www.vooruit.be

Alsof mijn gezin op een zinkende boot zat waar iedereen naar zwaaide

Omschrijving

Een voorpublicatie uit Simone Atangana Bekono’s kortverhaal ‘Begrafenis’

Wie een halve eeuw geleden een bloemlezing had samengesteld van de Nederlandse en Vlaamse schrijvers du moment, zou op 99% witte auteurs uitgekomen zijn. Anno 2018 is dat wel even anders: grote groepen migranten uit Afrika hebben zich gevestigd in de Lage Landen en de literatuur een ander gezicht gegeven. ‘Zwart - Afro-Europese literatuur uit de Lage Landen’, een nieuwe publicatie bij uitgeverij Atlas Contact, illustreert dat. De auteurs in het boek verschillen qua thuisland, cultuur en taal maar ze hebben twee dingen met elkaar gemeen: ze verlieten het continent van hun (voor)ouders én hun identiteit is hybride.
Een van die auteurs is de Nederlandse Simone Atangana Bekono. Ze schrijft proza, theaterstukken en poëzie en werkt daarnaast aan documentaires en videokunst. In haar werk onderzoekt Atangana Bekono het effect van sociale stempels rondom ras, gender en geslacht op de belevingswereld van individuen. Op de volgende pagina’s vind je een voorpublicatie van haar bijdrage aan ‘Zwart’, het kortverhaal ‘Begrafenis’.

 

Simone Atangana Bekono - Begrafenis

Nadat oom Frederick rond vier uur ’s middags, zestien dagen voor kerst, zijn laatste adem had uitgeblazen, werden de voorbereidingen voor zijn begrafenis efficiënt in gang gezet. Bella belde direct erna mijn moeder op. Mijn moeder hing haar jurk aan de deur van haar kledingkast en stelde ons een voor een op de hoogte, terwijl ze de rest van
haar outfit verzamelde en ons aanwijzingen gaf voor wat wij aan moesten trekken.

De begrafenis verliep zonder een enkel mankement, met dank aan mijn moeder en Bella. Oom Frederick werd herdacht aan de hand van anekdotes over zijn werk als consultant in de ict, waar hij goed in was geweest. We luisterden naar Led Zeppelin en Ramses Shaffy, Bella huilde tijdens haar toespraak, m’n moeder niet tijdens de hare. De foto
die op zijn kist stond, omringd door witte en rode bloemen, was ironisch genoeg precies het beeld van mijn oom
dat ik me voor de geest haalde als ik aan hem dacht. Het portret was door Bella gemaakt tijdens een familiefeest,
waar oom Frederick net iets onbehoorlijks tegen mijn vader aan het schreeuwen was toen Bella de camera omhoog hield en ‘Cheese!’ riep. Met z’n borstelige, halfgrijze snor en dat vale bruine jasje met geruite blouse eronder
keek oom Frederick met glimmende lippen geschrokken de camera in.

Dit portret was zo verschrikkelijk omdat alles wat er te haten viel aan oom Frederick werd blootgelegd. Mijn oom had last gehad van rode vlekken in z’n nek, soms door de inspanning, soms door de alcohol of van woede. Hij had grote blauwe ogen waardoor het, wanneer hij zich kwaad maakte, leek alsof hij blind was en ijlend in het niets schreeuwde. Ter verdediging van Bella: het was lastig om tijdens een familiegelegenheid oom Frederick op een andere manier vast te leggen dan snauwend tegen m’n vader. Ze maakten standaard ruzie. Mijn vader was nu eenmaal met mijn moeder getrouwd, en mijn moeder was nu eenmaal Fredericks zus, wat betekende dat mijn vader om de haverklap Frederick moest waarschuwen dat hij niet te ver moest gaan met zijn grappen over mijn moeders figuur, intellect, kookkunsten en vaak ook ons, haar kinderen. Niemand wist tijdens welk feest de foto was genomen, maar oom Frederick zag er nog redelijk jong uit. Minder rood aangelopen dan in de laatste jaren van zijn door kanker geteisterde leven, en daardoor krachtiger, enger. Ik kon m’n ogen niet van de foto afhouden. Ik probeerde aan iets anders te denken - vakantiebestemmingen, wijnsoorten, de mentale toestand van Kanye West - maar niets kon op tegen die foto. Als een waarschuwing stond die op de kist.
Ons gezin zat tijdens de ceremonie een rij achter het gezin van oom Frederick en Bella. Mijn moeder had uit eigen wil plaatsgenomen op de tweede rij, dus waren we haar voorbeeld gevolgd. De oudste zoons van oom Frederick zaten vooraan naast het gangpad zonder hun moeder, oom Fredericks eerste vrouw, die waarschijnlijk had bedankt voor de gelegenheid. Daarnaast zaten de jongere dochters die hij met Bella had gekregen, en Bella daar weer naast, met haar arm om de stoel van de jongste dochter geslagen. Mijn moeder keek over de kist heen uit het raam of naar haar nagels, behalve toen ze als laatste spreker kort het woord nam achter de katheder en oom Frederick met afgemeten stem een vredige reis naar het hiernamaals wenste.
Na het gedoe aten we cake en dronken we koffie, ons gezin aan de ene tafel, het gezin van oom Frederick aan de andere, en lieten we ons de handen schudden door vrienden, neven en nichten, andere ooms en tantes, bekenden en minder bekenden, collega’s, bazen, voetbalvrienden. Mijn broertje excuseerde zich, waarschijnlijk om ergens een joint te roken, wat me een goed idee leek. Zijn gezicht had op een gegeven moment iets weg gekregen van een in elkaar gestompte vleescombinatie, waar met moeite tanden in waren gepropt om een soort glimlach te suggereren: gespannen, ongelukkig, onwillig. De aderen in de nek van mijn zus leken ook op knappen te staan. Mijn zusje, de
jongste, had haar telefoon constant in haar hand om zichzelf van de ongemakkelijkheid af te kunnen leiden. Ikzelf
voelde hoe zich in mijn buik maagzuur verzamelde bij elke collega die ons kwam condoleren. Ik voelde me verloren,
alsof mijn gezin op een zinkende boot zat waar iedereen naar zwaaide, maar vervolgens zonder actie te ondernemen langs voer.

 

“Niets aan oom Frederick had me ooit het idee gegeven dat hij het zou waarderen als er na zijn dood nog een feest ter ere van zijn leven zou worden gegeven”

 

In de auto op weg naar het huis van oom Frederick en Bella begon mijn broertje te huilen. Het duurde niet lang. Hij begon tijdens het nieuws van vijf uur en eindigde tijdens de weersvoorspelling, alsof hij was vergeten wat de bedoeling was en de stilte wilde doorbreken met iets banaals, in plaats van, zoals de rest van ons, te zwijgen zodat we niets respectloos zouden zeggen. Even dacht ik dat mijn moeder ook zou breken, maar dat deed ze niet. Ik gaf mijn broertje de tissue die ik al sinds het neerdalen van de kist in mijn vuist geklemd hield, waar hij zijn neus in snoot en toen de condens mee van de ramen begon te vegen. Mijn moeder zette de radio uit, alsof ze na zijn korte huilbui genoeg had
van alle geluid, en reed de twee-onder-één-kapwijk in waar mijn oom jaren met Bella had gewoond. Ze manoeuvreerde
de auto gemakkelijk door de hofjes en kromme straten, zoals ze, besefte ik ineens, vaker moest hebben gedaan dan ik dacht.
‘Sorry,’ zei m’n broertje tegen niemand in het bijzonder nadat mijn moeder de auto voor de deur van oom Fredericks huis had geparkeerd.
‘Maakt niet uit,’ zei mijn zus terwijl ze uitstapte. Ik wisselde blikken uit met de jongste. Mijn moeder belde aan.
‘Moet dit eigenlijk echt?’ fluisterde die.
‘Ik heb geen idee,’ zei ik. Ik wist het ook niet.
Niets aan oom Frederick had me ooit het idee gegeven dat hij het zou waarderen als er na zijn dood nog een feest ter ere van zijn leven zou worden gegeven, maar ik kende hem ook niet goed genoeg om te weten wat hij wel had gewild.

 

“Even dacht ik dat mijn moeder ook zou breken, maar dat deed ze niet”

 

Het was niet zozeer een feestje, maar iedereen stond er in de woonkamer van Bella wel op die manier bij. Op een speciale hapjestafel waren koffie, hapjes, bier, wijn en – om oom Frederick te eren – een aantal flessen rum uitgestald. De schuifdeur naar de achtertuin werd gebarricadeerd door die tafel, wat me direct benauwde. De eettafel was er dwars tegenaan gezet, vol met schaaltjes snacks, wijn- en longdrinkglazen, theekopjes en schoteltjes en kleine borden voor het eten.
De woonkamer van Bella en oom Frederick was perfect voor partijtjes, met veel bijzettafeltjes, smakeloze schilderijtjes en andere onzinnige decoraties die in de aanwezigheid van een grote groep mensen ineens een raar soort gezelligheid opriepen. Bella hield van goudkleurige kitsch en glazen siervazen, wat normaliter een museumachtige sfeer opriep, maar de ruimte nu in het gele licht van de spaarlampen iets betoverends gaf.
Mijn moeder en Bella waren in het begin nog druk in de weer met servetten, vorken en rechauds, maar toen alle
tantes en vriendinnen arriveerden, begonnen die te protesteren dat ze wel uitgeteld moesten zijn en namen ze het werk over. Mijn moeder en Bella werden haast met geweld op de bank geduwd, waar ze de rest van de avond ook bleven zitten. De wereld zou naar hen toe komen.
Het duurde een tijdje voor we doorhadden dat mijn moeder zich, te midden van alle beleefde handdrukken, kussen en aanbiedingen voor nog een glas van dit, nog een stukje dat, in een aardig tempo aan het bezatten was. Het viel pas op toen mijn broertje terugkwam na weer een kwartier naar de achtertuin te zijn verdwenen (deze keer met oom Fredericks oudste zoon). Ik was de saladeschaal aan het vullen met vies bestek toen hij schamper lachte en mij aanstootte. Hij wees naar de andere kant van de kamer. Mijn moeder zat tegen Bella aan geleund in het midden van de bank, met een van de flessen rum tussen elleboog en borst geklemd, in zichzelf te mompelen. Met haar vrije hand zwaaide ze alsof ze herhaaldelijk werd lastiggevallen door een opdringerige vlieg. Van een afstand, en als je haar niet kende, leek het net of ze een grappig verhaal hoorde, maar ze sprak tegen niemand en niemand tegen haar. Haar benevelde toestand zorgde ervoor dat mensen discreet de andere kant op keken, om haar heen liepen, vriendelijk lachten terwijl ze naar hun partner seinden dat ze onderhand maar eens moesten gaan voor het hier uit de hand liep.
 

Lees de volledige tekst in ‘Zwart - Afro-Europese literatuur uit de Lage Landen’ (samengesteld en ingeleid door Vamba Sherif & Ebissé Rouw), uit bij uitgeverij Atlas Contact. Het boek is te koop vanaf donderdag 1 februari en kost €21,99. Met bijdragen van Simone Atangana, Olave Basabose, Neske Beks, Heleen Debeuckelaere, Nozizwe Dube, Clarice Gargard, Dalilla Hermans, Sabrine Ingabire, Kiza Magendane, Ahmad Al Malik, Alphonse Muambi, Hélène Christelle Munganyende, Melat G. Nigussie, Seada Nourhussen, Anousha Nzume, Olivia Rutazibwa, Vamba Sherif, Babah Tarawally en Chika Unigwe.

 

tekst: Simone Atangana Bekono - beeld: Masha Bakker

 

Zwart - Afro-Europese literatuur uit de Lage Landen
met o.a. Dalilla Hermans / Shamisa Debroey / Nozizwe Dube / Heleen Debeuckelaere / Lisette Ntukabumwe
do 01.03 - 20:00 Balzaal
literatuur / boekpresentatie

Dit artikel werd geschreven op 31.01.18

Reageer