Straks wordt Frank Boeijen vijftig. Daar heeft hij meer dan één nacht van wakker gelegen, al voelt de zanger nu wel vrede met zijn leeftijd. ‘Ik dacht altijd dat ik op mijn drieëndertigste zou sterven en daar heb ik me ook naar gedragen. Nu ik ouder ben, voel ik plots een grote nieuwsgierigheid naar wat nog komen gaat.’ Een openhartig gesprek met een man die elk woord op de weegschaal legt voor hij er een zin mee vormt.
‘Ik heb nog nooit een interview toegestaan bij me thuis, maar misschien is de tijd gekomen om me daar over te zetten.” Frank Boeijen is een goede gastheer wanneer hij ons verwelkomt in zijn ruime, stijlvol ingerichte woning net buiten het centrum van Nijmegen. Binnenin geen spoor van de talrijke gouden platen die hij in de loop van zijn carrière bij elkaar heeft gezongen. Aan de muur hangen doeken van Eric de Bruyn en op de achtergrond speelt de laatste van zijn held Bob Dylan. Boeijen is een beetje zenuwachtig. We kennen elkaar al vijftien jaar, maar hij is niet de man die tijdens vraaggesprekken gauw het achterste van zijn tong laat zien. En toch. Vandaag is anders. Hij haalt herinneringen op aan een carrière die dertig jaar beslaat, praat met een haast griezelige openheid over zijn privéleven en toont ons tijdens een wandeling door de nabijgelegen Elyzese Velden de plek waar hij als tiener voor de eerste keer lsd nam. “Onder invloed voerde ik hele gesprekken met de koeien die hier in de wei stonden. Ik was gefascineerd door de mooie, grote ogen van die beesten.”
Boeijen grinnikt. Naar eigen zeggen heeft hij nooit een gewoon baantje gehad. Hij kwam van school af, nam meteen een eerste plaat op en werd na verloop van tijd een tieneridool. “Aanvankelijk wilde het niet vlotten. Onze eerste platen werden flops en toen ik ook nog aan mijn stem geopereerd moest worden, vreesde ik heel even dat het gedaan was met mijn carrière. Maar tegelijk ervaarde ik een enorm gevoel van vrijheid. Ik woonde op een kamertje van twee op twee en voelde me de koning te rijk. Samen met het succes kwamen ook een paar tegenslagen langs. De vriendin van onze gitarist had iemand mee naar huis genomen en dat meisje werd nadien gewurgd teruggevonden. Zelf zat ik in een turbulente relatie. Mijn toenmalige vriendin las soms stiekem in mijn tekstboekje en krabbelde dan boodschappen in de kantlijn. Dingen als ‘dit zijn de woorden van een verwend kind’ en zo. Achteraf schreef ik met ‘De verzoening’ een reactie op de enorme populariteit waarmee we na ‘Kronenburg Park’ geconfronteerd werden. Ik kwam erachter dat ik het succes waar ik zolang naar verlangd had eigenlijk niet wilde.”
Waarom niet?
“Telkens als ik naar de bakker ging, kreeg ik meteen een hele sliert schoolmeisjes achter me aan die ‘Linda’ begonnen te zingen. Ik schaamde me heel erg voor dat nummer en het is een afgrijselijk gevoel om bekend te worden met iets waar je zelf niet achter staat. De tekst was waardeloos en ik wist het. Toen ik zag hoe die kinderen me achtervolgden, brak het zweet me uit. Ik was een tieneridool en daar voelde ik me niet lekker bij. Omdat dat beeld niet strookte met hoe ik naar mezelf keek.”
In die periode leerde je ook de eerste liefde van je leven kennen. Compenseerde dat die klopjachten van tienermeisjes?
“Ruimschoots. De eerste avond dat ik Amanda leerde kennen eindigden we al in een hotel. Ik deed de kamer open, zette de radio aan en toevallig draaiden ze net ‘De verzoening’. Ze was een Engelse, maar ze wist meteen dat het om een van mijn nummers ging en dat heeft de zaak zeker geen slecht gedaan. (lacht) De vijf jaar nadien was het voortdurend aan en uit, en toen haar moeder overleed, is ze door een diep dal gegaan. Een heel triest verhaal. Toen heb ik ‘Zeg me dat het niet zo is’ geschreven. Eerst in het Engels, zoals alles sinds ik haar kende. De Nederlandse vertalingen kwamen achteraf.”
Je schreef dus eigenlijk voor haar?
“(knikt) Ik was zelf heel gelukkig en had dus ook de kracht om haar te troosten. Ze had nog nauwelijks contact met haar familie en ze wilde een soort zekerheid hebben. Toen zijn we dus getrouwd.”
Dat klinkt heel zakelijk, vind ik.
“Toch is het zo. Als je een relatie hebt met een Engelse vrouw, wil ze na een jaar weten hoe ver je commitment reikt. Ik had de boot eerst afgehouden, maar ze was haar moeder net verloren en ik zag dat ze zich slecht voelde. Dus ben ik bezweken. Niemand wist dat we zouden trouwen. Zelfs mijn eigen familie niet, alleen mijn ouders waren op de hoogte. Ik had op het gemeentehuis ook gezegd dat ik niemand wilde zien. Meer nog: ze moesten daar een contract ondertekenen waarin gestipuleerd stond dat het huwelijk geheim moest blijven.”
Dat je als bekende Nederlander de publiciteit schuwt op zo’n dag, dat kan ik nog volgen. Maar wat bezielde je om zelfs je broer en zussen buiten te houden?
“Ik was gewoon niet blij met mezelf, toen. Mijn broer kwam bij me langs toen ik er niet was, keek door het raam en zag allemaal kaartjes met Engelse gelukwensen staan. Die wist dus hoe laat het was, al heeft hij me dat achteraf nooit verteld. Ik hield natuurlijk wel van Amanda, maar eigenlijk heb ik mijn jawoord toch wel een beetje uit schuldgevoel gegeven. Het is een sombere periode waar ik niet graag op terugkijk. Ik zat in een huwelijk dat me niet beviel, had een groep waarmee het niet boterde en woonde in een huis dat veel te groot was om me goed in te voelen. Ik naderde het punt waarop ik helemaal niet meer verder zou willen, dus toen werd het tijd om grote schoonmaak te houden. Eerst heb ik mijn manager ontslagen, dan de groep ontbonden, vervolgens mijn huwelijk stopgezet en ten slotte ben ik verhuisd. De breuk met de Frank Boeijen Groep was niet gemakkelijk. De meesten hadden net een huis gekocht en zaten diep in de schulden. Op de koop toe waren er links en rechts wat kinderen op komst. Kortom: they were not amused. De rest van de tournee hebben we afgewerkt zonder een woord met elkaar te wisselen.”
Gelukkig was er toen een nieuw begin. In je eentje werd je, toen ‘Koud in mijn hart’ uitkwam, meteen ook wereldberoemd in Vlaanderen.
“Dat is één van de mooiste periodes in mijn leven, ja. Amanda en ik waren toen ook weer samen.”
Jullie waren inmiddels toch gescheiden?
“Volgens mij zijn we nooit echt gescheiden.”
Wat bedoel je met ‘volgens mij?’ Doorgaans weten mensen wel of ze al dan niet met iemand getrouwd zijn.
“In 1992 is het definitief spaak gelopen, terwijl ik toen net gepland had om een jaar vrij te nemen, zodat we aan onze relatie konden werken. Tien jaar later – ik was net met een enorme kater wakker geworden in een Duits hotel – kreeg ik telefoon van haar. Ze stond op het punt te hertrouwen en had dringend onze echtscheidingsdocumenten nodig. Maar we waren nooit officieel uit elkaar gegaan, dus die waren er niet. Toen heb ik mijn accountant en mijn secretaris dat in zeven haasten laten regelen en kennelijk is het toch goed gekomen. (lacht hard) Ik besef dat het een verhaal is dat geen hond gelooft, maar het is niettemin echt waar.”
Ben je moeilijk om mee samen te leven?
“Dat denk ik niet, nee. Ze kwam uit het grote Londen en kon in een gat als Nijmegen niet aarden. Daar lag het probleem. Ik was ook veel weg voor optredens en zo. Op de duur was ze zo eenzaam dat ze elke week naar de kapper ging om even met iemand te kunnen praten. Ik denk ook dat Amanda zich altijd een buitenstaander is blijven voelen. Bovendien vond ze Nederlanders heel onbeschoft. Het jaar dat we uit elkaar gingen, werd ik erg verliefd op Agnes. Alleen: ze vertrouwde me niet. Ze had zoveel wilde verhalen over die Boeijen gehoord, dat ze er niet eens aan dacht iets met me te beginnen. In Spanje is het dan uiteindelijk toch goed gekomen en daar is dan Jazz in Barcelona ontstaan, een plaat waarop ik ook het verdriet bij het stranden van mijn vorige relatie van me heb afgeschreven. Ik was zwaar in therapie, toen.”
Hoe kwam je erbij om daarmee te beginnen?
“Mijn zus heeft me meegenomen, omdat ze vond dat het niet zo goed ging met haar kleine broertje. Uiteindelijk ben ik drie jaar in behandeling geweest. In die periode heb ik een nummer geschreven, ‘Schreeuw zonder geluid’, dat perfect weergeeft hoe ik me toen voelde. Ik lag hele dagen in bed of zat zomaar wat voor me uit te staren. Zo’n therapie is niet van de poes. Ik ging wekelijks bij een mevrouw langs die, te beginnen bij mijn jeugd, alle onverwerkte emoties uit me trok. En dan kwamen al die vragen weer boven. Waar komt het drankgebruik vandaan? En de hang naar drugs? En de paranoia? Ik wist niet eens hoe ik met mensen moest praten, hoe je hen in de ogen moest kijken tijdens een gesprek. Dat heb ik echt moeten leren.”
Had je na drie jaar therapie al de antwoorden die je wilde hebben?
“Nee. Ik had op de duur gewoon in de gaten dat ik er helemaal niets aan had. Die sessies sloegen nergens op, maar ik kon er per keer wel vijfenzeventig euro voor ophoesten. Pas achteraf heb ik gemerkt dat mijn gesprekken daar toch geen maat voor niets zijn geweest. Het is een beetje als naar de tandarts gaan: eerst heb je pijn en vervloek je die man omdat hij met een spuit in je mond zit, maar achteraf voel je je opgelucht. Zo gaat het met veel dingen in het leven. Dus toen achteraf ook mijn relatie naar de kloten ging, ben ik toch weer naar een therapeut gegaan. Het leuke is trouwens dat ik inmiddels alweer een tijd met Agnes samen ben.”
Je hebt ook lange tijd coke genomen. Waarom zocht je je heil in drugs?
“Iedereen gebruikte cocaïne in de jaren tachtig. In Hilversum kreeg je het voortdurend aangeboden en in de studio waar we opnamen, had je altijd wel een berg coke op een schaaltje liggen, inclusief mesjes om de boel te versnijden. Ik putte daar heel veel energie uit en kon er ontzettend lang door drinken zonder dronken te worden. Op de koop toe was de cocaïne van uitstekende kwaliteit, toen. Tegenwoordig is het allemaal rotzooi. Nu blow ik vooral. Liefst na het avondeten. Een jointje om te ontspannen. Ik kan me niet eens herinneren dat ik ooit heb opgetreden zonder eerst wat te roken.”
In hoeverre is het belangrijk dat het publiek waardering toont voor je werk?
“Ik voel niet de behoefte om een publiek te behagen en doelbewust op zoek gaan naar een hit is ook niets voor mij. Als je daarmee begint, is het einde zoek. Waar het om gaat, is dat je iets maakt wat je zelf oké vindt. Als je voortdurend tegemoet komt aan je publiek, krijg je op de duur een soort democratische kunst en daar geloof ik niet in.”
Je hebt al negentien cd’s gemaakt, een behoorlijke nalatenschap. Vind je het belangrijk om met je werk een verschil te maken, om het Nederlands als gezongen taal te hebben beïnvloed?
“Ach. Iedereen laat wat na. Een paard ook en als je daar niet op let, trap je erin. Het is me er dus niet om te doen een stempel te drukken. Ik voel gewoon een neiging om muziek te maken en ik heb gemerkt dat die heel moeilijk valt uit te roeien. Er is een jaar geweest dat ik niets schreef en toen smeekte mijn omgeving me na een tijd om weer iets op papier te zetten. Omdat het voor iedereen duidelijk was hoezeer ik leed.”
Je hebt in je carrière op gezette tijdstippen nummers geschreven waarin je de pijnpunten van de samenleving blootlegt. Ook nu weer, op As. Beschouw je het als je taak om commentaar te leveren op wat zich in de wereld afspeelt?
“Nee. Zangers hebben geen taak.”
Ik heb je anders zelf ooit horen zeggen dat het de rol van de zanger is om een luis in de pels van de maatschappij te zijn.
“Ach ja. Ik was nog jong toen. En kwaad. Ik heb nog altijd het gevoel dat het hele land is afgebroken. Als ik nu in Frankrijk een huis zie staan waar een bordje met vendu ophangt, moet ik altijd aan Nederland denken. Nederland is verkocht. Aan het grootkapitaal en aan het populisme. Aan de democratische wet om zoveel mogelijk stemmen te ronselen en dan ten koste van alles te kunnen blijven regeren. Ik heb geen enkel vertrouwen meer in politici, dus ga ik ook niet stemmen.”
En zo verandert er nooit wat.
“Je kunt toch niet ontkennen dat het nergens goed gaat in Europa? Alleen in Portugal en Spanje valt het mee. Dat zijn landen waar de dictatuur vers in het geheugen ligt en ze heel omzichtig met hun herwonnen vrijheid omgaan. Maar Balkenende is een naam die ik niet eens over mijn lippen krijg. En André Rouvoet noemt zichzelf een christen, maar hij is een fundamentalist. Kijk: als je vindt dat vrouwen nog net mogen stemmen maar voorts geen enkele verantwoordelijkheid verdienen, wat is dan nog het verschil met de taliban? Dat is het mooie aan democratie: na vier jaar mogen ze weer opdonderen. Al heb ik weinig hoop op een beter alternatief.”
Om zo apolitiek te zijn, vind ik dat je behoorlijk op dreef bent. Je afkeer heeft je kennelijk niet apathisch gemaakt.
“Natuurlijk niet. Eigenlijk is het heel simpel. Kijk naar de wereldkaart en kleur daar de gebieden in waar de mensen het moeten rooien met drie cent per dag. Vergelijk dat met het aantal landen waar iedereen vlot 100 euro per dag opstrijkt en het wordt meteen heel logisch dat die armen de oversteek maken. Je kunt het tij alleen keren door de kloof te dichten. Want ze komen hier niet voor hun plezier naartoe en de meesten worden er ook niet gelukkiger op. Want niemand doet aardig en in België en Nederland is het altijd rotweer. Asielzoekers mogen hier niet eens werken. Dus die zitten soms zeven, acht jaar op elkaar gepakt in zo’n centrum. Ik ben daar wel eens langs geweest en eerlijk: ik snap niet dat ze niet allemaal gek worden en met een mitrailleur de straat opgaan.”
Je reist enorm veel. Grote delen van je jongste plaat zijn in Bali geschreven en je bent net terug uit Portugal. Het lijkt haast alsof je niet meer thuis bent dan strikt noodzakelijk is.
“Ik vind het gewoon fijn om weg te zijn en er zijn natuurlijk ook vooroordelen die ik zelf nog moet overwinnen. Tien jaar geleden ben ik in Oostende zonder de minste aanleiding in elkaar geslagen door drie Albanezen en sindsdien schijt ik in mijn broek als ik er tegenkom op straat. Russen boezemen mij ook een enorme angst in, terwijl daar rationeel geen enkele verklaring voor is. Misschien helpt het om daar ooit nog naartoe te gaan. De vlucht naar het buitenland is ook een manier om niet voortdurend met gezeik over Frank Boeijen geconfronteerd te worden. Dus ga ik het liefst naar plekken waar ik zo weinig mogelijk andere Nederlanders tegenkom.”
Lukt dat, of zit je aan de andere kant van de wereld toch meteen weer tussen de luidruchtige landgenoten?
“Je lacht, maar dat was mijn eerste ervaring met Bali. Ik was net aangekomen, wilde ’s ochtends gaan zwemmen en wandelde in de schemering tussen de huisjes, tot achter mijn rug plots zo’n idioot ‘Kronenburg Park’ begon te zingen. Ik heb me linea recta omgedraaid en ben meteen mijn koffers gaan pakken. In Italië kom ik weliswaar veel Vlamingen tegen, maar die zijn altijd heel rustig en vragen beleefd een autogram. Met hen kun je dus leuk praten. Nederlanders gaan altijd meteen schreeuwen en zijn er trots op wanneer ze me herkennen.”
Je bekendheid is dus meer een last dan een voordeel?
“Vreselijk. Voor de roem moet je het niet doen, want roem is een hel. Dat zei Sartre al: L’enfer, c’est les autres. Maar zo gaat dat. Je bent jong, je droom komt uit. Op de duur weet je niet meer wat voor of achter is en word je financieel opgelicht. Plotseling vinden heel verkeerde mensen je aardig omdat ze veel geld aan je verdienen. En iedereen herkent je. Het enige voordeel aan bekend zijn is dat mensen je meteen vertrouwen. Mensen kunnen me plaatsen en weten dat ik hen niet meteen de keel zal oversnijden. Al is dat een recent fenomeen. Vroeger was er alleen de totale adoratie of werd ik verrot gescholden.
“Alleen: tegenwoordig heeft iedereen een camera op zijn telefoon. Dus iedereen wil snel een fotootje. Het zal vast niet lang meer duren voor je op YouTube filmpjes kunt bekijken waarin Frank Boeijen dronken als een tor een bordeel verlaat.”
Ben je daardoor meer op je privacy gesteld dan vroeger?
“Nee. Op het strand vind ik dat herkend worden wel erg, want ik ben een heel preutse man. Dus meestal ga ik naar een plek waar je moet betalen, want daar komen nooit Nederlanders. En dan nog zit ik daar meestal onder een parasol met een hele grote hoed op en een zonnebril. Bovendien: ik heb een buikje, dus ik hou ook een hemd aan. Niet ideaal, maar er zijn ergere dingen in het leven. Honger. Aids. Kanker. Depressies. Anderzijds: er zijn een boel interessante mensen die ik nooit ontmoet zou hebben mocht ik niet zijn wie ik ben. Of ik kom mensen tegen die tijdens de begrafenis van een geliefde ‘Zeg me dat het niet zo is’ hebben gedraaid. Ook mooi.”
Welke muziek zou je zelf willen op je begrafenis?
“Ik wil helemaal geen muziek. Echt niks. Dat is allemaal al vastgelegd. Ik zal niet verbrand worden maar begraven. En niet in zo’n akelige rotkist maar in een loden bak met goedkoop vuurhout errond. Daar mogen alle muzikanten met wie ik ooit heb samengewerkt zich een breuk aan heffen. (lacht) Als je op mijn begrafenis komt en je hoort muziek, dan hoop ik dat je rechtstaat en luidop zegt dat dat niet strookt met mijn laatste wens. (denkt na) Misschien toch één nummer. Van Joni Mitchell: ‘I’ve looked at life from both sides now.’ Dat lijkt me wel passen bij de gelegenheid.”
Ben je gelovig?
“Ik ben mijn geloof verloren toen ik zag dat Sinterklaas eigenlijk mijn vader was. Ik herkende hem aan zijn ogen. Nu zie ik mezelf als een agnost. De Bijbel werd al door de Romeinen aangepast, dus wie dat boek nu nog letterlijk toepast, getuigt van een ongekende domheid. Eigenlijk is religie hetzelfde als muziek maken: je probeert iets te bevatten wat niet te verklaren is.”
Straks word je vijftig. Jou kennende is dat iets wat je bezighoudt.
“Het heeft wel een tijdje in mijn gedachten gespeeld, ja. Ik heb altijd een bandeloos leven geleid, rook als een schoorsteen en drink tot de fles leeg is. Omdat ik er sowieso van ben uitgegaan dat ik nooit oud zal worden. Maar sinds ik veertig ben, heb ik wel schik in het leven gekregen en nu wil ik best nog even doorgaan. Al blijft het een gek idee om vijftig te worden. (zwijgt) Ik ben de jongste van tien, dus echt oud zal ik nooit worden. Ik heb een zus die naar de zeventig gaat. Mijn moeder was vierenveertig toen ik geboren werd en mijn vader heb ik pas op zijn zestigste echt goed leren kennen. Leeftijd is dus erg relatief. Er duikt alleen het besef op dat ik niet meer mag talmen.
“Aan mijn jongste plaat heb ik drie jaar gewerkt. Dat kan ik me geen twee keer veroorloven. Volgens mijn arts heb ik de conditie van een jonge man, stellen mijn longen het zonder vlekken en blijft mijn bloeddruk laag. Alleen ’s ochtends voel ik wel eens wat pijn, links en rechts. Maar dat is een goed teken. De dag dat ik die niet meer voel, is de dag dat mijn hart is ingeslapen.”
All rights reserved


Please log in or register to post a comment.
Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can: