Elke maandag trekt de hele ploeg van de Letteren zich terug om te vergaderen. Tenminste, wij denken dat ze vergaderen, want ze zitten verscholen achter zo’n stapels boeken dat ze evengoed zouden kunnen zitten te kaarten. Wat me overigens niet zou verbazen, want geen mens houdt het vol om zo lang te vergaderen als die van de Letteren op maandag.
Na verloop van tijd zie je die stapels dan toch kleiner worden en de papiermand voller, en worden er ook een aantal boeken in grote enveloppen gestoken. Zij hebben de grote selectieronde overleefd en worden opgestuurd naar de medewerkers die ze zullen bespreken.
Als dat ritueel erop zit, blijven er meestal nog een paar boeken achter op tafel. De kruimels. De boeken waarmee ze de medewerkers niet durven lastig te vallen, maar die toch een waardeoordeel zouden moeten krijgen. Zij belanden meestal op het bureau van een redacteur van deze krant.
Neem nu Als je maar gelukkig bent van William Sutcliffe, de auteur van het leuke Ben je ervaren?. Chicklit op mannenmaat. ‘Aan wie zouden we dit boek nu eens kunnen geven?’ dacht de chef Letteren en ze keek de redactie rond, op zoek naar iemand die wel te vinden is voor een boek dat niet het gouden gewicht van de Grote Literatuur torst. Iemand ook die zou kunnen geïnteresseerd zijn in een boek dat het verhaal vertelt van drie moeders die een week lang bij hun zonen van 34 intrekken omdat die vrouw, noch vriendin, laat staan kinderen hebben. En die daar een mouw willen aan passen.
Nietsvermoedend zat ik ondertussen te mailen met een vriendinnetje, veinzend dat ik hard aan het werk was. Even bleef de blik van de chef Letteren op mij rusten. Twintig seconden later stond ze aan mijn bureau. ‘Filipos’, zo sprak ze, want op de redactie van De Standaard durven wij ook wel eens informeel met elkaar omgaan, zeker als we een collega een gunst vragen.
‘Heb jij zin om eens een boek te bespreken voor de Letteren?’ Daar had ik eigenlijk nog niet echt over nagedacht, en ik was ook te druk bezig met mijn onhandige poging om de mail die ik in elkaar aan het draaien was, onopvallend weg te klikken. ‘Uiteraard’, antwoordde ik. Als ze me had gevraagd of ik geen zin had om een olifant over me heen te laten lopen, had ik – geschrokken door haar plotse verschijning aan mijn bureau – wellicht ook ‘uiteraard’ geantwoord.
‘Het is een boek dat wel raakpunten heeft met je leefwereld’, zei ze nog. ‘Het moet dus niet echt een bespreking zijn. Iets columnachtigs of zo. Sterren hoef je niet te geven.’ Ze dropte het boek op mijn bureau en ging op zoek naar een volgend slachtoffer om een ander boek aan te slijten.
Dat van die sterren vond ik eigenlijk wel jammer, want als een mens sterren mag geven in de Letteren, betekent hij toch wel een en ander in de wereld. Daar kan een moeder al eens fier op zijn.
Een boek over mijn leefwereld dus. Inderdaad. De eerste van de drie vrijgezellen die in het boek hun moeder te logeren krijgen, is 34, werkt voor een weekblad (het mannenblad Balls), vindt dat een geweldige baan, heeft een prachtig appartement, een simkaart met de telefoonnummers van iedereen die iets betekent in de bladenwereld én met de nummers van elk topmodel van het land. Kortom, een boek over mij.
En nu serieus.
De tweede dan maar? Hij is homo, maar is voor zijn moeder nooit uit de kast durven komen en gebruikt altijd ‘geliefden’ of ‘partners’ in plaats van ‘vriendinnetjes’ of ‘vriendjes’. Nou nee, daar ga ik ook geen uit het leven gegrepen column uit putten.
De derde dan? Die is 34 en zit een boek te lezen als zijn moeder op zaterdagavond voor zijn deur staat. ‘Het is nog erger dan ik dacht’, zegt zijn moeder. ‘Ik moet even gaan zitten. Wat mankeert je? Heb je de moed laten zakken? Is dat ‘t? Vierendertig is niet jong, maar het is ook niet oud. Het is veel te vroeg om het op te geven. Je hebt de moed toch nog niet opgegeven?’
Nummer drie komt misschien al wat dichter in de buurt, maar van een geweldig gevoel van herkenning was nog steeds geen sprake.
Het is altijd lachen met malloten die er nog slechter aan toe zijn dan jijzelf. Mijn moeder zou bijvoorbeeld nooit aan mijn kop komen zeuren dat het nu echt wel tijd wordt dat ik me bind, want ze weet dat het net het tegenovergestelde effect zou hebben. Mijn moeder zou ook nooit mijn kamers komen opruimen, omdat ik dat zelf wel doe. Evenmin zou ze me volgen naar feestjes, omdat ze de discretie zelve is. Net als ikzelf.
Dus las ik almaar geamuseerder verder. Want Als je maar gelukkig bent leest als een hogesnelheidstrein, is grappig, licht ironisch en bij momenten ronduit hilarisch. Over de compositie is nagedacht. De verhalen zijn mooi door elkaar verweven en raken na verloop van tijd ook met elkaar verstrengeld. Dat het boek de diepgang heeft van een hovercraft, is geen wezenlijk bezwaar.
Jammer dus dat ik op bladzijde 173 plots toch nog een draai rond mijn oren kreeg. ‘Mannen van mijn leeftijd laten hun vriendinnen niet door hun moeder uitkiezen’, sputterde een van de zonen tegen.
‘Mannen van jouw leeftijd zouden geen vriendinnen moeten hebben. Die zouden vrouw en kinderen moeten hebben.’
Nee, mijn moeder zou het nooit zeggen. Hoogstens denken. Maar deze moeder zei het wel. Het stond er. Gedrukt op papier. Zwart op wit. Het kwam hard aan. Zelfontleding op zondagavond. Er zijn leukere vrijetijdsbestedingen. Nu zit ik het hier nog eens over te tikken ook. Zo kan de worm van de twijfel zich nog wat verder door mijn brein boren. Als je maar gelukkig bent, zeg dat wel.
In de finale van het boek komt het voor twee van de zonen toch nog vreselijk stroperig tot een goed einde met baby’tjes en trouwpartijen en de hele santenkraam.
En voor mij? Ik geef het boek twee sterren. Zo heeft mijn moeder toch nog iets om fier op te zijn.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: