Kunstencentrum Vooruit, Gent, België

Direct naar inhoud

Direct naar navigatie



Persartikel: Kuise liefde, geile taal

In Hotel Silesia, het fictiedebuut van journalist en essayist Piet De Moor, is het zwelgen in een lichtjes onheilspellende taalroes. De kleine roman gaat over ‘de wederopstanding van een verliefdheid’ die giftige schroeivlekken achterlaat.

Publicist en journalist Piet De Moor (°1950) beschouwt zichzelf als een ‘randmens’. In Grimmig heden. Een polyfonie (2007), zijn schitterende dagboek vol ‘geassembleerde’ citaten en atmosferen, stond te lezen wat hij daarmee bedoelde: “Maatschappelijk ben ik een verburgerlijkte bohemien, rebels van aard, zonder vast beroep. Literair sta ik aan de periferie van alle genres. En verder ben ik nergens thuis, ondergedoken in allerlei provisoria die in hun voorlopigheid niet definitiever kunnen zijn.” In zijn essayistische boeken, waarin hij met veel gevoel voor synthese de Midden-Europese cultuur én literatuur ausculteert, kon je merken dat De Moors oversteek naar de fictie in de lucht hing. Dat verraadde zich ook in fijngeslepen uitspraken over het schrijversmetier, waarin hij allicht zichzelf karakteriseerde: “Niet de schrijvers die altijd schrijven zijn de echte schrijvers, maar de schrijvers die altijd aan het schrijven denken.”
Met het woorddronken Hotel Silesia levert laatbloeier De Moor nu zijn eerste roman af – of is het eerder een expansieve novelle? Het is alleszins een suizende leeservaring, te vergelijken met happen in de schuimkraag van een Orval en de daaropvolgende beneveling. Dat deze proza-exercitie mogelijk een autobiografische voedingsbodem heeft, valt af te leiden uit het feit dat de hierboven geciteerde passage vrijwel letterlijk terugkeert. Het hoofdpersonage noemt zich meermaals een “grensmens”, “een tussenman”. Al evenmin toevallig is dat de steven gewend wordt naar Oost-Europa, meer bepaald naar het Pools-Duitse grensstadje Görlitz, waar de verteller zijn oog heeft laten vallen op een driekamerflat om er zich langere tijd in bedachtzame eenzaamheid te vestigen. Dat blijkt naderhand een onzinnig, zelfs heilloos plan, met fatale consequenties.
Op een nieuwe prospectietocht naar Görlitz wordt hij tijdens zijn autorit door Duitsland vergezeld van een vrouw die in zijn gevoelsleven al vaker averij heeft aangericht. Hun omgang is grillig als het cardiogram van een hartlijder, maar tegelijk ook intens en vertrouwelijk. De man trof niet zelden schuld aan de bruuske wendingen van hun relatie: hij heeft immers “geen talent voor de liefde” en verdraagt het niet als een vrouw hem te na komt. Eén keer hebben ze hun genot baldadig en beestachtig geconsumeerd (“toen mijn penis in je vagina schoot, burlde ik als een dodelijk getroffen hert [...] ik rochelde als een wolf die zijn poot in de dichtgeklapte klem ziet bloeden”) maar later hielden ze het bij het elkaar wederzijds bijstaan “in solitaire opwellingen van lust”, zoals het in de vaak gezwollen taal van De Moor heet.
Voor de duur van de trip naar Görlitz sluiten de man en de vrouw een stilzwijgende overeenkomst: geen seks, “een magna charta van de kuisheid die we onszelf moesten opleggen om de grote vriendschap, die nu weer nog maar enkele weken duurde, nooit meer te verstoren, nooit meer, tot de dood ons zou scheiden”. Het verlangen achter slot en grendel houden, blijkt echter makkelijker gezegd dan gedaan. Tijdens de autorit, waarin de regen voortdurend infernaal neerhoost, meanderen de gesprekken alle kanten uit en slooft de verteller zich uit om het zijn reisgezelle naar de zin te maken, met narrenstreken en docerende eruditie. Intussen flakkeren ook de erotische voorstellingen in alle hevigheid op. Bij de man wisselen momenten van “welbehagen” af met redeloze “angst voor die weer ontbrandende passie”. De Moor jaagt zijn woorden voort als een roedel paarden in de steppe.
Eén nacht ter bestemming in Görlitz in het mythische Hotel Silesia, is genoeg om het vriendschapscontract aan gruzelementen te slaan. Seks wordt bij De Moor een morbide ritueel, tegelijk gretig gereduceerd tot een platte behoefte. Was het niet Flaubert die de liefde vergeleek met een aandrang om te pissen: “dat het er altijd uit moet, of je het nu in een gouden vaas of in een aarden pot laat stromen”? Terugkeren naar Görlitz bleek een grote vergissing. Na de schokkende nacht slaat zijn verknochtheid aan de stad om in haat. De verteller beseft dat hij de rampspoed over zichzelf heeft afgekondigd. Nu zit hij daar met “de geest van revanche die kookt in de schotels van opgepot verlies”. Aan het eind laat De Moor de pathetiek zegevieren.
Hotel Silesia barst uit zijn voegen van de wellustig opgetaste metaforiek. In zijn uiterste, soms razende consequentie is het allicht ook een hommage aan Thomas Bernhard, een van De Moors grote leermeesters. Een “meesterlijk verhaal” moet “brommen als een tol”, zo poneert De Moor ergens in het boek. Dat doet Hotel Silesia onophoudelijk, maar helaas: overdaad schaadt.

www.demorgen.be

Voeg een reactie toe

Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.

Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je:

  • (inter)actief deelnemen aan het gebeuren op onze site
  • een persoonlijke kalender bijhouden van je favoriete activiteiten
  • foto’s opladen en vrienden toevoegen
  • Favoriete foto’s, video’s, muziek, teksten of reacties bijhouden
  • andere reacties beoordelen
  • door Dirk Leyman (De Morgen, 2 apr 2008)
  • Alle rechten voorbehouden Alle rechten voorbehouden
  • opgeladen op 03 apr 2008
Tags

Gerelateerde activiteiten

Zogezegd in Gent – De verbeelding aan de macht?
04 apr 2008

Contact

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Contacteer ons)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital