Vier site-specifieke installaties. Ergens diep gelegen. En even hoog verborgen. Diep in een kelder. En even hoog op een van de zolders van Vooruit. Daar gebeurt het. Daartussen. Vier verschillende inscripties met een soortgelijke broosheid. Nadat een opgewekte gids/acteur ons telkens opnieuw begeleidde tot bij een volgende heiligdom, dwalen we met vijftig ogen van vijfentwintig lichamen doorheen de hersenspinsels van Kris Verdonck. Waarbij er volop geflirt wordt. Met de fragiele grenzen van het kwetsbare en het gewelddadige.
Vlak naast de Theaterzaal bestijgen we de trappen tot op een hogere etage. De meeste toeschouwers betreden de eerste zaal eerder behoedzaam. Waarheen de blik ons ook voert, het blijkt een spel van verwarring te zijn. Waarheen eerst te kijken? Wil dit wel verdacht worden? De uiterste muur van de zaal ontvangt een projectie van grafische impulsen. Monotone variatie. Rechts een staketsel met daarop een uitvergrote prentkaart van een exotische vakantiebestemming. Palmboom en zeezicht. Aan de andere kant links enkele maatpakken aan een kledijrek. Daartussen een comfortabele zetel. Op de vloer vinden we allerhande dagelijkse gebruiksvoorwerpen. Of althans voorwerpen die dagelijks opgedrongen zouden worden in de cultuur van een wegwerpmaatschappij. Eventueel zoals deze waarin we momenteel (over)leven. Temidden van deze culturele braakballen ligt het reliek van een mannelijk gedaante. Levenloos. Enkel (z)onder/broek. Met het hoofd omsingeld door een reusachtige zwarte bol. Onherkenbaar. Misschien zelfs ondoordringbaar? Wanneer de man zich aarzelend opricht, vangt hij een onzekere zoektocht aan. Wellicht op zoek naar een geknipte broek? Telkens hij een bepaald voorwerp wil herkennen, brengt hij dit tot vlak voor de reusachtige bol. (Een hoofd? Een oog?) Om vervolgens dit object via een minuscuul kijkgaatje toch aan een visueel oordeel te onderwerpen. Op het eerste gezicht speelt het zich enkel af in het hoofd van deze man. Enkel in zijn hoofd? Of bekijkt hij ons vanuit deze zwarte bol met dezelfde blik waarmee wij hem bekijken? Ergens bevindt zich een blinde vlek in het spel.
Tijdens deze eerste, anesthetische installatie MAN verzoekt Kris Verdonck de zintuiglijkheid van de performer aan reikwijdte te laten inboeten. Maar tegelijk ondervangt hij deze inperking door voorwerpen dichterbij te halen. Het kijken vormt hierbij de inzet. En daarmee ook de kijker. Stap voor stap baant de man zich een weg doorheen een eigentijds doolhof van culturele braakballen. Opgesloten in het eigen hoofd. In een labyrint van vervagende herinneringen. Enkele keren legt de man zich opnieuw op de vloer. Even levenloos. Wat later kreunt de zaal vaag onder het zachte, monotone gedreun. Door met het hoofd in te bonzen op de grond, probeert de man zich te bevrijden. Probeert hij zich langzaamaan te breken. Slechts door in te breken in het eigen afgesloten hoofd beseffen ook wij de breekbaarheid van elke gedachte. Een bevrijdende gedachte?
Het lijkt alsof we ons voor een neorama bevinden. Als een combinatie van een panorama en een diorama doelt deze term op de wijze waarop we met onze archeologische blik de ervaring van deze installatie tot ons laten doordringen. In contrast met de performer behoudt de toeschouwer enerzijds een overzicht over de scène [panorama]. Anderzijds weten we dat de zwarte bol een extrapolatie van het hoofd veronderstelt. Waardoor we de voorzijde van een menselijk gelaat lijken te mogen verbeelden. Achter de zwarte, ondoorzichtige schildering over dit doorzichtig materiaal [diorama]. Een weerspiegeling van de blinde vlek die ons verbindt. Al de relieken op scène laten in dit geval toe een mentale leefwereld van menselijke kwetsbaarheid te reconstrueren. MAN, een gemeenschappelijke maquette van een individuele biotoop. Waaruit men vergeet te ontsnappen. Zoniet zou het gewelddadig zijn.
De stem van de gids/acteur gebaart ons te volgen. We dalen de trappen weer af. Een zijdeur brengt ons tot in de Theaterzaal. Eén voor één nemen we plaats. Op één rij. Een lichtspot omcirkelt een eenvoudige, boven de scËne zwevende metaalconstructie. Deze tweede installatie DANCER zal de gecontroleerde techniek van ontregelde bewegingen reveleren. Via een snoer wordt deze naakte, nachtmerrie-achtige machine voorzien van energetische toevoer. De wulpse dans ontaardt haast volkomen. Een jurk van rokerige vlokken verhult het al te onstuimige dansmechanisme in vergetelheid. We leven toch in een wegwerpmaatschappij. Maar de shock van een net op tijd vermeden catastrofe blijkt toch nooit veraf te zijn. In het geweld van dit mechanisme vangen we eigenlijk vrij enge vibraties op. Van vergankelijkheid. Van het kwetsbare verlangen van een mens zich te vereenzelvigen met een machine. Een mens als machine? Of een machine als mens? Vergeten als voorgoed verwerpen door weg te werpen.
In een van de bijgebouwen van Vooruit dringen we een bescheiden zaaltje binnen. Slechts enkele stoelenrijen. Stijf voor ons in een lichtbel. Een enige dame. Pekzwarte haartooi met daaronder felrode lippen. En verder volkomen in een witte waas gekleed. Niet alleen de ogen verraden een algehele broosheid van deze verschijning. Ook haar eigen hartslag gonst bovendien doorheen de kleine zaal. Een onstuitbare klank die in onze oren opduikt. Onze blik tracht haar onzekere gedaante te onderscheppen. Maar terwijl we toeschouwen, voelen we een hartstochtelijk tempo dat dit lichaam voedt. Onze blik doet haar bloed sneller en meer onregelmatig stoten. Ze kijkt ons aarzelend aan. Zo schuchter als ze lijkt, durft ze het toch aan. Ze blijft ons aankijken. Plotseling schiet ze halsoverkop weg. Achteruit de duisternis in. Tot tegen de achterste wand. Verbouwereerd halen we de wenkbrauwen op. Terwijl ze recht krabbelt, fatsoeneert ze haar kledij. Voor de toeschouwer? Zelfverzekerd neemt de dame haar originele pose weer in. Telkens na een intermezzo van vijftig slagen trekt deze hartkamer krachtig samen. Tijdens zulke contractie schiet de dame keer op keer achterwaarts de diepte in. Een straaltje bloed glijdt na verloop van tijd langs haar linkerbeen naar beneden. HEART, een variatie van hartslagen. Van een gewelddadigheid waarmee de slagen samenspannen. Van een kwetsbare vervoering waarmee we dit alles aanvoelen. Keer op keer. Opnieuw. Telkens een variatie. Opdat we herinneringen verhinderen te vergeten. Telkens nieuwe slagen. En opnieuw wegschieten.
De wandeling eindigt in een achterkamer van één van de kelders. Onmiddellijk worden we een indringende benzinegeur gewaar. Maar de installatie RAIN doet toch vooral de ogen van de toeschouwer opvonken. We verzamelen voor een soort finaal firmament dat gloeiende vuurdruppels genereert. Een prachtig en fragiel staaltje apocalyptiek waarbij onze eigen kwetsbaarheid in het spel gebracht wordt. Vlak voor ons. Een betoverend schouwspel van vlammen. Met een intens blauwe aantrekkingskracht. Zulk intens subtiel geweld dat ons lichaam deze vlammen als lichtgevend water wil aanraken. Dat we, om deze fascinerende regenvlaag te bedanken voor haar onduidelijke, duistere gunsten, een rituele dans willen aanwakkeren. Om in de vergetelheid van het kwetsbare weer even te variÎren. Stel je maar eens voor dat we vergaten hoe kwetsbaar we waren.
RAIN, HEART, DANCER en MAN. Verschillende variaties die opgaan in de vergetelheid van het kwetsbare. Specifieke manifestaties voeren daarbij een gewelddadigheid op. Want in de kracht van een aarzeling schuilt ook een gewelddadigheid die in de eerste plaats een essentie wil laten vergeten. De herinnering aan het kwetsbare.
All rights reserved


Please log in or register to post a comment.
Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can: