Arts Centre Vooruit, Ghent, Belgium

Skip to main content

Skip to navigation



Persrecensie: Eeuwig twijfelt de dichter

Herman de Coninck stak wat tijd in poëzie: in zijn eigen gedichten, in de essays die hij erover schreef, in de vele brieven aan aspirerende dichters die hun werk naar hem stuurden. Geen betere patroonheilige voor de poëzietournee ,,Koningsblauw’’, die vanavond van start gaat. Vanavond is De Coninck ook het onderwerp van ,,Histories’’ op Canvas. Wij plukten uit zijn brieven wat hij zelf van poëzie vond.

‘Geachte mevrouw,’’ schrijft Herman de Coninck in 1991 aan Rozette Servaes, die hem een paar gedichten ter publicatie in het Nieuw Wereldtijdschrift ( NWT ) had opgestuurd, ,,ik weet niet goed wat ik met u moet doen. U bent een soort zondagsdichteres, zoals er ook zondagsschilders bestaan. U maakt de fouten die daarbij horen: de meeste van uw gedichten rijmen te naïef, zijn sympathiek omdat ze onhandig zijn, niet: omdat ze goed zijn, zijn soms gewoon stuntelig.’’ Maar een alinea verder schrijft hij met oprechte bewondering: ,,Eén enkel gedicht stijgt echter boven alles uit: ,,Lommel’’, over het soldatenkerkhof aldaar. Daarvan zou een poster gemaakt moeten worden voor elke vredesbeweging van nu tot het jaar 2100. Dat is dan ook geen gedicht van een dichter – want die zit in een ivoren toren te vergeten waar het leven om gaat – maar van een huismoeder, die weet hoeveel een kilo suiker kost, en vanaf welke maand de asperges weer betaalbaar worden. En op die nuchtere manier weet zij ook hoeveel een oorlog kost.’‘

Het is een van de vele brieven in de bundel Een aangename postumiteit. Brieven 1965-1997 (De Arbeiderspers) waarin De Coninck schrijft aan dichters, al dan niet beroeps. Vaker niet, want toen De Coninck in 1983 hoofdredacteur werd van het NWT , stroomden de gedichten toe. Tot wanhoop van De Coninck overigens, die in verscheidene brieven aan de kandidaten uitlegt dat hij voortaan alleen nog standaard ,,nee bedankt’’-briefjes gaat uitsturen. En keer op keer toch verleid wordt om uit te leggen waarom het ,,nee’’ is. ,,Ofschoon uw gedichten me niet helemaal onwelgevallig zijn, komen ze toch niet voor publicatie in aanmerking. De grappen en woordspelingen zijn daarvoor te nadrukkelijk en nog te studentikoos. (Dit is een bezwaar dat ik zelf ook altijd heb moeten horen, het doet me plezier het met dezen eens te kunnen retoerneren.)’’ Of, een enkele keer in een vernietigende bui: ,,Hierbij stuur ik uw manuscript terug. Aangezien ik al na een aantal bladzijden hoofdpijn had, heb ik niet verder gelezen.’‘

,,Een schrijver heeft, zoals een timmerman hout, een minimum aan taalbeheersing en helderheid nodig, en u hebt geen van beide. Ik zeg dit liever nogal cru, omdat het geen zin heeft u met valse hoop aan het lijntje te houden: dit wordt nooit iets.’‘

Het geeft, in een paar regels, al een goed idee van wat De Coninck op prijs stelde in poëzie. Niet toevallig beantwoorden zijn eigen gedichten aan die criteria: helderheid, herkenbare beelden, rijm dat niet voor de hand ligt. Zolang de hoofdzonde maar niet werd beoefend: pathetiek, want daar had hij een broertje aan dood.

De criteria die hij daarbij niet hanteerde, waren de literatuurwetenschappelijke. Aan termen als postmodernisme, deconstructivisme en zo meer had hij een hekel. In een brief aan de criticus Georges Wildemeersch, die hem in 1980 om biografische gegevens had gevraagd, liet hij het zich al ontvallen: ,,Vestdijk was iemand die elke poëziebundel zijn eigen normen liet bepalen, en de vraag was minder: beantwoordt deze bundel aan mijn eisen, als: beantwoordt ze aan haar eigen eisen. Vestdijk heeft me o.a. Pierre Kemp en Ida M. Gerhardt doen appreciëren, lang voor dat gemeengoed was, heeft me doen dwepen met Rilkes Neue Gedichte en me geleerd hoeveel beter die waren dan de Elegieën .’‘

In een terzijde in een brief aan de dichter Ed Leeflang, om zijn bewondering uit te drukken voor diens bundel Op Pennewips Plek (1982), geeft de twijfelaar De Coninck zich het blootst. ,,(Ik denk vaak dat haast ál mijn poëtische waardering ook ethische waardering is, waardering voor de nuance, de aarzeling, het twijfelen, wat leerzamer is dan het tegendeel.)’’ Dat laat ons toe een van de weinige zekerheden in zijn brieven met een korrel zout te nemen. Als hij Leonard Nolens – weer van de partij op Koningsblauw – in 1992 feliciteert met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie die hij net gewonnen heeft, klinkt het bijna atypisch: ,,Ik ben ook blij voor de poëzie. Dat is toch al een genre dat niet veel langer dan tot 2100 zal blijven bestaan.’‘

www.standaard.be

Post a comment

Please log in or register to post a comment.

Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can:

  • take part in the community activities on our website
  • keep a personal calendar of your favourite events
  • upload pictures and make friends
  • keep your favouiete photos, videos, music, texts or comments
  • rate other comments
Tags
Keep this (0)

Related events

Koningsblauw
19 May 2006
Koningsblauw – Behoud de Begeerte
22 May 2007

Contact us

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Send us an e-mail)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital