debuut van The Bony King of Nowhere aantreffen, alfabetisch omsingeld door het werk van Bon Iver, Devendra Banhart en Bonnie ‘Prince’ Billy. In dat notoire gezelschap voelt de jonge songschrijver Bram Vanparys zich ongetwijfeld perfect thuis, als we afgaan op zijn even sprookjesachtige als droefgeestige langspeler Alas My Love.
Bram Vanparys is er amper 22, maar nu al kan de Gentenaar een fabelachtig mooie plaat voorleggen, waarop hij ongerepte schoonheid puurt uit de donkerste hoeken van de menselijke geest (‘My Invasions’) of uit de dood en het licht aan het eind van de tunnel (‘Maria’). Denk daarnaast ook aan de opvallend knappe productie van Koen Gisen en de ijselijke koortjes met diens wederhelft An Pierlé, en je laat jezelf moeiteloos op sleeptouw nemen door deze Pezige Vorst. Dat hij de overweldigende invloed van Will Oldham en Devendra Banhart, en vooral die van Radiohead, nog niet helemaal uit zijn kleren kon schudden, wordt daarmee zelfs bijzaak. Aan Radiohead ontleende Vanparys overigens ook zijn nom de plume: “Zij hebben hun naam gepikt van Talking Heads, dus is het maar eerlijk dat ik Thom Yorke op zijn beurt besteel”, lacht hij wanneer we hem ontmoeten.
Dat Alas My Love zo’n knap debuut blijkt, is lang niet kwaad voor een songsmid die aanvankelijk uitgespuwd werd door het conservatorium (“Er werd me vlakaf verteld dat ik geen talent had”), en vervolgens alleen door Devendra Banhart teder omhelsd werd. Die freakfolker gaf The Bony King als eerste een forum, tijdens een concert in Rijsel: “Mijn hart bonsde in mijn keel toen Banhart me op het podium vroeg”, herinnert Vanparys zich. “Ik moest moeite doen om niet flauw te vallen, maar nadat ik daar ‘Everything I Like’ had gespeeld voor een volle zaal, was ik méér dan ooit vastberaden om mijn eigen weg in de muziek te vinden.”
Overmand door onmacht
Nochtans kwam die muzikale drang pas tegen zijn achttiende verjaardag aan de oppervlakte: “Vijf jaar geleden ging ik een weddenschap aan met een meisje op Dour. Ik kon toen nog geen noot gitaar of piano spelen, maar ik zwoer binnen de vijf jaar op datzelfde podium te staan. Sindsdien ben ik als een bezetene aan het oefenen geslagen (lacht). Als de organisatie van Dour dit trouwens leest: het is deze zomer vijf jaar geleden, dus laat me die bak bier niet verliezen…”
“Ik weet niet of ik een muzikale laatbloeier ben. Als kind was ik eigenlijk vooral door skeletten gefascineerd, en ongelooflijk geboeid door vogels. Ik denk nog altijd dat ik evengoed ornitholoog had kunnen worden. De natuur emotioneert mij even erg als een plaat van The Beatles.”
Ook de natuur van de mens blijkt hem mateloos te intrigeren, zoals je kunt opmaken uit de gitdonkere tekst van ‘My Invasions’: “Die song gaat over schizofrenie, over een man die tijdens zijn psychose overgaat tot moord, en pas tijdens de actie zelf weer helder wordt. Door nuchtere ogen, en overmand door onmacht, moet hij de werkelijkheid van zijn eigen gruweldaad aanzien.”
Een soortgelijke onrust waart in heel wat andere songs rond: zo bekruipt je een onheilspellend gevoel in ‘The Visitor’, ondanks de angelieke sfeer. “Zonder te willen verdwalen in clichématige griezelbeelden, probeer ik de luisteraar een unheimisch gevoel te geven,” knikt Vanparys. “Radiohead is daarbij altijd een lichtend voorbeeld geweest: zij zijn de onbetwiste meesters van de onderhuidse dreiging.”
In dezelfde omineuze sfeer baadt ook de magisch-realistische hoes van Alas My Love. “Die foto is van Jonas Bendikse. Op het eerste zicht kijk je naar een dromerig decor vol witte vlinders, maar het beeld is van een bedrieglijke tederheid. Als je er doorheen kijkt, zie je immers het neergestorte wrak van een Russische satelliet, die de grond vervuilt. Hoewel het er zwermt van de dagvlinders, ligt de wei verderop bezaaid met vergiftigde koeienkadavers. Die tweespalt, van onschuld en lelijkheid, van schoonheid en angst, zoek ik graag op in mijn muziek omdat ze de hevigste emoties oproept. Ik heb het nu al een paar keer meegemaakt dat iemand spontaan begint huilen bij een bepaald liedje op deze plaat. Dat fascineert me mateloos: stel je voor dat iedere mens tot tranen ontroerd zou kunnen raken door jouw muziek… Zou dát niet de ultieme gave zijn? Skinheads tot inkeer laten komen met een handvol songs (lacht).”
Zelfbehoud en zelfzucht
“Ik ben de laatste twee jaar erg geïntrigeerd geraakt door ‘de mens’,” denkt Vanparys ineens hardop. “Ik krijg er maar geen hoogte van hoe we precies functioneren en redeneren zoals we dat doen. Ik ben daarbij vooral geboeid door de meest overheersende eigenschap van de mens: egoïsme. Dat we aan onszelf denken uit zelfbehoud en overlevingsinstinct, daar kan ik nog inkomen. Maar waarom we die zelfzucht zo ver doortrekken, begrijp ik niet. We hebben alle redenen om gelukkig te zijn, en zien in elke nieuwsuitzending dat we aan veel miserie ontsnappen, maar toch zijn we gemakkelijk bereid te vinden om om over lijken te gaan, in de hoop dat ons leven er iets beter op wordt.” Is egoïsme dan geen favorabele karaktertrek voor een frontman, proberen wij. “Ik heb mezelf al aan een serieus gewetensonderzoek onderworpen,” glimlacht de songsmid timide terug. “En inderdaad: als bandleider ben ik opvallend autoritair, en heerst mijn eigen wil. Maar daar voel ik me niet in het minst schuldig over. Uiteindelijk zijn het mijn songs, en niet die van iemand anders.”


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: