In Christophe Vekemans nieuwe roman Lege jurken verliest een man de pedalen nadat zijn vrouw hem droogweg vertelt dat ze twee maanden zwanger is. Nét op het moment dat de liefdesvlam bij Lester Brandman voorgoed lijkt uitgedoofd. De pantoffelheld belandt op een glijbaan van malende twijfels.
Iedereen heeft het in zijn kennissenkring al weleens horen waaien: sommige mannen durven vervaarlijke bokkensprongen te maken wanneer ze vernemen dat hun geliefde zwanger is en het vaderschap angstvallig dicht in zicht komt. Ze vertonen vluchtgedrag, storten zich kortstondig in de armen van een andere vrouw of kunnen maar niet wennen aan de gedachte dat hun nageslacht hen van hun troon zal stoten. En hoe vaak hoor je niet de zinspeling dat vrouwen een slabakkende relatie van de definitieve schipbreuk willen redden met een kind? In zijn vierde roman Lege jurken grijpt Christophe Vekeman deze delicate kwesties aan om freewheelend te filosoferen over het wankele evenwicht van de huwelijkse staat en de talloze interne en externe bedreigingen ervan. Vekeman specialiseert zich stilaan in het thema. Ook in Een borrel met Barry (2005) konden we zowel droef als komisch (en een tikje langdradig) de lotgevallen volgen van een huwelijk waar de klad in hing. Maar, zo kondigde Vekeman aan in een interview, nu heb “ik de deurenkomedie-achtige intriges van vroeger ingeruild voor een meer eenvoudige plot en voor meer persoonlijke beschouwingen en gedachten”.
Hoofdpersonage Lester Brandman is in Lege jurken begiftigd met een soort hyperbewustzijn. Tegelijk is hij beladen met onduidelijke angsten en zelfverachting, waardoor zijn gedachten stationaire kringetjes maken. Brandman is gehuwd met de wat kleurloze Alicia, “in tegenstelling tot hem in het bezit van een universitair diploma”, die haar dagen thuis vult als kunstenares “met gebrek aan scholing en aanleg”, zeg maar als hobbyiste. Brandman kan een zekere minachting voor haar moeilijk verbergen, al corrigeert hij dat meteen ook met mededogen. Telkens wanneer hij terugkeert van zijn werk trekt een resem visioenen over Alicia, “vreemde, gruwelijke fantasieën zonder enige link met de werkelijkheid”, aan zijn geestesoog voorbij. Tegelijk voelt Brandman zich schuldig over dat geestelijke geraaskal en heeft hij spijt over zijn gebrek aan inzet in hun huwelijk: “Spijt op voorhand is een vorm van angst.” In wezen wil hij niet anders dan een edel mens zijn. Toch is zijn ultieme streefdoel het nirwana van de “complete en totale” onverschilligheid: “Onverschilligheid is macht.” Vekeman strooit met verbazend gemak de aforismen in het rond, alsof hij in het geheim ook laboreert aan een eigentijdse versie van de Dictionnaire des idées reçues van Gustave Flaubert: “Hoop: verplichte kost voor mensen die in leven willen blijven.”
Dwaalspoor
Op de dag van hun vierde huwelijksverjaardag is de sfeer bedrukt en labiel tussen de echtelieden. De onverwachte mededeling van Brandmans vrouw dat ze twee maanden zwanger is, brengt de roman in een stroomversnelling. De uit zijn lood geslagen Brandman stapt na het bericht de deur uit om door de stad te dwalen en – het verbaast niet – in de kroeg te belanden. Daar is hij heen getroond door zijn collega Claudia, die hij in vergevorderde staat van dronkenschap op straat heeft ontmoet. In een aantal vaudevilleske scènes sukkelt Brandman in zeven sloten tegelijk en wakkert hij bij Alicia het wantrouwen aan. Ten langen leste toont ze niettemin begrip voor zijn escapades: “Het is zo typisch, zo afgrijselijk banààl! Hoeveel duizend mannen over de hele wereld zouden er gisteravond op hetzelfde moment als jij de straat op zijn gegaan, denk je, op de vlucht voor zichzelf?” En Brandman moet concluderen dat de tijd in Alicia’s voordeel werkt: “ze begreep dat alles goed zou komen als ze maar doorbeet, als ze maar volhield. Ze begreep mij.” Lege jurken schaatst over dun ijs en probeert te traceren waaruit intimiteit nu precies bestaat. Het boek heeft iets van een huis clos-drama: de verwijdering, mentale eenzaamheid, de weifelende toenadering, een schroomvallig haken naar dubbelzinnige geborgenheid en hortende gesprekken, waarin moedwil en misverstand elkaar bekampen. De licht claustrofobische atmosfeer – toch ook steeds aangelengd met een mespuntje ironie – is een kolfje naar Vekemans hand. De hamvraag van het boek is of een liefdesrelatie uit onomkeerbare fasen bestaat en of twijfel opnieuw in zekerheid kan omslaan: “Samen met zijn liefde nam zijn twijfel toe of zijn liefde wel oprecht was, of hij werkelijk van haar hield, en ook of zij zijn liefde wel waard was.” Vekeman zet de lezer gewiekst op een dwaalspoor in deze pregnante roman, maar durft ook nodeloze surplaces te maken. Soms verwijlt hij iets te lang bij de haast solipsistische gedachtespinsels van de bangelijke Brandman. En een zin als deze kun je maar beter niet te vaak schrijven: “Haar adem riekt, niet naar witte wijn, maar naar de adem van iemand die veel witte wijn heeft gedronken.” Met Lege jurken komt Vekeman meer en meer in het vaarwater van generatiegenoot Peter Terrin, die ook in staat is om zijn personages met een nimmer wijkend onbehagen op te zadelen en op de tast door een duister woud van dagelijkse angsten te sturen. Vekeman laat de lezer allerminst euh… onverschillig achter.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: