www.vooruit.be

Katja Petrowskaja: "In alles wat ik schrijf zoek ik naar de juiste vorm en afstand"

 

Omschrijving

'Misschien Esther' is het in het Duits geschreven debuut van Katja Petrowskaja (1970), die als Russische in Kiev werd geboren en studeerde in Tartu (Estland), Moskou, New York en San Francisco. Sinds 1999 woont en werkt ze in Berlijn. Haar boek beschrijft haar zoektocht naar het verhaal van haar familie, Joodse slachtoffers van het nazisme en stalinisme. 'Misschien Esther' werd bekroond met de Ingeborg Bachmann-prijs, groeide uit tot een bestseller en is inmiddels in twintig talen vertaald.

 

Waarom schreef je 'Misschien Esther' in het Duits?

Het boek is een zoektocht naar een familie en een taal. In feite is het mijn flirt met de Duitse taal en ik maakte mij zorgen of dat wel viel te vertalen. Het gaat om de logica achter taal en de intensiteit ervan, niet om het spelen met woorden. Tijdens het gesprek met mijn vertaler kwam ik erachter dat veel van wat ik schreef zijn grondslag in het Russisch vond. Daarvan was ik mij niet bewust. In het begin van het boek gebruik ik het woord ‘wisselwachter’, dan ‘hoor’ ik het Russische woord dat pijl betekent. Het verwijst naar de wijzers van de klok en naar schieten. Dat verlies je allemaal in een vertaling.

 

Zocht je ook naar je Joodse identiteit?

Ik schreef dit boek in het Duits, omdat veel mensen van mij een Jood wilden maken. En dat was ik niet, ondanks dat ik er misschien onder leed dat ik het niet was. Iedere ‘Berliner’ kent meer Jiddische woorden dan ik. Nu is de Sovjet-Jood iets bijzonders. Om te beginnen wist Napoleon Rusland niet te veroveren, waardoor de Joden geen burgerrechten kregen, zoals in Europa. Het duurde tot de revolutie van 1917 dat ze echt deel konden uitmaken van de maatschappij.

Hierdoor ontbrak het normale proces van assimilatie. Ze waren gedoemd tot een leven in hun kleine gemeenschappen. Het was hun verboden te leven in de grote steden. Slechts twee procent kon naar een universiteit. Hun niveau was hoog, want ze moesten tien keer beter zijn dan ‘gewone’ Russen. Ze wilden van hun Joods-zijn af, dat was hun droom en die kwam gelijk op met het verkrijgen van burgerrechten. Ze wilden de shtetls uit, de wijde wereld in. Russisch spreken, banen krijgen, studeren wat je wilt. Daardoor waren ze de meest enthousiaste groep tijdens de revolutie.

De Tweede Wereldoorlog vernietigde vooral het ‘oude’ Jodendom. Dat merk je in Kiev. Mijn grootvader was ambtenaar. Veel Joden werkten in Sovjetstructuren, zoals scholen en bedrijven, en mochten reizen. Wie geen communist was of geen onderdeel vormde van het systeem moest blijven. Na de oorlog waren er vrijwel geen Jiddisch sprekende joden meer. Alleen joden die Russisch spraken vormden het restant. Zelfs mijn vader, die van 1942 is, spreekt geen Jiddisch meer. En ook de kennis van het geloof ontbreekt bij mij.

 

Hoe reageren mensen daarop?

In Parijs was ik te gast in een erg precieus radioprogramma, en de interviewer wilde van mij, nota bene op de dag van de bevrijding van Auschwitz, een Duitse Jood maken. Ik ben een Russische uit de Oekraïne! Soms schaam ik mij voor mijn Joods-zijn en heb ik het gevoel dat mensen mij zo maken, omdat ze zich dan beter voelen. En hoe gek het ook klinkt, toen ik ‘Misschien Esther’ schreef hoopte ik daardoor meer Joods te worden. Ik was zoekende. Maar dat bleef uit…

Toen ik in Amsterdam woonde en Nederlands probeerde te leren, zei iemand tegen mij dat ik beter mijn Russische accent dan het Duitse kon laten horen. Ik zei: ‘Hoezo? Mijn stad, Kiev, is indertijd vrijwel compleet verwoest. Je hebt geen idee, jouw land vocht vier dagen… En nu praat je met mij alsof je een dode Jood bent? Alsof je een heilige was en iedereen bezig was met het redden van Anne Frank. In Duitsland is dat anders. Toen ik met mijn Duitse vriend ging samenwonen, zagen oude vrouwen het als het bewijs dat de oorlog echt voorbij was.

 

‘Niemand vergeten en niets vergeten’, was ook een titel voor het boek geweest.

Nee, ik vind het pathetisch, het is een citaat uit een gedicht over de blokkade van Leningrad. Het was het motto voor de Sovjet-herinneringscultuur. We moesten ons verlies door deze oorlog memoreren, terwijl tegelijkertijd de herinnering onderdrukt werd. Woorden als krijgsgevangene en holocaust kwamen niet voor in dit verhaal. Ik groeide op in Kiev, heb daar geschiedenis gestudeerd en kwam geen regel over deze onderwerpen tegen. Mijn boek bevat veel van deze ‘slogans’. Het krijgt daardoor iets van een sprookje. Net zoals mijn moeder het altijd over zeven generaties leraren had. Het waren er maar vijf. In een familieverhaal kan dat, als je onderzoek doet, niet.

Met de titel 'Misschien Esther' ben ik erg tevreden. Daardoor is het fictie, het is dat wat we weten. Het ging immers om het zoeken naar de waarheid. Ik las kilometers tekst over Babi Jar, het ravijn in Kiev waar gruwelijke moordpartijen plaatsvonden, om het vervolgens niet te gebruiken. Het gaf mij het recht om ‘te zien’. Je creëert beelden of probeert het verhaal van je familie te beschrijven. Maar het blijft diffuus. Het verleden, de kamer die je betreedt en dan moet het ook nog eens de juiste kamer zijn, de boeken die je daar moet lezen, geven niet de realiteit van dat verleden weer. Zo makkelijk is het niet. Research geeft niet alles wat je zoekt. In alles wat ik schrijf zoek ik naar de juiste vorm en afstand.

Lees het volledige interview op tzum.info.

 

© Peter De Rijk / www.tzum.info

 

Dit artikel werd geschreven op 01.03.16

Reageer