Ergens, in de catacomben van de religie, overheersen versteende wetten en rituelen waarvan we de betekenis voorgoed bijster zijn, nog steeds als een ware katholieke gesel. Achter de glasramen van een glanzende kathedraal gaat een monumentale kerker schuil waarin bestofte dogma’s gelovigen opsluiten als kluizenaars. Het godsvrezende wezen staat hier en nu oog in oog met en in het alziende teken van dat ontzagwekkende verlangen naar een eeuwigdurend hiernamaals. Maar het vertekende grimas van de geestelijke orde, die Erik De Volder in zijn nieuwste theaterproductie tegen elkaar uitspeelt, ademt wierook uit met een verdacht zwavelachtige geur.
Voor De Damen (ism KVS) bezint De Volder zich op christelijke leerstellingen, correspondentie en andere historische documenten van kloosterlingen, nonnen en onderwijzende priesters. Met wat hij zelf als een ‘oertekst’ omschrijft en aan de hand van eigen herinneringen, ondergraaft De Volder opnieuw de katholieke wortels van een al te nabij Vlaanderen.
Aan het begin van vorig seizoen bevond hij de vader zijn naam allerminst waardig. Waar de speeltekst echter, in deze eerste grote zaalproductie Au nom du père (ism Toneelhuis), de vijandige verhouding tussen de fanatieke vaderfiguur en zijn familiale omgeving anekdotisch onderstreepte, engageert De Volder zijn negen acteurs ditmaal voor een cyclus van geïmproviseerde taferelen die weinig woorden noodzaken om de archetypische ervaring van kerkelijke riten haarscherp uit te vergroten, om de wrange metafysische leegte toe te dekken die eens gevuld werd door de Alomtegenwoordige Ene en Zijn onmetelijke Liefde.
Niet alleen deze idee van ‘God’ lijkt voorgoed verdwenen, want waar is de hoop en de gunst van deze Liefde uiteindelijk gebleven? In den beginne is er dus niet het Woord, maar een flauw lichtschijnsel op scène, in een overigens volstrekte duisternis. Terwijl een rode lantaarn heen en weer beweegt, onderscheiden we achteraan een stoet sjofele kerkgangers. Enkele mannen en enkele vrouwen in donkere, lange gewaden schuifelen vooruit, één voor één, alsof ze deelnemen aan een dodenwake. Eén na één dompelen ze zich in het schijnsel van een kaars. De typische grime versterkt telkens de indruk van een gelaat dat haast lijkt op te vlammen. Een aangrijpend doopsel van de doden waarna deze gemeenschap stilaan ontwaakt op scène.
Wanneer de belichting volkomen over de personages neerdaalt, geraakt de blik verstrikt in een nevenschikking van uitzwermende tableaus. Na de ludieke plechtigheid waarbij een viertal met een kazuifel op enkele stokken paradeert, gaan ze alle negen even speels met de hoofden naar elkaar toe in een stervorm op de grond liggen. Deze choreografie van gemeenschapsvormen wordt afgewisseld door braspartijen waarbij vier duo’s elkaar met duwbewegingen gevaarlijk uitdagen.Vooraan op scène knielt een dame alleen neer. Met een gelaatsuitdrukking die breekbaar boven het schijnsel van dezelfde kaars opflakkert, heft ze een onuitstaanbare klaagzang aan. Is zij de stokoude moeder waar deze voorstelling zich, in tegenstelling tot de vader in Au nom du père, op baseert? Ongemakkelijk krampachtig smeedt ze de zinsneden aan elkaar en benadrukt eerder de stiltes ertussen. Waar is de zin voor liefde gebleven? Ze aarzelt geen seconde meer. ‘De liefde is slecht […] Ze is vervallen […] Verdreven net als het geloof’.
Als scherpzinnige scherts geraakt De Damen pas echt op dreef wanneer kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en ook de huwelijksinitiatie op groteske wijze worden geparodieerd. Op de hurken en met kussens tussen buik en knieën gekneld, smeken een pauselijk restant en zijn bisschoppelijke gezanten annex zielenknijpers om het felbegeerde lichaam van Christus oftewel de hostie. Eerst dienen ze alle negen één voor één met een diepe buigbeweging te kruipen voor het ultieme reliek. Met hilarische waggelbewegingen wisselen ze vervolgens als pinguïns telkens van positie. Wanneer de kelk met hosties plots op de grond valt, probeert ieder – het pauselijke restant op kop – er zoveel mogelijk te bemachtigen. Met een uitspatting van deugddoende ondeugden wordt het symbool van naakte onschuld halsoverkop verorberd.
Best wel dodelijk grappig hoe deze geestelijken het theologische transsubstantiatieprincipe gretig interpreteren als een hostie die deel gaat uitmaken van het eigen lichaam. De ene maakt er dopjes voor de ogen van, de andere dan weer enorme lippen die op en neer klapperen. Het heeft zelfs iets bestiaal, deze Geest die knap geestig gemaakt wordt. Genadeloos diept De Volder de status van deze katholieke iconen uit als een fictie. Gehoorzaamheid en onderwerping falen zodra de driften bovenglippen.
Ook de overgave van geliefden tijdens de huwelijksnacht wordt als een paradepaardje door het kerkelijke regime op stal gezet. Op een uitgestrekt doek, midden op scène, wordt een jongeman brutaal neergegooid. Terwijl een moeder haar dochter dichterbij duwt, porren de geestelijken deze jongen aan zichzelf kwetsbaar te ontkleden. Ook de moeder helpt haar weigerachtige kind, weliswaar laag na laag, uit het keurslijf van de klerendracht. Omsingeld door enkele doeken worden beide jongelingen koortsachtig aangespoord zich voort te planten.
Met een geniepige glimlach gluren de vertegenwoordigers van de Kerk maar al te graag mee. Langs weerzijden ritmeren enkele klopgeesten met reusachtige tafelpoten de morele verderfelijkheid van dit gebeuren. Werkelijk te gek om waar te zijn hoe de Kerk ooit stond te popelen om met zijn arme lammeren mee in het bed te duiken.
De vraag is maar of een concrete cartooneske parodie in onze bescheiden landstreek minder impact zou hebben dan een soortgelijke uitvergroting van andere zogenaamde heilige figuren. Dat zulke taboes hier minder streng doorwegen, hebben we onder meer te danken aan Ceremonia – voorstellingen zoals deze laatste nieuwe. In het woordenboek van De Volder staan de uitgeholde gewoonten van het katholieke geloof immers al langer ten dode opgeschreven. De Damen is een gebalde formule die deze woorden abstraheert in beelden.
Met een minimum aan tekstmateriaal schept De Volder dan ook een maximum aan beeldende kracht. In De Damen stuurt hij meer dan eens aan op een zwartgallige neergang. Met overslaande stem braakt de oude dame nochtans net verstaanbaar uit dat ‘de liefde ook goed is’. Maar een gedoofde kaars brengt al lang geen vertroosting meer. Voor elke spijtoptant is menselijke hoop reeds uit de cycli van christelijke rituelen gevaren. Het enige dat we er nog echt van herinneren, is dat we ooit moeten heengaan. Want sterven doen we hoe dan ook alleen, eenzaam en leeg.
All rights reserved


Please log in or register to post a comment.
Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can: