www.vooruit.be

interview met Ewout D'Hoore - regisseur le sacre du printemps

  •    
  •    
   
vorige
volgende

Omschrijving

Ewout D’Hoore maakt samen met Michiel Soete, Tandie McLeod en een cast van senioren een herwerking van het ballet Le Sacre du Printemps, in het kader van Possible Futures. Het gesprek met Ewout speelt zich af in woon- en zorgcentrum De Vijvers, waar de hele cast verblijft en waar het stuk te zien zal zijn.

In het stuk gaat het over iemand die moet opgeofferd worden vóór de lente kan aantreden, over leven en dood dus. Maken de senioren soms de reflectie naar zichzelf, dat het ergens ook een stuk over zichzelf gaat?

Ja, zeker. Er was aanvankelijk een scène waarin iemand gekozen werd als de persoon die wordt opgeofferd. Toen begonnen we vanuit het standpunt ‘wie de volgende op de lijst is’. Elk jaar sterven er in dit zorgcentrum ongeveer 80 personen, dus het is een kwestie van wie de volgende is.

Behoorlijk hard.

Minder hard dan je zou denken, er niks over zeggen is harder.

Ik denk dat we er wel erg hard in geloven dat het betekenisvol is om daarover te praten. En het niet weg te moffelen achter gespecialiseerde mensen die in al hun deskundigheid wel weten wat er in dat soort situaties ‘moet’ gebeuren.

Is dat iets wat je probeert mee te geven aan je publiek?

Nee, helemaal niet.

Want na de dood van je moeder die zelf haar laatste dagen in een zorgcentrum doorbracht zei je dat daarmee omgaan nog steeds iets moeilijks is.

Mijn moeder is heel mooi gestorven, in een heel goede context. Alleen merkten we dat de bewoners waarmee ze leefde het er heel erg moeilijk mee hadden. En daarover zwijgen was nog moeilijker, want dan bleef iedereen in z’n eigen hoekje zitten, te denken, naar elkaar kijken en zich afvragen: “we weten allemaal dat er op die gang iemand aan het vertrekken is, en wie zal de volgende zijn?” Alle mensen die bij mijn moeder woonden praatten tegen me in de zin van “het is nog niet zover”, en “dat mag niet nog niet, en dat kan niet”. Daar zat heel veel gêne in, maar niet bij het zorgcentrum en de verzorgers.

Ik vind het ook iets makkelijks om kritiek te hebben op een zorgcentrum. Het is blijkbaar ook niet het geval dat we ouderen vlugger naar een rusthuis brengen, mensen blijven vandaag de dag ook langer thuis wonen. Dat is een idee dat leeft, en daar moeten we vanaf.

De wegwerpmaatschappij?

Dat, ik weet niet of dat waar is. Ik durf daar vragen bij te stellen. Ik denk dat we bang zijn om dingen te doen die we op zo’n momenten en op zo’n plekken eigenlijk willen doen.
Dat merkte ik ook bij de dood van mijn eigen moeder, op een gegeven moment heb ik me in haar bed gezet, nam ik haar in mijn armen en zo is ze gestorven. Da’s heel vreemd om te doen, terwijl zo’n zorgcentrum er helemaal niets op tegen heeft. Dat eigenlijk zeer oké vindt. Er is een heel erg grote gêne om alles met veel netheid en deskundigheid te doen, en daar moet je vandaag de dag aan voorbij durven gaan. Dat ligt vooral aan ons, eens je dat ook echt doet vind je weinig weerstand.

Ik vind het wel moeilijk om op zo’n plek te komen.

Het blijft confronterend?

Ja, tuurlijk (lacht). We lopen allemaal rond en vragen aan elkaar ‘wil jij hier graag zitten?’, bekeken vanuit de fase van ons leven waar we ons nu in bevinden. Natuurlijk zouden we hier in het leven dat we nu leiden niet graag zitten. Anderzijds heb ik wel zin om verzorgers te pesten en met pudding te gooien, en op mensen die activiteiten voor me organiseren te antwoorden dat ik geen goesting heb. Ik blijf televisie kijken (lacht).
Dat is ook die bril die we allemaal opzetten; alles is vies en iedereen draagt hier pampers… Maar pampers zijn ook maar pampers.

Vind je het werken met ouderen op zich een meerwaarde voor het stuk? Gisteren tijdens de repetitie was er bijvoorbeeld iemand die meerdere pogingen nodig had om een lamp in te schakelen. Alles verloopt veel moeizamer en krijgt nog wat extra tragiek. Herken jij dat ook?

Voor mij gaat het daarover, dat die mensen er nog zijn en voor om het even welke reden hun kamer nog verlaten en aan een activiteit meedoen. En dat zien zitten. Over dat er ondanks alle moeizaamheid en zenuwslopende traagheid een levensdrang is. Misschien is het ergens een troost dat mensen die het nog tien tot vijftien keer moeilijker hebben nog de moed vinden om iets te doen. Iets, wat dan ook. We zijn nu de laatste weken met een groep mensen bezig waarvan ik weet dat ze hier graag zijn. Is dat omdat Michiel (pianist) charmant is? Omdat we hier met z’n drieën aandacht aan hen besteden of omdat er koffie is? Dat maakt me niet zo veel uit.

Als er één lijn in de voorstelling zit... Le Sacre is een heel vreemd ding, er gebeurt niks. Er is een soort exposé en dan wordt er iemand gekozen die zich dood danst. Heel erg ambigue. En is iedereen dan blij? Is het dan een feest? Het is voorbijgaan, positief of negatief, het onherroepelijke van ons bestaan. Maar da’s maar één ding, da’s niet eens vertelling, geen a-b-c. Het tragische van de mens is dat iedereen geboren wordt en ooit absoluut moet gaan. En dat weten we allemaal maar we slagen erin om dat elke dag te vergeten. Leve ons vermogen tot dementie!
Da’s ook goed, misschien is dat ook wel het feest van mens te zijn. Om dat te kunnen vergeten, en desondanks alle moeilijkheden en alle sombere perspectieven die er zouden zijn toch..

doen wat je wilt doen.

Ja. Ik vind dat mensen hier in het zorgcentrum ook niet zo ongelukkig zijn. Het valt me heel erg op. Het voelt heel somber als je hier aankomt, maar dat is helemaal niet waar. Ze zijn helemaal niet somber, ze kijken naar dingen uit; wanneer er kleuters langskomen, of wanneer de crèmekar op de gang van hun kamer staat.

Met de vragen waarmee wij hier binnenkomen zijn zij niet meer bezig. De meeste mensen die hier aankomen zijn de etappe om de plek in vraag te stellen en zich af te vragen of ze hier willen zijn of niet al voorbij.

En wat doe je dan? De aanleiding is ook de vraag wat je doet op het moment dat je weet dat je onherroepelijk achteruit gaat. Het Hugo Claus-effect dat in Vlaanderen erg heftig was bijvoorbeeld, toen dachten velen: ‘Alzheimer is horror, geef maar zo vlug mogelijk het spuitje want voor alle betrokkenen is er alleen maar ellende’. De directrice van het zorgcentrum waar mijn moeder verbleef vond zoiets choquerend, en was het er helemaal niet mee eens. En ik ook niet. Mijn moeder heeft tien jaar lang Alzheimer gehad en ik had nooit de gedachte dat er nu wel best een eind aan komt. Dat is moeilijk, maar dat is niet de hel. Ik vond het geweldig dat ik de kans had om afscheid te nemen, in verschillende stadia. Dat duurde wel lang en was moeizaam, maar wel ongelofelijk waardevol. Het hele denken dat die achteruitgang en die ellende zo groot is, en dat het dus niet meer loont, daar ben ik het niet mee eens.

Bij het begin van de repetitie fluitte Roger de eerste noten van ‘La vie en rose’, is dat iets wat je zelf toevoegde?

Nee, de eerste 6 noten van Le Sacre liggen heel dicht bij La vie en rose. Roger maakt er zelf La vie en rose van. En op een bepaalde manier klopt dat volledig (lacht).

Blijft het niet vreemd om dat nummer bij een tragische voorstelling te horen?

Ja, maar ergens hoort dat erbij. Het begin van het stuk is redelijk romantisch, of waar het kan is het romantisch. Ik vind het geen harde, donkere voorstelling. Er zit wel wat romantiek in. Dat vind ik wel kunnen. Die gedachte maakten we bij onszelf: we moeten het ons kunnen permitteren om romantisch te zijn.
Roger is ook wel frivool. Ik vind het mooi dat als je met de bewoners iets begint te zingen dat het altijd heel romantische nummers zijn. Het is gewoon mooi, in zijn fragiliteit.

Zo’n dingen gebeuren, de voorstelling is doorspekt met dingen die gewoon gebeuren. We vertrokken van de basiselementen van Le Sacre du Printemps en dan zie je waar je uitkomt en wat er gebeurt. Ze zijn ook echt niet te regisseren. Het gaat allemaal heel traag maar ergens ook heel snel. Je hebt maar heel weinig tijd om concentratie van hen te vragen en er iets mee te doen. En dan heb je heel snel een resultaat en blijft het daarbij. Een scène 17 maal hernemen is geen optie. Het is zoeken naar een manier om uit wat er gebeurt meteen iets betekenisvol te destilleren.

Zoals je daarnet zei dat je een stuk met hen maakt om ze iets te laten doen? En geen stuk maakt met als enige doel dát stuk te maken.

Nee, ik wil dat er toch iets gebeurt. Ik wil de ruimte openbreken die er normaal gesproken niet is. Een moment waarin je die alledaagse banaliteit en de meer wezenlijke dingen kan laten samenlopen. En dat er geen probleem aanwezig is. Een heel utopisch stuk eigenlijk (lacht). Voor mij is er geen kritiek op de instelling, of op hen of op ons. Er wordt niemand beschuldigd, er is een onoverkomelijk verloop. In het begin is alles heel erg herkenbaar en dan verandert het. Maar goed, de voorstelling is nog niet helemaal af en we gaan nog een tandje bij moeten steken om er te komen, maar dat is alvast het opzet; om het te doen.

Is dat voor hen? Ik denk het niet. Ik denk dat het meer voor onszelf is. Om onze angsten en gêne om hier te zijn te bezweren. Om te denken aan die mensen, of om er niet aan te denken. Ik denk dat dat wel redelijk herkenbaar is. De uitnodiging is om het publiek hieraan te laten deelnemen, hier te zijn en even die tijd zwaar te vertragen.
 

Dit artikel werd geschreven op 16.10.13

Reageer