,,Maeterlinck’’: werken in een atelier is een tredmolen zonder uitzicht.Phile Deprez
Muziektheater. Op enkele klasseflitsen na is ,,Maeterlinck’’ vooral een muziekavond in een naargeestig naaiatelier.
Met verbazend gemak heeft Christoph Marthaler de opdracht om in het NT Gent L’oiseau bleu te regisseren naast zich neergelegd, en zijn toevlucht genomen tot een jukebox klassieke muziek en een rist literaire citaten. Daar weet hij doorgaans wel weg mee. Hij laat zijn acteurs marineren in het materiaal en werkt er dan bevreemdende atmosferen mee uit.
In Maeterlinck is dat de onbehaaglijke spanning in een negentiende-eeuws naaiatelier. De medeplichtige bij uitstek is de scenografe Anna Viebrock, die eerder zoveel zwaarmoedige oostblokdecors maakte. Het waren muffe wachtkamers waar de personages hun bestaan verbeidden. Voor Maeterlinck heeft ze haar vormkenmerken behouden en toch trefzeker een vroegindustrieel textielfabriekje kunnen typeren.
De muren stralen onopgesmukte robuustheid uit, ze zijn vunzig en onderkomen, met afgebeten verflagen en dichtgepleisterde sleetgaten. Van de estrade rondom, waar het patronaat de werkverrichtingen inspecteert, zijn de tegels afgevallen. De werkvloer ligt bezaaid met losse stenen. Uit enorme stolpvormige lampen schijnt inspiratieloos wit neonlicht. Het zou geen ontwerp van Viebrock zijn, mocht er niet één kapot zijn. De hele voorstelling lang staat Marc Bodnar klaar met een nieuwe stolp; ze vervangen komt er niet van.
Onopvallend op de bovenrand hangt een bord met ,,Gezondsheidsstraat’’. Het is het soort straatnaam waarmee de oud-socialistische voorhoede zijn verlangen naar utopie vierde en de moraal van zijn murw gewerkte achterban probeerde op te vijzelen. Want in Maeterlinck wordt de uitspraak van Brecht weer springlevend: ,,de rijken leven van de armen, en de armen van de arbeid’’. Ze is van hetzelfde cynisme als dat waarmee een fabrieksbonze een gedicht over het vergankelijke lichaam afsteekt wanneer een naaister geëlektrocuteerd is.
Handenarbeid is van een ontheatrale saaiheid. Centraal op het podium sloven vier dames zich uit achter naaimachines. Het gesnor is van een slaapverwekkende monotonie, tenzij je er, zoals Marthaler, de muziek van onderkent. Alle motoren klinken anders. Soms groeien hun geluiden naar elkaar tot een unisono of zwellen ze aan tot een crescendo. Andere keren zoemen ze een meerstemmig kwartet.
Die machines zijn tegelijk de beperking van de voorstelling. De spelhandelingen zijn niet eindeloos. Met hun lange haren (denk aan Pelléas en Mélisande) raken de naaisters verstrikt in hun machine, soms staren ze dromerig naar buiten. Zelfs in hun slaap, met het voetpedaal als hoofdkussen, snorren de machines verder. Nu en dan gaat de fabrieksbaas wat amechtig met een meisje in de kast frunniken. Monsieur est servi. En vervolgens gaat hij weer met een hoofdpijngezicht aan de zijkant zitten. Het is geen pretje om symbolistische introspectie te spelen.
Wegens mondjesmaat acteerspel en een los citaat of overspannen gedicht tussendoor, is de muziek de dragende factor. Plechtstatig als een koster tokkelt Bendix Dethleffsen enorm veel Satie (tijdgenoot van Maeterlinck) uit zijn piano, en jongleert hij verder met stijlen en registers. Als een opgewekte vlinder komt een vleugje Mozart binnendartelen, het thema uit Carmen lijkt wel eindeloos en het baroklamento van Dido and Aeneas wordt herleid tot een alledaagse dienstmededeling. Alleen is niet zo duidelijk welke rode draad deze jukebox eigenlijk spint.
Vulgaire volksliedjes
Bij momenten kristalliseert zich uit de onbestemdheid een onvolprezen Marthaler-moment. De acteurs van het NT Gent en Toneelgroep Amsterdam manifesteren zich in welluidende samenzang, en supertalenten als Graham Valentine en Rosemary Hardy kunnen op hun eentje een scène uit het niets opbouwen.
Meesterlijk is het groepsfragment waarin vulgaire volksliedjes als ,,Viva Bomma’’ en ,,Broekschijterij’’ zowel schel geroep, een geschoolde operastem als frivole jodel combineren. Marthaler is sowieso niet vies van een herhaling, maar deze keer krijgen de veelvuldige terugkeermomenten inhoudelijk zin: werken in een atelier is een tredmolen zonder uitzicht.
Zoals wel vaker de laatste tijd, balanceert Christoph Marthaler op een slappe koord. Snelle research, waarin hij zich verlaat op trivia, enkele clichés en de hoogstnodige bagage, kon hij in zijn voordeel wenden. Winch only, waarvoor hij zich vorig jaar op Brussel inspireerde, getuigde niet van veel inhoud, maar werd gered door een deugnietachtige bevlogenheid. Nu die in het zoveel vlakkere Maeterlinck ontbreekt, valt de verbazingwekkende leegte op die onder dit werk schuilt.
Alle rechten voorbehouden


Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je: