Kunstencentrum Vooruit, Gent, België

Direct naar inhoud

Direct naar navigatie



Persartikel: 'Ik blijf een dromer'

In De spoorzoeker doet Kamiel Vanhole wat hij in al zijn werk doet: wandelen, ontmoeten, zoeken, beschouwen. ‘Ik ben blij als ik mensen zie.’

De spoorzoeker reist met het verleden als leidraad. Wat weegt voor u het meest door, het reizen of het verleden?
‘Alles is een excuus om te reizen. Maar of ik nu in de sporen van een schrijver treed of ik ga naar Armenië of Iran om lezingen te geven, ik wil altijd het verleden van een plek kennen. Ik wil zien hoe een plek was en hoe ze is geworden.’

‘Die fascinatie heb ik van mijn vader, hij vertelt graag familieverhalen. Mijn overgrootvader was een mijnwerker, die de Borinage verruilde voor een winkel annex café in Brussel. Mijn grootvader trok van de stad naar het dorp, naar Tervuren. Uitzoeken waar wij vandaan komen, hoe familieverhoudingen in elkaar zitten: dat probeer ik in mijn werk. Daarom komen die twee motieven altijd terug: ik reis, en neem zo afstand van de mensen waaruit ik gegroeid ben, en tegelijk zoek ik de hele tijd naar mijn en andermans afkomst.’

In De spoorzoeker heeft u het een paar keer over de Franse schrijver Georges Perec, die een inventaris van herinneringen voor het collectieve geheugen wil maken. In eerder werk, bijvoorbeeld ‘Bellevue/Schoonzicht’, dat u samen schreef met Koen Peeters, inventariseerde u delen van Brussel. Is dat uw missie als schrijver?
‘Schrijven is een conservatief beroep. Schrijvers bewaren dingen, details, momenten in taal – zelfs als je de werkelijkheid naar je hand zet. De romanticus in mij wil de mensen later laten zien hoe het nu was, en hoe het nog eerder was. In het beste geval slaag ik erin het verleden zo te beschrijven dat het kan dienen als een springplank om een visie op de toekomst te ontwikkelen.’

‘Al heel vroeg besefte ik hoe schamel ons geheugen is, hoe snel we dingen vervormen. Sinds halfweg de jaren zeventig gaat er geen dag voorbij zonder dat ik in mijn dagboek schrijf. Om het allemaal te bewaren. Ik heb duizenden bladzijden, waar ik nog zo goed als niets mee gedaan heb. Ik was nochtans van plan om mijn dochters bij hun achttiende verjaardag een selectie van passages over henzelf te geven. In elk geval: het is allemaal bewaard, ik zal het zorgvuldig aan het AMVC-Letterenhuis geven en een wetenschapper moet er dan ooit maar iets moois van maken.’

‘Sinds ik kanker heb, helpt mijn dagboek om grip op mijn leven te krijgen. Het heeft een paar maanden geduurd voor ik besefte waar ik aan toe was. Er verandert van alles: je verhouding tot de tijd, je relatie met anderen. Veel mensen beschouwen je ineens alleen nog maar als een zieke. Ik bekijk ook alles anders. Ik stroom niet meer door het leven, ik weet veel beter wie en wat belangrijk zijn.’

Blijft literatuur belangrijk?
‘De eerste maand na de diagnose wilde ik van de literatuur niet meer weten. Maar ze blijkt noodzakelijk. Nu lees ik weer met evenveel plezier als op mijn zeventiende. Louter voor het plezier, terwijl ik vroeger in mijn achterhoofd altijd zat te bedenken wat ik met een schrijver en zijn werk kon aanvangen. Nu mijn tijdsperspectief veranderd is, valt die druk weg: ik hóef er niets meer mee aan te vangen. Aan wat ik nu aan het schrijven ben, komen geen schrijvers te pas. Het gaat over Venetië. Dan kijk ik naar het water en bedenk een gek gedicht. In gedichten kan ik veel beter liegen dan in een reisverhaal.’

U stelt zich op reis erg open op, maar u haalt in uw boek Toergenjev aan. Schrijvers zijn koude mensen, schreef hij, die hun hele omgeving als bruikbaar materiaal opvatten.
‘Dat vampierachtige heb ik in mij, dat kan ik niet ontkennen. Maar mijn schrijverschap is niet alles, ik reis ook als mens. Ik zoek bewust contact op reis, ja. Misschien ook omdat ik huisman ben, ik zit altijd thuis (lacht), ik heb twee dochters opgevoed. En ik ben blij als ik mensen zie. Ik zie graag mensen. (schrikt) Wat zeg ik nu? (denkt na) Nee, het klopt, ik ben geen cynicus.’

U hebt in de loop van uw carrière vaak de goede zaak verdedigd. Gelooft u dat schrijvers een reële macht hebben in het publieke leven?
‘Toch wel, al ben ik bescheidener geworden in wat ik denk te kunnen veranderen. Toen ik begin jaren 1990 samen met Charles Ducal Over de voorrang van rechts schreef, over het Vlaams Blok, dacht ik dat het binnen het jaar allemaal in orde zou zijn. Nu ben ik al blij als ik mensen een genuanceerd beeld kan geven van het leven in Iran of een cliché over de islam kan ontkrachten. Of als ik mensen kan doen inzien dat migrantenstemrecht een investering in de toekomst is.’

‘Ik blijf een dromer. Ik heb net nog een oproep ondertekend om de Navo te ontmantelen, nu er toch geen echt tegengewicht meer bestaat. Het is alleen nog een logge machine. Ik geloof niet dat die oproep iets uithaalt, maar ik wil nog radicaal kunnen zijn. Ik wil die militairen een neus zetten – zelfs al zijn wij amper hoorbare stemmen. Als De Crem de blunder begaat om toe te geven dat er kernwapens liggen op Kleine Brogel, dan moet ik, als voormalige bomspotter, lachen.’

‘Naar mijn gevoel zou ik mijn kansen op deze wereld verknoeien als ik de mensen niet zou laten zien dat het anders kan. Het zou maar triest zijn als iedereen zich bij de dingen zou neerleggen. Onverschilligheid is voor mij de ultieme slechtheid.’

U heeft zich ook altijd een enthousiast voorstander van Europa betoond. De proloog in De spoorzoeker is een geromantiseerde ode aan wat Europa zou kunnen zijn. Bent u teleurgesteld in het huidige Europa?
‘Het is een traag proces, maar dat belet me niet om te blijven dromen van het ideaal van één groot, gealfabetiseerd continent. Het is nog altijd een unieke kans, ik hoop dat er nog landen bijkomen.’

‘Democratie kan geen haastwerk zijn. Alles wordt ook bemoeilijkt door de tegenstelling tussen onze joods-christelijke traditie en de islam. Onze cultuurgemeenschap heeft het moeilijk om die andere cultuur te absorberen, omdat we zelf in korte tijd van heel ver komen. Ik ben nog opgevoed als een katholiek knaapje. Amper vijftig jaar geleden droegen Vlaamse vrouwen ook nog een hoofddoek om naar de kerk te gaan. Intussen zijn er hier veel vrouwen die zich niet meer onder de knoet laten houden, maar zou het al de meerderheid zijn? Waarom verwachten we dan van moslimvrouwen dat ze zich in één klap emanciperen? Dat gebeurt wel, vooral dankzij het onderwijs. We moeten wat meer geduld hebben.’

U beschrijft in het boek hoe de taal in uw kindertijd een marginale rol speelde. Hoe hebt u het genot van de literatuur ontdekt?
‘Net daarom, denk ik. Er werd bij ons thuis veel gezwegen aan tafel. Voor een praatziek jongetje als ik was dat een verschrikking, al kon ik wel veel kwijt bij mijn moeder. Ik heb liever dat de dingen worden uitgepraat. Misschien begon ik als puber daarom te schrijven. Hopeloos romantische gedichten, vonden de twee klasgenoten die toen mijn critici waren.’

‘Voorts is schrijven een kwestie van volhouden. Het is een groot moment wanneer je voldoende moed verzameld hebt om je werk te laten lezen. Zo heb ik wel eens iets naar Herman de Coninck gestuurd, een spielerei waarvoor ik mij gebaseerd had op Georges Perec: een tekst waaruit de letter e verdwenen was. Pas op mijn 36ste heb ik gedebuteerd. Het voordeel is dat ik me niet hoef te schamen voor mijn debuut.’

‘Mijn oudste dochter kondigde onlangs aan dat ze schrijfster wil worden. Bij haar zal het niet zo lang duren voor ze debuteert, denk ik. Ze heeft talent – en ik zeg dat nu niet als vader. Ze kan kritiek van mij verdragen, we hebben vroeger genoeg ruzie gemaakt. Ik ben nooit een verheven vaderfiguur geweest. Ik heb ook nooit gedaan alsof literatuur iets heiligs is. Mijn dochters mochten mij altijd storen als ik zat te schrijven.’

Waar moet een lezer de sporen van Kamiel Vanhole gaan zoeken?
‘Waar? (lacht) Op mijn zolder. Daar breng ik de meeste tijd door, met zicht op de abdij van Vlierbeek.’

‘Voorts hou ik heel erg van Brussel. Ik heb ook al vaak over de stad geschreven. Het was de eerste stad die ik leerde kennen, en het blijft mijn lievelingsstad. Een grootstad, en toch gemoedelijk, met iets van een dorp – of beter: verschillende dorpen.’

‘De beste herinnering heb ik aan het parcours dat ik in “Ouwe sacoche, beschrijf, de weg die ik aflegde van het Centraal Station naar school. Daar heb ik mijn eerste indrukken van de stad opgedaan, en daar heb ik enorm genoten van alles wat je als twaalfjarige kan meemaken.’

‘Elke dag sprak ik daar met Staf Herten af, nu journalist bij Humo, die bij mij in de klas zat. We troffen elkaar in de wachtzaal waar altijd een doofstomme zat, met wie we dan probeerden te communiceren.’

‘In de hele mensenstroom was er ook elke dag iemand die mij goeiedag zei, iemand die ik niet kende, maar die ik altijd terug groette – simpelweg blij omdat iemand mij, de jongen uit het dorp, herkende. Dat zijn dingen waar ik met plezier op terugkijk.’

www.standaard.be
www.boek.be

Voeg een reactie toe

Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.

Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je:

  • (inter)actief deelnemen aan het gebeuren op onze site
  • een persoonlijke kalender bijhouden van je favoriete activiteiten
  • foto’s opladen en vrienden toevoegen
  • Favoriete foto’s, video’s, muziek, teksten of reacties bijhouden
  • andere reacties beoordelen
  • door Eva Berghmans (De Standaard, 28 mrt 2008)
  • Alle rechten voorbehouden Alle rechten voorbehouden
  • opgeladen op 31 mrt 2008
Tags

Gerelateerde activiteiten

Zogezegd in Gent – De verbeelding aan de macht?
04 apr 2008

Contact

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Contacteer ons)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital