Het verenigde Vlaamse muzikantenambt was die avond naar Gent afgezakt om de nieuwe ster aan het Amerikaanse, en dus aan het gehele Westerse firmament, op het toppunt van zijn glorie te aanschouwen. Sufjan Stevens is een bezig kereltje: de man heeft het ambitieuze plan opgevat om in alle staten van de VS te gaan wonen, en daar een onvervalste roots-plaat over te maken, die altijd een beetje een hommage moet gaan worden.
Want zo is Stevens’ muziek: ernaar luisteren, live of op een schijfje, bezorgt je altijd aangename vibes die niet zelden tot dansen aanzetten, grote bewegingen, alsook instemmend geheupwieg bij een van zijn meesterlijke ballads. Variatie genoeg dus. Komt daar nog bij dat hij tussen de statenepossen door ook nog eens tijd vindt om een vijfdelige box uit te brengen vol kerstmisliedjes van eigen hand. Bravo. Maar ook: wedden dat hij na vijf staten stopt? En als we echt eerlijk zijn: willen wij een plaat horen die de lof zingt over pakweg Arkansas of North Carolina? Ik dacht het al. Marketing is echter een schone deugd, en wij kunnen alleen maar respect opbrengen voor de werkwijze waarmee hij alles tot nu toe tot een goed, of beter dan goed einde heeft gebracht.
Dat hij op Princeaanse wijze zo’n hele plaat volledig zelf naar zijn hand zet, want schrijft, inspeelt en producet, behoedt hem niet om het resultaat op een podium te brengen vergezeld van een band die duidelijk weet wat het doet. Zoals ze die avond in Gent aan de aftrap kwamen, leek het wel een circus: allen uitgedost in kleurige pakken, geheel assorti met de koperblazers die ze hadden meegebracht, en beladen met veren en aangebonden vleugels van vlinders annex engelen. Een ongeregeld zootje wacko’s uit het tot op heden nog steeds ongeciviliseerde Amerikaanse zuiden? Integendeel: een collectief uit het noorden, niet vies van zelfspot, carnavaleske podiumprésence en geheel thematische inkleding van veel van Stevens’ songs.
Temidden van dit kleurrijke wonder was het even zoeken naar het opperhoofd. De man werd pas herkenbaar wanneer hij de stem liet spreken, en de hele zaal werd stil, of rees hoogstens even naar het plafond, om er een hele voorstelling te blijven. Toch duurde het even voor Stevens zich uit zijn cocon rolde, om maar te zeggen dat hij onwaarschijnlijk onwennig overkwam op het podium in een nochtans niet zó grote zaal. Of had hij Patrick Riguelle daar even kritisch zijn kant zien opkijken?
Deze broosheid biedt alleen maar voordelen. Los van het feit dat de songwriter een wel zeer nuchtere indruk naliet (we hebben het al anders geweten bij de doorsnee Amerikaan in Europa; het helpt natuurlijk dat Stevens nog lang geen popster is, dat hij dat volgens de logica ook nooit zal worden), wendde hij die houding-die-er-geen-is succesvol aan om zijn meest intimistische ballads aan ons te verkopen. Nu ben ik teveel analfabeet om Stevens’ songtitels ook maar één seconde te onthouden; vaak omvatten ze meer dan drie regeltjes op de gemiddelde hoes van een gekopieerde cd, en laat dat type nu net in de meerderheid zijn in de collectie van ondergetekende. Om maar te zeggen dat ik verstek zal moeten geven in het illustratieve gedeelte van deze recensie – exemplarisch misschien voor de nederlaag van de ratio op een concert als dit. Stevens biedt geen kans aan redelijkheid, hij mikt meteen op je buik, dat aanhoudend vlindertjes produceert – en toegegeven, zo kan ie wel weer. Op het oog ook: naast de hoogst beminnelijke aanwezigheid van zijn al even broze maar zéér vrouwelijke side-kick, werd de show bovendien gehuld in magisch-psychedelische kleurvlakken op een achterliggend scherm, dat het decor vormde van Stevens’ wondere wereld.
Stevens schrijft over UFO’s, buurmeisjes, en monsters onder het bed, maar heeft altijd een verrassing met een randje in de kast zitten – zoals de evil monkey in the closet uit ‘Family Guy’. Cartoonesk, maar nooit karikaturaal. Daarvoor vertoeft Stevens met zijn epische dan wel tragische lyriek teveel in het amérique profonde dat we kennen uit E.T. – waar het paranormale en eenvoudige betovering evenmin worden uitgesloten door de boze grotemensenwereld – en uit de schriftuur van Faulkner en Twain. Maar het hoeft niet altijd wak of melig te zijn (for the record: dat was het ook niet, maar ik heb een reputatie hoog te houden): voor de platte humoristen onder ons, of voor zij die een kwinkslag appreciëren wanneer ze er een zien, was er nog een heleboel audiovisueel lekkers. Zo voorzag Stevens, alweer volledig volgens de wetten van de internationale marketing, een nummer over een soort Superman van… welja, levensgrote opblaas-Supermannen. En wanneer hij een pracht van een kerstsong op het publiek afvuurt, waarvan enkel de tekst die eindejaarsreferentie oproept (een oprit vol met sneeuw, daar kan je niet naast kijken), dan doet hij exact hetzelfde met enkele specimens uit de xxxmas-shop, voor zij die doordenken. Want dat mag precies Stevens’ publiek heten: intelligent, de teksten naar waarde schattend, (zelf-)relativerend, beschikkend over het vermogen om zichzelf in de wereld te plaatsen maar zich daar ook, voor de duur van zo’n vijftal minuten (soms tien), uit los te koppelen.
En zo is een Sufjan Stevens-concert: fladderen van de ene emotie in de andere, van het ene verhaal in het andere, verhalen die over hem en Amerika maar evengoed mogelijk over ons allemaal gaan. Bombastisch, vreugdevol, mystiek, rauw-realistisch en zelfs verknipt (die song over ‘cancer of the bone’ gaat door merg en euh, been). Spijtig dan dat een prima concert als dit moet eindigen met een bis die we tijdens het reguliere optreden al eens gehoord hadden – maar hey, een toevallig tegen het lijf gelopen collega-ex-student verzekerde me van het tegendeel, en hij beweerde de songtitels wél te kennen. Zo zie je maar. Mijn even-niet opletten is het ultieme bewijs van Stevens’ vreemdsoortige, aangename gelijk.
Moge hij nooit in stadions spelen, ook niet in alle staten.
All rights reserved


Please log in or register to post a comment.
Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can: