- Alle reacties
- Reacties geschreven nà de activiteit (4)
Voeg een reactie toe
Gelieve aan te melden of te registreren om commentaar toe te voegen.
Lid worden is gratis en duurt slechts enkele minuten. Als lid kan je:
- (inter)actief deelnemen aan het gebeuren op onze site
- een persoonlijke kalender bijhouden van je favoriete activiteiten
- foto’s opladen en vrienden toevoegen
- Favoriete foto’s, video’s, muziek, teksten of reacties bijhouden
- andere reacties beoordelen


De edele kunst van het tussen de plooien vallenl Belgisch topmuzikant Kris Defoort speelt na componeren van opera weer jazz met nieuw trio
(artikel over Kris Defoort in De Tijd)
‘Ik ben iemand die graag tussen twee plooien valt’, zegt pianist en componist Kris Defoort, die naam maakte in zowel de klassieke wereld en het hedendaagse muziektheater als op de jazzpodia. ‘Ik opereer in een soort niemandsland, met een soort bastaardtaal.’ Steeds meer mensen vallen voor die taal met een herkenbare, discipline-overschrijdende handdruk, die grenzen doet vervagen.
Defoorts tweede opera ‘House Of The Sleeping Beauties’ werd door het toonaangevende blad Opernwelt uitgeroepen tot beste nieuwe creatie van 2009 en de bijbehorende cd heeft de René Snepvangersprijs gekregen voor de beste Belgische opname. Maar wie dacht dat zo veel lauwerkransen betekenen dat Defoort zich vanaf nu alleen nog maar met opera gaat bezighouden, zit er ver naast. Vanaf vanavond trekt hij met een nieuw jazztrio op tournee. Om te improviseren, vers eigen materiaal te brengen én misschien zelfs wat literatuur te reciteren, want die vrije wisselwerking tussen stijlen en disciplines heeft hij nodig. ‘Jazz spelen voedt me en geeft me de mentale rust om me daarna weer 100 procent op iets anders te gooien.’
Zo is er in het najaar meteen al een nieuw project rond de dichter Joseph Brodsky. Het idee om iets te doen met de existentiële teksten van de Russische Nobelprijswinnaar lag al op tafel toen er samen met acteur Dirk Roofthooft en regisseur Guy Cassiers moest worden beslist over de vorige opera. Niemand heeft er achteraf spijt van gehad dat er toen voor gekozen werd om ‘House Of The Sleeping Beauties’ van de Japanse auteur Yasunari Kawabata te bewerken. Maar in het hoofd van Defoort en dat van Roofthooft bleef de naam Brodsky hangen.
Passie
En ja, er komt ook een nieuwe opera. Maar pas in 2013. Voor Bernard Foccroulle, de vroegere intendant van De Munt en nu directeur van het Festival van Aix-en-Provence. De eerste vergadering vond deze week al plaats. Nog deze week kreeg Defoort het aanbod om een eerste solopianoconcert te geven in Japan. En intussen blijft hij ook losse podiumontmoetingen inplannen met andere jazzmusici of met een danser-choreograaf zoals Salva Sanchis van Rosas. ‘Eigenlijk is dat een extreme tegenpool van mijn werk als componist. Als ik componeer, dan ben ik een echte operaman en stel ik me zeer zelfkritisch en veeleisend op. Dan word ik een controlefreak. Maar al improviserend kan ik dat allemaal loslaten.’
Het lijkt alsof Defoort op zijn vijftigste alles op een rijtje heeft, maar dat is niet altijd zo geweest. Hij komt van ver. ‘De moeilijkste periode heb ik doorgemaakt rond 1990, toen ik terugkwam uit New York. Om geld in het laatje te krijgen, ging ik overal spelen, tot in het kleinste café. Ook toen ik in Luik woonde, moest ik al met de hoed rondgaan om te overleven. Het was dan misschien geen zuivere artistieke expressie, die ervaring om voor alle lagen van de bevolking te spelen heeft me wel een voorsprong gegeven op muzikanten uit het klassieke milieu.’
Pas sinds Defoort in 1998 componist in residentie werd bij het muziektheaterhuis LOD, gaat het hem voor de wind, artistiek én financieel. Samen met het geld dat hij verdient door een dag compositie en vrije improvisatie te doceren aan het conservatorium in Brussel is zijn salaris bij LOD net voldoende om zijn geest vrij te houden. ‘Het heeft me jaren gekost om tot deze ideale situatie te komen. Ik hoef geen dingen meer te aanvaarden waar ik artistiek niet achter sta. Ik zal er nooit rijk van worden, maar daar lig ik niet wakker van. Dat alles wat ik doe uit mezelf komt, is me veel meer waard.’
In vergelijking met andere muzikanten is de carrière van Defoort vrij traag op gang gekomen. Hij lijkt zijn tijd te hebben genomen. Eerst studeerde hij blokfluit en oude muziek aan het Antwerpse conservatorium, vervolgens compositie en hedendaagse improvisatie aan het conservatorium van Luik, en daarna ging hij meerdere jaren in New York wonen om er samen te spelen met muzikanten uit verschillende culturen. ‘Zo bewust is dat niet gegaan. Alles is gegroeid uit passie. Op mijn zestiende heb ik zelfs nog rock gespeeld op elektrische gitaar, maar daarna wilde ik Benjamin Britten zijn, en dan raakte ik in de ban van de jazz, wat uiteindelijk mijn grootste passie is geworden. Maar het klopt dat ik graag de tijd neem om dingen te ontwikkelen. Ik leef eigenlijk in constante onthaasting. Dat komt omdat ik niet zozeer op een academische manier bezig ben, maar omdat ik probeer te beleven vanuit het doen.’
Creëren
Die onthaasting is haast een tweede natuur geworden. ‘Zeker het componeren van een opera is erg confronterend. Dan is het de kunst rustig te blijven. Ik kan redelijk goed om met deadlines, in die zin dat ik er mijn vaste rituelen niet voor oversla. Ook al heb ik nog maar twee dagen voor een première, ik zal er ’s ochtends mijn krant niet voor laten. Zelf als ik dringend een partituur moet binnenbrengen, dan nog zal ik een uur op de sofa gaan liggen en mijn roman verder lezen, om daarna veel geconcentreerder te kunnen werken. Als ik me emotioneel te veel laat meeslepen en te gestresseerd raak, bestaat de kans dat ik blokkeer. En dat wil ik vermijden.’
Nu het managementbureau Aubergine sinds een klein jaar een deel van Defoorts administratie heeft overgenomen, is die kans nog een stukje kleiner geworden: ‘Er zijn mensen die hun papieren in vijf minuten op orde hebben, maar ik zou er minstens twee uur mee bezig zijn, compleet gefrustreerd raken, en niets meer kunnen creëren. Dus doe ik alles om die ruimte in mijn hoofd vrij te houden om te kunnen blijven creëren.’
Dat Defoort op zijn vijftigste – na uitstappen via tal van jazzformaties, als muzikant en als bandleider, en composities, waaronder twee opera’s – nu ook stilaan op internationale schaal gewaardeerd wordt, streelt zijn ego. ‘Maar het zal me er niet toe brengen het succes op te zoeken. Ik blijf relativeren. Als mijn zoon me zegt dat hij tandpijn heeft, dan is dat voor mij veel belangrijker dan eender welke nominatie. Laat mij maar rustig mijn ding doen. Als ze mijn opera’s nu zouden hernemen in een andere regie, dan zou mij dat veel plezier doen, maar anderzijds zou ik toch misschien liever iets nieuws doen, begrijp je?’
‘Misschien zoek ik het toch een beetje op, dat tussen de plooien vallen. Ik zou me kunnen opwerken in de klassieke wereld door bijvoorbeeld een symfonie te maken. Maar ik ben bang dat men mij dan te veel zou vastpinnen als componist in het hedendaags klassieke vakje. Ik blijf het trouwens frappant vinden dat de gespecialiseerde operapers niet op de hoogte is van mijn leven als jazzmuzikant. En omgekeerd weet men in de jazzwereld niet dat ik opera’s gemaakt heb. Er is dus nog werk aan de winkel.’
Kris Defoort Trio met Kris Defoort op piano, Nicolas Thys op elektrische bas en Lander Gyselinck op drums: dinsdag 20 april in de Vooruit in Gent. www.krisdefoort.com
Tom Peeters
Reageer hieropBewaar dit item (0)
Han Bennink aan de zijde van Johnny Griffin
Drummer Han Bennink – nu een icoon van de Nederlandse jazz & impro scene was in zijn jonge jaren een fantastische bebopdrummer die aan de zijde van groten zoals Johnny Griffin zijn ding deed. Bejijk dit filmpje
Reageer hieropBewaar dit item (0)
Mooie schetstekeningen door Geert Clarisse
Geert Clarisse maakte tijdens het concert een reeks fijne schetstekeningen.
http://geertclarisseeveryday.blogspot.com/





Reageer hieropBewaar dit item (0)
Recensie
Leuke tekeningen, mooi initiatief!
de goddeau-recensie v/h optreden:
Op papier lijkt de combinatie van deze twee veteranen aanvankelijk niet compatibel: de sterk religieuze inslag van Gayle’s werk (getuige daarvan titels als Repent, Consecration en Testaments) lijkt haaks te staan op de ‘het leven als carnaval’-attitude van Bennink. Maar dan zou je wel voorbijgaan aan andere raakvlakken.
Als er iets is dat de twee verenigt, dan is het wel het volkse element en de expliciet en subtiel binnengesmokkelde roots-invloeden. Bij alle projecten waar Bennink bij betrokken is, of het nu gaat om intieme duoconcerten, het grootschaligere ICP Orchestra of zelfs zijn soloperformances, krijg je immers een volledige staalkaart van volksmuziek te horen. Middenin stevig in de free jazz verankerde passages is er hem immers niets aan gelegen om te rotzooien met wals- en/of marsritmes, swing en blues bij het zootje te betrekken of het parcours van de clowneske performance art te bewandelen. Bennink is een rasechte muzikale anarchist. Alles is mogelijk en het enige dat voorspelbaar is, is zijn onvoorspelbaarheid.
Een heel ander verhaal bij Gayle, die sinds zijn opduiken in de late jaren tachtig (daarvoor zou hij twee decennia als straatmuzikant geleefd hebben) vooral bekend is van zijn woelige performances en sterk door Albert Ayler beïnvloede emotionele rollercoasters met een hoge blues- en gospelfactor. Net als bij een jongere muzikant als Darius Jones hoor je nog de restanten van de kerk in z’n spel, de kreten van religieuze extase en het wrange gehuil van het persoonlijke lijden. De roots én de vrije expressie ervan zijn doorslaggevend. Komt daar nog eens bij dat Gayle ook het humorelement niet vreest: in het verleden zaaide hij meermaals vertwijfeling met een soort mime-act als ‘Streets the Clown’. Deze liet hij nu achterwege.
Een concert dat dus alle kanten op kon gaan. Dat deed het ook, al leverde het zelden vuurwerk op. Gayle begon verrassend op altsax (de tenor is normaal zijn handelsmerk) en liet horen dat zijn expressieve sound op z’n 71ste nog steeds intact is. Zijn spel, vol bluesy honks en gierende stoten staat lijnrecht tegenover de gestileerde, academische jazz waar veel van zijn leeftijdsgenoten mee opgroeiden. Zijn legendarische epische notenslierten liet hij nu wel achterwege, ten voordele van korte erupties, nu eens melodieus en verrassend mooi, dan weer aftastend, slechts aanzetten tot iets dat nooit helemaal ontwikkeld werd.
En Bennink blééf Bennink, zingend en neuriënd, op en naast het drumstel kloppend, met z’n voet op de snare drum stompend en stokken omhoog werpend. Het is en blijft een unieke one man show die doet grijnzen en schuddebuiken, al zou je soms ook willen dat de man nu en dan op de rem ging staan. Stokken vlogen immers met de regelmaat van de klok tegen de grond (in het eerste nummer al een keer of vier) en nu en dan had je het gevoel dat de man vooral met zichzelf bezig was. In een sterke duo performance vindt er normaal gezien een uitwisseling van informatie plaats die leidt tot nieuwe ontdekkingen of krijg je een wisselwerking van ideeën die energieopwekkend werkt. Hier kreeg je soms het gevoel dat Bennink enkel geïnteresseerd was in wat hij allemaal tegenover Gayle’s spel zou kunnen plaatsen, of het nu steek zou houden of niet.
Gayle liet het zich alleszins niet aan z’n hart komen en herhaalde zijn individuele stijl ook op de piano. Op dat instrument doet hij wel vaker de traditie aan, waardoor je een excentrieke combinatie van stride, boogie, bop en free te horen krijgt. Een kleurrijk amalgaam, maar het mist de gezaghebbende slagkracht van zijn saxspel. Bennink greep die kans aan om zijn onconventionele stijl compleet uit te buiten: spelen op schoenzolen, op de vloer, op zijn stoel, op een microstatief. Stokken vlogen omhoog, omlaag, naar links, rechts en het publiek in. Gelukkig vielen er geen gewonden, het zou nochtans gekund hebben. Aan het einde van de set werd nog een keer alles uit de kast gehaald met een krachtig samenspel, wat ook nog eens werd herhaald in het korte bisnummer.
Amper drie kwartier nadat de veteranen het podium op wandelden zat het er echter al op. Het was een amusante voorstelling, zoals verwacht, maar ook eentje van gemiste kansen. Met hun staat van dienst zijn deze twee immers tot veel meer in staat dan wat we te horen kregen. Nu was het vaak wat vrijblijvend en nonchalant, en dat is iets dat je zelfs onder het mom van free jazz niet verkocht krijgt aan een publiek dat eigenlijk niet minder verwacht dan een bevestiging van het kolossale talent van deze twee.
http://www.goddeau.com
Reageer hieropBewaar dit item (0)
Goed gedocumenteerde recensie, Boleuzia!
Voor mij was het een avond die vooral chaos en verwarring achterliet. Kris Defoort, vooral gekend van zijn schitterende projecten die balanceren op het randje tussen jazz en modern klassiek, voelde raar aan in een zuivere jazz-context. Zijn duistere akkoorden en (voor mij) intellectualistische kleuren leken niet altijd te passen bij het soepele spel van Thys en Gyselinck. De set was ironisch, bitter, om dan weer vrolijk en swingend te worden. Heel bevreemdende cocktail; en lang niet slecht.
Na de pauze kwam echter het nog grotere geweld; het is haast ondenkbaar dat twee iconen uit de moderne jazz op amper 10 meter afstand hun knotsgekke ding stonden te doen. Bevreemding, nog maar eens.
Was dit free jazz? Ja? Of toch eerder anti-jazz: trommelen, roffelen, tokkelen en piepen uit afgrijnzen voor het conventionele, zo leek het. Welk doel dient deze muziek, vroeg ik me meermaals af, hoewel die vraag per definitie irrelevant is. Gayle en Bennink doen het omdat ze er zin in hebben, maar mij ontbrak het aan goesting. Ik had het gevoel naar middelmatig entertainment te kijken, en vergat bij wijze van spreken dat hier twee topmuzikanten aan het werk waren. Verkoopt Bennink zichzelf; maakt hij een karikatuur van zichzelf? Of zijn Gayle en Bennink psychisch gewoon al zover heen dat hen geen aardse verwijten meer kunnen toegedicht worden? En…mag het alstublieft nog ergens over gaan ook, terwijl jullie spelen? Gepiep, gekrijs, bluesy roffels op de piano die nergens heen leiden…dood aan alle transparantie en leve de chaos!? Hmmm, voor mij werkte het toch niet. Spijtig.
Ik vond het fantastisch, eigenlijk. En dat terwijl ik doorgaans maar weinig snap van hedendaagse jazz. Ik kwam vooral voor de twee drummers: Lander Gyselinck is wat mij betreft hét opkomende drumtalent van België, en Han Bennink is een icoon dat ik nog niet live had gezien. Gyselinck verraste hier en daar met geluiden die ik nooit eerder uit een drumstel hoorde komen, en deed iets leuks met exact dezelfde walkie-talkies als die die ik als kind had. Bennink zat meer op de grond dan op z’n drumstoel, en gooide meer met z’n stokken dan hij ermee speelde. Een vreemd schouwspel, en zonder klank erbij zou iedereen vergeven zijn te denken dat een dementerende bejaarde op het podium een inzinking kreeg. Mét de klank erbij was het echter een bijzonder interessant concert, met voor mij een allereerste keer het gevoel dat ik er ook iets van begréép.
Reageer hieropBewaar dit item (0)