Arts Centre Vooruit, Ghent, Belgium

Skip to main content

Skip to navigation



'Ik was als kind een nijdig manneke'

Een nieuwe lente, een nieuw gezelschap? Voor de gereputeerde Gentse theatermaker Arne Sierens alvast wel. Met het pas opgerichte Cie Cecilia snijdt hij, samen met Johan Heldenbergh en Marijke Pinoy, een nieuw hoofdstuk aan, een vervolg op het vorig jaar gesneuvelde DAStheater. Sierens: ‘Natuurlijk was ik woest. Het was een nekschot.’

Afgelopen donderdag stelden Sierens, Pinoy en Heldenbergh, samen met zakelijk leider Stef Ampe, hun nieuwe ensemble voor aan de pers. Voor de gelegenheid waren geboortekaartjes gedrukt en werd uitgelegd dat de pasgeborene niet alleen erg Gents zou worden opgevoed (“Gent is onze stad en ons verhaal”), maar ook dat de bevalling het resultaat was van een moeizame maar logische dracht. Zoals dat gaat tussen nieuwe partners: de liefde als een logica die alle andere mogelijke redeneringen overstijgt. Waaronder ook de vorige relatie, in dit geval die met regisseur Johan Dehollander. Met hem hadden Ampe en Sierens in 2000 DAStheater opgericht, een driemanschap dat werd gesymboliseerd door de initialen in de naam.

Dat was zes jaar geleden, en er is veel gebeurd, geeft Sierens toe. Zeker sinds juni vorig jaar, toen duidelijk werd dat DAS met veel minder subsidies werd bedeeld dan verwacht. De gelauwerde theatermaker herinnert het zich als was het gisteren, zegt hij, terwijl hij koffie uitschenkt in een kamer waarin alleen twee stoelen en een salontafeltje staan. Alsof het kale, witte interieur de nieuwe start moet helpen te illustreren. Niet dus, aldus Sierens: “We zijn aan het verbouwen. Ook dat, ja. (lacht)”

“De beslissing van de minister viel vorig jaar in juni. Ik kreeg een telefoontje van Stef Ampe. We zaten net in de boomgaard van Marijke tekst te repeteren, de Franse versie van Maria eeuwigdurende bijstand. Om een paar weken later naar het festival van Avignon te vertrekken. Stef zei: ‘De subsidies zijn gehalveerd, in tijd en hoeveelheid.’ Ik heb meteen ingehaakt en het nieuws meegedeeld aan Johan en Marijke: DAS wordt opgedoekt. Dat was voor mij de conclusie, die subsidie kwam neer op een nekschot. Een ‘rot op’-signaal. Ik zei: ik denk dat we gewoon iets nieuws moeten beginnen. Dat gevoel was er meteen. Ik had ook geen zin om depressief te worden. Of om het proces te maken. De minister en zijn kabinet hadden dat beslist vanuit een bepaalde visie. Anciaux gaat ervan uit dat er te veel geld naar structuren gaat en dat er meer artistieke budgetten moeten komen. Daar kan ik hem in volgen. Maar hij vindt ook dat het een gevaarlijk fenomeen is dat er zoveel structuren rond individuele artiesten zijn opgebouwd. Dat vind ik juist interessant. Het is iets wat de wereld ons benijdt, het maakt deel uit van de rijkdom van het Vlaamse landschap. Maar blijkbaar bekijkt hij dat anders en dat is zijn goed recht.”

Dat klinkt nogal gelaten. Was er dan geen woede?
“Ja, natuurlijk. Ik was pissed off. Fuck ‘em, dacht ik. Ook al omdat je voelt dat er… Kijk, bij de commissie lag ons dossier al heel lastig. Het argument? In Brussel oordeelde men dat we maar beter werk konden zoeken in de grote huizen. Anciaux wilde centraliseren. Ik denk dat ongeveer alle individuele artiesten die boodschap gekregen hebben. Zo is het mij ook later meegedeeld: ga naar de KVS, NTGent, Het Toneelhuis. Ik heb dat gedaan: ik heb gepraat met die huizen. (zucht) Mijn reactie was: ik kan misschien wel naar Brussel, Antwerpen of Rotterdam gaan, maar ik heb daar geen zin in. Dat heeft te maken met mijn manier van werken. Ik heb een atelier nodig en wel in deze stad. Dit is mijn biotoop. Dat was ook de eerste beslissing van Marijke, Johan en mij: we gaan niet naar Brussel of Antwerpen. Als er ergens artiesten rondlopen in Vlaanderen die vinden dat Gent de beste biotoop is dan zijn wij het wel. Het zit in onze inhoud, in ons theater. Je kunt dat proberen over te planten, maar waarom zou je dat willen? Deze stad is onze humus. Ook in twee richtingen hé: het is onze humus of inspiratiebron, maar we hebben hier ook een publiek. Meer dan dat: we hebben een unieke band met ons publiek.”

“Johan, Marijke en ik waren al een tijdje aan elkaar aan het trekken. Met Johan heb ik een soort liefdesverhouding sinds Mijn Blackie, daarna heeft hij meegespeeld in Allemaal Indiaan… Dat was vanzelfsprekend. En Marijke ken ik al van in de jaren tachtig, van het uitgaansleven aan de Kuiperskaai hier in Gent. En van daarna natuurlijk: ze heeft stukken van mij gespeeld en geregisseerd, ik heb voor haar dramaturgie gedaan, enzovoort. Ik heb een verhaal met deze mensen. En samen hebben we Maria eeuwigdurende bijstand gemaakt, met Titus De Voogdt erbij. Vandaar het idee van een compagnie voor het nieuwe gezelschap. En de naam Cecilia? Omdat het klinkt, ook in andere talen. Omdat er iets uit spreekt van la Flandre profonde, van fanfares… En omdat ze natuurlijk de patroonheilige van de muziek is en bij uitbreiding van alle kunsten.”

Toch even voor de volledigheid: u had ook een gesprek met NTGent?
“Ik ben inderdaad met Johan Simons gaan babbelen, onder het motto: beste Johan, de minister vindt dat ik bij u moet komen werken. (lacht) We kwamen alle twee tot de conclusie dat zijn manier van werken en de mijne niet compatibel zijn. Dat heeft te maken met een andere tijdsbesteding, bijvoorbeeld. Ik werk vijf maanden aan een productie en daarna spelen we zo’n 100 à 150 voorstellingen. We vertalen dat in het Frans, gaan naar het buitenland… Er is altijd een lange aanloop, maar ook een lange tournee. Zo’n aanpak past niet in de structuur van een stadstheater. Bovendien buffer ik een premièreperiode graag. Ik werk wel met deadlines, maar iets is pas af als het af is, snap je? Zoals bij een zwangerschap: je kunt dat niet forceren. Het kind kan een beetje te vroeg of een beetje te laat komen. Daarom heb ik graag een buffer van twee, drie weken, om mezelf wat veilig te stellen. Ik werk sowieso niet meer volgens het concept ‘première’.”

U verwijst in dat verband wel vaker naar de periode bij de Blauwe Maandag Compagnie, als bewijs van hoe het werken in een groter geheel u niet goed afgaat. Mogen we spreken van een Blauwe Maandagtrauma?
“(blaast) Heel de periode bij de Blauwe Maandag was een zoektocht. Ik balanceerde tussen schrijven en regisseren, maar in de praktijk was ik vooral een auteur. En die rol maakte me ongelukkig. Schrijven, oké, maar ik wou op de vloer staan. Dáár ben ik begonnen. Naast de acteurs. Terzelfder tijd realiseerde ik me dat ik omringd werd door topklasse. En toch: mijn spel werkte niet. Hoe kwam dat toch? De mayonaise pakte niet. Ik heb ook zelf die deur dicht moeten trekken. Nogal radicaal.”

“Een van de laatste producties bij de Blauwe Maandag was Dozen (begin jaren negentig, SH). Een productie met Johan Dehollander en vijf acteurs. We begonnen met niets in de handen, niets in de zakken. Improviseren met teksten en zien wat er uitkomt. Wel, ik was zo gelukkig als kind. Dit is theater voor mij, dacht ik. Ik wil wel schrijven maar dan voor de mensen met wie ik samenwerk. Ik heb die lijven nodig, de acteur die daar staat… Ik moet het zien, rieken, hun adem voelen. Pas dan kan ik iets doen. Het inspireert me mateloos. Mensen brengen ook een deel van hun biografie mee. Ik vind dat spannend, om met autobiografieën te werken. Om dan het mijne erbij te leggen. Een wij-verhaal, geen ik-verhaal.”

Stel dat aan alle condities voldaan is om in een groot huis te werken, zou u het dan wel zien zitten? Of is het toch ook iets psychologisch, de drempel van een zeg maar gevestigde instelling?
“Dat heeft daar zeker mee te maken. Een kleine structuur is wendbaarder. Het is haute couture, je kunt sneller bewegen. Je kunt rapper veranderen van idee, wat in een grote structuur vaak moeilijk ligt. Maar het is waar dat er ook een ideologische reden voor is. Ik denk nog altijd dat de grote huizen willens nillens met de bourgeoisie bezig zijn. Het blijft diezelfde pluche, het blijft de Kredietbank die komt kijken, want die heeft als sponsor een contingent tickets afgenomen. Terwijl wij, zeker de laatste jaren, op een andere manier zijn omgegaan met ons publiek. Wij hebben ook gewoon een ander publiek, punt. Daar zit echt een breuklijn tussen. Ik denk dat we een publiek hebben dat veel jonger is, maar vooral: een publiek dat geen typisch theaterpubliek is.”

Dat moet de minister van Cultuur toch als muziek in de oren klinken?
“Ja, dat is juist zo raar. We hebben met DAS de voorbije jaren echt een publieksverhaal opgebouwd. Zonder abonnementen of voorverkoop. Geen vaste zitplaatsen maar vrije tickets… We werkten met proefvoorstellingen, waarvoor we ons publiek aanschreven. Eigenlijk bestaat er niet zoiets als een vast publiek: voor elke productie creëer je een nieuw publiek. Ik heb ooit gezegd als boutade: het onderwerp van mijn voorstellingen is mijn publiek. Als inspiratiebron. Ik geloof daar nog altijd in.”

Klopt het dat Cie Cecilia nu aanspraak maakt op de subsidie die DAStheater vorig jaar heeft geweigerd wegens te weinig? Lijkt me moeilijk om te communiceren.
“Ho, wacht even, het is wel een beetje ingewikkelder dan dat. We hadden een vrij complex dossier ingediend, dat blijkbaar moeilijk lag in Brussel, wegens te ingewikkeld. En wegens vrij arrogant ook, vond men blijkbaar. Bovendien men geloofde niet meer in de samenwerking tussen Johan Dehollander en mij: ‘Ze werken niet meer samen.’ ‘Er is geen chemie meer.’ Enfin, het klopte zogezegd niet meer. Nu, als zo’n beslissing valt, treedt er meteen een gigantische spanning op. Want op een bepaald moment is de geest uit de fles en komen alle frustraties naar boven. Wat gaan we doen? Niet doen? Iedereen zit de kat uit de boom te kijken, het hele team leeft in onzekerheid… Maar het signaal was duidelijk: stoppen of saneren. En tja, wat kon er met dat geld gebeuren?”

“Toen zijn er enkele grote conflicten geweest tussen Johan en mij en uiteindelijk zijn er keuzes gemaakt. Het is op een vechtscheiding uitgedraaid, ja. Want natuurlijk wil je daar op een volwassen manier mee omgaan, maar op het moment dat je zoiets op je bord krijgt dan is het slikken. We zijn er ook zelf niet uit geraakt, op een bepaald ogenblik heeft de raad van bestuur van DAStheater gezegd: wij zullen beslissen. Ze hebben dan gekozen voor de plannen van Johan, Marijke en mij. Op dat moment is het helemaal ontploft. Mensen stapten ook op. Op een bepaald moment leek het er bijna op dat van DAStheater Stef en ik de enige twee waren die overbleven. Om maar te zeggen: het was een zwarte periode. Johan heeft het erg persoonlijk opgenomen en dat is begrijpelijk… De raad meende dat Johan meer kans had om te overleven buitenshuis, en dat het geld wat op tafel lag het best aan ons plan besteed kon worden. Dat was ergens in november.”

“Op een bepaald ogenblik, ergens in januari, was heel DAS weggesaneerd. Ik heb toen mijn schoon kostuum aangetrokken en ben samen met Marijke Pinoy en Johan Heldenbergh naar het kabinet van Anciaux gegaan. We hebben ons plan op tafel gelegd: ‘Wij denken dat een nieuw gezelschap in Gent absoluut noodzakelijk is. Omdat er naast het grote huis NTGent ook iets moet komen als – met een gebrekkige term – een kamertheater. Iets kleinschaliger, met een ander repertoire, iets wat een ander publiek bedient dan het stadstheater.’ Tot onze grote opluchting zag de toekomst er ineens weer wat beter uit. Ik denk dat onze timing goed was. Het is ook een geloofwaardig verhaal, alleen al als je naar de producties kijkt die we elk hebben gemaakt: Massis the Musical, Yerma vraagt een toefeling, Maria eeuwigdurende bijstand… Maar natuurlijk, (blaast) het blijft godverdomme wel een armoedig verhaal: 250.000 euro per jaar om te werken en producties te maken! Ik ben vijfentwintig jaar geleden begonnen met een gezelschap genaamd De Sluipende Armoede en het is precies weer van dat: sluipende armoede. Geen repetitielokaal, geen plek om te spelen, zoeken, overal vriendelijk gaan aankloppen om steun…”

Over die vechtscheiding met Dehollander. Zijn jullie on speaking terms?
“Nee. Ik denk dat het nog een tijd zal duren. Nu ja, we kennen elkaar al twintig jaar, we hebben al vaker ups and downs gehad. Er zijn al zware aardbevingen geweest, maar uit die conflicten is op creatief vlak ook vaak iets moois ontstaan. En Johan had al de keuze gemaakt om terug te keren naar de Enthousiasten (het gezelschap waarmee hij in de jaren tachtig furore maakte, SH). Maar zonder die sanering hadden we elkaar binnen DAS opnieuw gevonden, dat weet ik zeker.”

Uw parcours wordt getekend door artistieke vriendschappen: met Johan De Smet, Dehollander, Alain Platel… U hebt nood aan een sparringpartner?
“Klopt, en de eerste in dat rijtje was Jan Leroy. Die mens is helaas al dood. Ik denk dat Jan de eerste was die gezien heeft hoe fantastisch ik wel was. (lacht uitbundig) Hij was regisseur en kwam uit het linkse vormingstheater, van Het Trojaanse Paard. Met hem heb ik mijn eerste stuk geschreven: Het vermoeden (in 1982, SH). Jan was echt een fan. Dat was belangrijk, want ik wist op dat moment niet of ik het wel kon. Ik heb dat stuk geschreven uit noodzaak. We gingen samen regisseren bij een liefhebbersgezelschap. Maar dat stuk was niet goed, en ik zei tegen Jan: smijt dat weg, ik zal zelf iets schrijven. En elke repetitie bracht ik een scène mee. Had ik veel inspiratie, dan was dat een scène van vijf bladzijden, anders waren het er maar twee. Maar altijd doelgericht en toen ook al op de vloer geschreven, in samenwerking met de acteurs.”

U had nooit eerder geschreven? Zelfs geen dagboek als tiener?
“Neen, ik wou eerst schilder worden. Ik dacht ook aan film, muziek… (denkt na) Met Johan De Smet heb ik daarom die opera’s gemaakt. Dat vond ik super. Ha ja, ik was librettist én regisseur. De sleutelproductie van die jaren is zeker Het rattenkasteel (1984, SH) geweest. Dat is nu meer dan twintig jaar geleden en was een doorbraak in alle opzichten. De eerste keer dat ik de dingen samen kreeg zoals ik het in mijn hoofd zag. Het was echt een statement. Van een grote brutaliteit. Zo volks. Zo kleurrijk. Kun je je dat voorstellen: een orkest van veertien man à la Einstürzende Neubauten, met slijpschijven, cello’s, drie drumstellen, plaatstaal, sirenes…? En dan komt Nero op. Nero! Van het dagblad! Het orkest begint te spelen en Marc Van Malderen, als Nero, begint: (brult) ‘Wat doet gij in mijne gang, madáááám!’ Je voelde het publiek naar adem happen. Dat was nieuw. Een opera in het Vlaams. Weg van alle wetten van opera, gewoon keihard, met een heel orkest, punk op zijn Vlaams. En dan kwam detective Van Zwam erbij, Madam Blanche, dokter Radchenko, zes acteurs verkleed als ratten (lacht)... In kostuums gemaakt door Eric De Volder trouwens. In een decor met twee loopbruggen, geïnspireerd door het kabukitheater uit Japan… En dat alles gemaakt op veertien weken: van het initiële idee – we gaan een opera maken – tot aan de première. In een razend tempo.”

“In vier weken tijd heb ik dat libretto geschreven, Johan begon te componeren, drie weken nadien zijn we beginnen te repeteren. Zoals bij Mozart, dat was een ongeschreven wet: de ouverture moet af zijn op de avond van de generale repetitie. En effectief, dag na dag kwam er nog een stuk muziek bij. Fantastisch. Maar ook toen al: werken in armoede. De zangers en muzikanten werkten allemaal voor brood en soep. Dat was het enige wat we hen konden bieden. Gelukkig was het zomer. De opera was toch dicht, het koor van De Munt had vakantie, we hebben daar gasten geronseld: zangers en muzikanten, allemaal briljante mensen die uit sympathie mee kwamen spelen. Het decor was gemaakt van afval. Van een oud decor dat verzaagd was. Kun je je dat voorstellen, in dat kleine Nieuwpoorttheater? Maar het publiek was laaiend enthousiast, de boel ontplofte gewoon. We hebben nog geprobeerd om daar subsidie voor te krijgen, maar no way! De muziektheatercommissie vond het stront. Zeiden dat letterlijk zo. Tja. Terwijl het echt theater met een visie was, geen toevalstreffer. We hebben daarna nog geprobeerd om op datzelfde elan verder te gaan, met een tweede opera. Maar dat is niet gelukt. Zo gaat dat, hé. Een statement is per definitie eenmalig en je kunt proberen het te herhalen, maar…”

“Ik ben dan weer beginnen te schrijven, deze keer vanuit een fascinatie voor de Eerste Wereldoorlog. Mijn zus (Inge, SH), die zeer belangrijk is in mijn leven, had gezegd: keer eens terug naar de grond, met uw voeten in de aarde. Ik heb toen De soldaat-facteur en Rachel (1986, SH) geschreven. En daar heb ik ineens iets gevoeld, dat het epische mij goed afging. Wat ik daarvoor maakte, was theatraal, maar niet echt episch. Ik heb toen ontdekt dat ik graag vertelde aan het publiek. Heel direct: je gaat voor een publiek staan, heft de vierde wand op en spreekt. Zoals in de rechtbank. Zoals bij Dario Fo, Brecht…”

“Met Mouchette (1990, SH) ben ik voor het eerst in mijn jeugd gaan graven. Ik denk dat ik met die productie voor het eerst het epische en het theatrale heb weten te combineren. Iets dat zweeft tussen actie, kleur, tempo, circus… en vertellingen.”

“Enkele jaren later heb ik met Alain Platel Moeder & kind (1994, SH) gemaakt, en ook dat was, laat ons zeggen, een bundeling van dingen die al jaren zaten te borrelen. Ook dat was een ontploffing. Ik denk dat we mogen stellen dat Alain en ik met die productie echt grenzen overschreden hebben, de grenzen van de canon van het theater in Vlaanderen en Nederland. (enthousiast) Alles was mogelijk. ‘Een kindje van zeven jaar op de scène? Waarom niet? Ik zal er een monoloog voor schrijven!’ Dat soort vrijheid. En uiteraard was de aanwezigheid van kinderen op de scène op zich al enorm bepalend. Want je wordt verplicht om jezelf binnenstebuiten te keren als theatermaker en alle conventies te vergeten. Het gaat niet op om een mooie monoloog te schrijven en die aan te bieden aan een meisje van zeven jaar, snap je? We hebben toen geleerd dat spelen met een bal, of in een hoekje zitten prutsen met een doosje lucifers, dat dat ook schoon theater kan zijn.”

Conclusie: je moet je eigen verwachtingen voortdurend ondermijnen?
“Verwachtingen zijn altijd slecht.”

U sprak over uw zus als belangrijk klankbord.
“Inge is mijn buddy. Altijd geweest. Ze is twee jaar ouder dan ik, een germaniste van opleiding, ze werkt voor Woestijnvis en voordien al voor de televisieprogramma’s met Marc Uytterhoeven. Beroepshalve hangt ze ergens tussen productie en redactie en dat is voor haar een ideale positie, want ze is, zoals ik, een echte libero. Ze is zeer artistiek begaafd maar heeft een ander parcours gekozen. Ooit was ze betrokken als productieleidster bij De Sluipende Armoede, maar omdat we toen de wind tegen hadden, is ze iets anders gaan doen. En dat is niet slecht: de afstand helpt om elkaar te helpen.”

“We waren met drie kinderen thuis – we hebben nog een jongere broer – en hebben allemaal een nogal donkere jeugd gehad. Dat kwam door mijn ziekelijke moeder. Zij was zwaar neurotisch. Dat ging heel ver, met brandstichting en zo. Daardoor waren we als kind altijd op elkaar aangewezen. Zo is dat begonnen, alsof we een tweeling waren. We kropen bij elkaar. Om te janken, of te babbelen. Inge heeft altijd meegewerkt aan mijn producties, achter de schermen. Ze is altijd een strenge lector van mijn stukken. We bellen elkaar regelmatig. Ze heeft me ook altijd zwaar aangemoedigd om toch vooral eigenzinnig te blijven. En ze weet waar mijn stukken vandaan komen: ze herkent de patronen uit mijn jeugd.”

“(mijmert) Ik wist al vroeg dat we geen doorsneegezinssituatie hadden, maar je begint dat ook meteen goed te praten, versta je? Ik heb geprobeerd dat van me af te schrijven, het thema in veel van mijn stukken is de afwezige moeder. Dat is een van de sleutelmotieven. Of de poging om juist met zo’n afwezigheid om te gaan.”

“(stilte) Een jaar of vier geleden is ze gestorven, mijn moeder. Ik heb toen een enorme oplawaai gehad. Ineens kwam het allemaal naar boven. Oh la la. Toen ben ik echt wel eventjes in therapie moeten gaan, en zo ben ik erin geslaagd om dat terrein beetje bij beetje te ontmijnen.
“Ik was als kind ook vaak ziek, echt een schriel manneke. En ik had zware astma. Ik heb daarvoor nog een jaar en een half in een zogenaamd preventorium gezeten in De Haan. Dat was gelijk een concentratiekamp. Door die ziekten had ik ook veel conflicten met de buitenwereld. Ik was vaak heel nijdig. Als reactie op die fysieke zwakheid probeer je je extra te bewijzen. Een typische reflex, hé. Maar dat is moeilijk hoor, zo naar uzelf kijken. (stilte. Een glimlach) Nog een beetje koffie?”

In 1998 wijdde het Vlaams Theater Instituut een aflevering van zijn Kritisch Theater Lexicon aan Sierens, een eer die alleen de grootste podiumkunstenaars te beurt valt. Toen al luidde de conclusie dat het traject van deze Gentenaar alleen maar boeiend én grillig kon zijn. “Naarmate de jaren vorderen is de creatieve chaos en de complexiteit in Sierens’ werkwijze toegenomen. Hoewel hij steeds heeft geschreven vanuit een theaterpraktijk en zelf ook regisseerde in het begin is hij in de loop der jaren almaar minder een toneelauteur en steeds meer een theatermaker geworden. (...) Ook de werkvorm en de context waarin Sierens werkt, zijn grondig veranderd. Het is nu overduidelijk dat wat een hoogtepunt had moeten worden, namelijk Sierens’ opname in de Blauwe Maandag Compagnie, met een sisser is afgelopen. Om zich te kunnen schikken naar de belangen en de repertoirekeuze van zo’n gezelschap is Sierens wellicht te veel een autobiografisch auteur, hij wil zelf de volstrekte controle behouden over zijn teksten. Voor zo iemand is het niet makkelijk een vruchtbaar kader te maken.”

Met Cie Cecilia is nu een nieuw kader opgetrokken, afwachten hoe vruchtbaar de patrones wil zijn. Aangekondigd voor juni is een productie getiteld Trouwfeesten en processen, vuile hoeren, bedriegers, slechte ouders, domme kinders enzovoort tot het einde der tijden, een titel die boekdelen spreekt. Sierens: “Het wordt een stuk met een hoog rechtbankgehalte. Maar er zit ook revue in. We zijn zelfs aan het tapdansen. (lacht) En neen, we gaan niet in première, we beginnen gewoon.”

http://www.demorgen.be

Post a comment

Please log in or register to post a comment.

Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can:

  • take part in the community activities on our website
  • keep a personal calendar of your favourite events
  • upload pictures and make friends
  • keep your favouiete photos, videos, music, texts or comments
  • rate other comments
  • by Steven Heene (De Morgen, 01 apr 2006)
  • Copy_arr All rights reserved
  • Uploaded on 16 Mar 2007
Tags

Contact us

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Send us an e-mail)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital