Je houdt van musicals: schitterend – in Assassins, de nieuwste productie van Davis Freeman, is Broadway nooit veraf. Als musicals het slechtste in je bovenhalen: nog beter, want Assassins toont de onderkant van het genre en duwt je onderwijl zoetgevooisd met je neus op donkere kanten van de samenleving.
Confrontatie, daar is regisseur Davis Freeman goed in. Gewiekst gaat hij ver mee in een standpunt om even later des te meer slagruimte te hebben voor de weerbots. Zijn performance All you need to know about guns twee seizoenen geleden in Leuven was er een mooi staaltje van. Vooraan in een aula had Freeman een aantal vuurwapens uitgestald. Zijn stelling was: als je een wapen koopt om je te verdedigen in deze boze wereld, dan moet je er op zijn minst voor zorgen dat je het ding ook veilig kan gebruiken. We kregen een demonstratie – onderdelen werden gedemonteerd, de gebruiksaanwijzing werd helder. Toen mochten de toeschouwers komen tonen wat ze van de les onthouden hadden. Het hoofd van een vrijwilliger in de wandelgangen van het gebouw, geprojecteerd op een beeldscherm, was het doelwit. Ik kan getuigen, het haalt instincten in je boven waarvan je niet wist dat je ze had.
Maar terug naar Assassins. In het jaar van de Amerikaanse presidentsverkiezingen kon Davis Freeman niet langer om zijn langgekoesterde wens heen: een musical-remake op het podium neerzetten ter illustratie van zijn eigen zwarte visie op de Amerikaanse droom, voor hem verpersoonlijkt door Georges Bush Jr, global warrior on terror. Een musical, want dat genre is voor Freeman onlosmakelijk verbonden met zijn Amerikaanse roots. Hij liet tijdelijk zijn gewone habitat van performancetheater en -dans opzij om aan de slag te gaan met de oorspronkelijke versie van Assassins, een musical van het duo Stephen Sondheim en John Weidman – de eerste kent u wellicht beter als de lyrics-schrijver van Westside Story. Op zo’n anderhalve weggelaten scène na laat Davis Freeman de oorspronkelijke tekst intact – een op historische feiten gebaseerde kroniek van alle aanslagen ooit gepleegd op Amerikaanse presidenten. Ze worden op een rijtje gezet bij monde van de negen daders, twee dames en zeven heren. Een pittig detail is dat het een gevierd acteur was die in een theaterzaal in 1865 het eerste slachtoffer maakte, Abraham Lincoln. Als geen ander is dit stuk een barometer voor politiek bewustzijn in de Verenigde Staten. In 1990 ging de musical in première, maar enkele weken voor de eerste Golfoorlog werd hij van het podium gehaald wegens zijn al te demoraliserende antipatriottisme. In tijden van crisis horen de gelederen zich te sluiten en van vuile was buitenhangen kan al helemaal geen sprake zijn, was de boodschap.
Tien jaar later werd de musical van onder het stof gehaald, en alsof het zo afgesproken was volgde 9/11, met opnieuw de verbanning als resultaat. Uiteindelijk bracht Georges Bush Jr meer geluk – de verontwaardiging over zijn beleid is zelfs in eigen land zo wijdverspreid dat Assassins in 2004 definitief uit de Broadwaygoelag mocht en een hit werd.
Op het podium staat een lange tafel waarachter twee vrouwen en zes mannen met in hun midden een kind, een meisje. Aan het ene uiteinde van de tafel zit de verteller achter een vleugelpiano, aan de andere kant bevindt zich een aantal attributen dat later zijn nut bewijst. Boven de tafel bengelt een dik touw. De hele breedte van de achterwand dient als projectiescherm waarop gedurende de voorstelling een mix van historische archieffoto’s en recentere beelden de geschiedenis aanschouwelijk maken. De uitdaging voor Freeman was vooreerst om het musicalgenre te verpakken in een voor een hedendaags dans- en theaterpubliek aanvaardbare vorm. Maar hij kent zijn pappenheimers, hij is oorspronkelijk acteur, leerde on the job ook dansen en werkte in de tien jaren dat hij in België verblijft onder andere bij Les Ballets C de la B, bij Meg Stuart en Superamas. Freemans versie van Assassins is een naakt conferentie-format geworden zonder het minste zweempje van de oppervlakkige commercie, valse emo, het afgelikte sprookjesgehalte waar het musicalgenre wel eens onder durft te lijden.
De acteurs lezen hun lijnen af van de A4-tjes voor hen op de tafel en de beeldman maakt, autistisch gekluisterd achter zijn Mac, deel uit van het panel. En ja, er wordt gezongen – alle songs van Sondheim zitten ook in deze versie van Assassins – maar niet door musicalspecialisten: één iemand is professioneel operazanger en de andere vertolkers zijn acteurs die graag een poging wagen En in plaats van een orkest, is er af en toe iemand die zijn hobbyinstrument bovenhaalt om de pianist even rust te gunnen. Als de acteurs zelf niet aan het woord zijn schakelen ze moeiteloos over in een toeschouwersmodus. Die is zo geloofwaardig is dat je je als publiek geobserveerd en geïmiteerd voelt, wat dan weer een mooi voorzetje is om je rol als toeschouwer even te overschouwen.
Freeman weet zo met een amalgaam aan techniekjes afstandelijkheid te creëren terwijl intussen het stuk aan entertainmentgehalte geen jota inboet. De spanning van negen geweerslopen die het panel, onder het aanheffen van een gunsong, bij wijlen op het publiek richt- ‘all you have to do is move your little finger’ – staat garant voor onvoorwaardelijke aandacht. Slapstick heeft hetzelfde effect: twee dames kandidaat-killers worden zozeer afgeleid door hun vrouwelijke attributen – kinderen, handtassen, huisdieren en hun reflexmatige charmes – dat ze vergeten hun pistool te laden en de geschiedenis in moeten als symbool van vrouwelijke warhoofdigheid. De vrouw in de toeschouwer is voor één keer gesterkt door dit zwaktebod en wil graag voorwerp zijn van zoveel vrolijkheid.
Davis Freeman is met glans en wimpel in zijn opzet geslaagd om het musicalgenre van onder zijn gladde melo-imago te halen en door middel van vormelijke ingrepen een nieuw publiek aan te spreken. De voorstelling pakt je bij je nekvel en laat je gedurende anderhalf uur geen seconde los.
Maar voor Freeman zelf zit de centrale confrontatie in zijn versie van Assassins in de donkere consequentie van de Amerikaanse droom die een slap in the face krijgt als de onvervreemdbare rechten van weleer ongefundeerde eisen worden. Je zou kunnen stellen dat Freeman, vijftig jaar na Death of a Salesman (1949) van theaterauteur Arthur Miller, een nieuwe fase in de droom illustreert. Millers handelsreiziger gaat ten onder omdat hij krampachtig wil vasthouden aan de illusie. In Assassins volgt het genadeloos omzetten van de droom in realiteit. ‘Move your little finger and/You can change the world/Why should you be blue/When you’ve your little finger?/Prove how just a little finger can /Change the world.’, aldus de tekst van Sondheim en die boodschap is voor Freeman de kern van de musical. Je wil en kan een held zijn, en een president vermoorden is één van de opties.
“Iedereen kan zijn wie hij wil zijn, en dat geldt ook voor ons, is de boodschap van deze personages. They keep telling you about what they deserve instead of what they should try to earn.”, aldus David Freeman in een gesprek dat we hadden. Toen ik vorige week voorbij een commerciële zender zapte werd me Freemans bekommernis om die ingeburgerde realiteit van het nieuwe ‘recht tot eisen’ duidelijker. Twee modeconsulenten in een Amerikaans restylingprogramma gaven hun kandidaten een mantra mee die ze voor elke stap in hun transformatie vrolijk dienden te reciteren: “I need/ bring me/and make it quick”.
Freeman noemt in interviews de daders uit Assassins ‘madmen’, met een ontspoord eisenpakket. In die thematiek is hij misschien republikeinser dan hij zelf zou willen, want de tekst van Weidman is ook een catalogus van individuele treurnis. In de tekst krijgt elke dader alle ruimte om zijn motieven te belichten. Liefdeloze gezinnen met gewelddadige vaders, kansenloze immigratie, extreem sociaal isolement – Assassins somt ze allemaal op, de wortels van ontsporing. De personages zijn zo evengoed symbolen van gedeukte mensen die geen andere wegen vinden om uit te breken. Verlossing opzoeken middels agressie is ook op het podium een universeel thema, van Euripides tot hedendaagse makers, en recent nog schitterend neergezet door Vincent Dupont in Hauts Cris.
Maar er is ook Kaya Freeman, het negenjarige dochtertje van de regisseur, die me bijblijft. In deze Assassins is ze zichzelf. Omgeven door vier moordenaars aan elke zijde zit ze in het midden achter de tafel, en leest ons in het hart van het stuk een naakte opsomming van de feiten voor. Het is meteen het enige stukje tekst dat haar vader toevoegde aan de versie van Sondheim en Weidman. Haar kinderlijke openheid, ongerijmd aanwezig tussen acht daders, gekken, slachtoffers – noem ze hoe je wil – is wat mij betreft de scherpste confrontatie met de donkerte van geweld in Freemans Assassins.
Lieve Dierckx
Gezien op 3 oktober 2008 in Monty, Antwerpen
Deze tekst werd geschreven in het kader van Corpus Kunstkritiek van het VTi – Vlaams Theater Instituut – zie vti.be/kunstkritiek
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: