Machinaal aangedreven ballerina’s die de zwaartekracht tarten. Twee eeuwen geleden deed de Franse danskunstenaar Charles-Louis Didelot het Kris Verdonck al voor.
Didelot was toen koortsachtig op zoek naar een manier om de sterdanseres in Flora en Zephyrus een etherische uitstraling te geven. Theatermachinerieën die objecten in het rond konden slepen, zoals wagens, waren er wel al. Hij maakte er een vliegmachine van, hing Flora eraan vast, en liet haar op de tippen van haar tenen over het podium glijden, met af en toen een sprongetje in de lucht.
De uitvinding was geen lang leven beschoren. De wirwar aan kabels en het geluid van knarsend ijzer verstoorden de magische ballet-idylle. Dus maakten de machines plaats voor knellende pointes en een loodzware danstraining. De sylfides, zwanen en wili’s werden geboren in een bad van bloed, zweet en tranen. Hun betoverende schoonheid was het resultaat van een bikkelharde strijd tussen het lichaam van de dansers en alle instrumenten die erop werden losgelaten.
Die strijd lijkt ook altijd aanwezig in de installaties van Kris Verdonck. Hij opereert op het spanningsveld tussen mens en machine – met bijzonder mooie installaties als resultaat.
I/II/III/IIII vormt daarop geen uitzondering. De kers op de taart is de zaal waar de productie in première ging. De Minardschouwburg met zijn rode pluchen zetels en decoratieve toetsen klatergoud, is de ultieme setting voor de zachte vernieling van harmonieuze perfectie.
Want perfect ziet het er aanvankelijk wel uit. De eerste danseres die opgehesen wordt, maakt een reeks onwereldse pirouetten. Of beter, de machine waar ze aan hangt, draait haar in het rond en sleept haar verder over de grond. Tegen de wand tekent haar schaduw een intrigerend lijnenspel uit. Het oogt sereen en lieflijk, en dat geldt ook voor het daaropvolgende duet. Maar vanaf het moment dat er drie danseressen over het podium zweven, treedt een kentering op.
Het spektakel wordt onbehaaglijk. Ineens lijkt het meer op een fabrieksband waar lappenpoppen zich losmaken van hun eigen productieproces. De schaduw van de ondersteboven hangende lichamen roept het beeld op van kadavers aan een vleeshaak. Die speldenprikjes doorboren de illusie, zonder ze volledig kapot te maken. De evenwichtsoefening tussen menselijke controle en machinale overgave wordt tot het einde volgehouden.
Juist dat maakt I/II/III/IIII zo intrigerend. Net als het uitzicht op vier danseressen die zich kapot werken, zonder dat ze je oog die bekentenis gunnen. De aanblik van schoonheid maakt immers blind.
All rights reserved


Please log in or register to post a comment.
Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can: