Arts Centre Vooruit, Ghent, Belgium

Skip to main content

Skip to navigation



Persartikel: Het Chagrin d"Amour van Annelies Verbeke

Haar pen is als een scalpel voor menselijke emoties. In haar nieuwste roman Vissen redden toont ze zich van haar scherpste en zachtste kant. Ze werd beloond met een nominatie voor de Opzij Literatuurprijs, de BNG Nieuwe Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs. Vanaf volgende week staat ze mee op het podium bij Chagrin d”Amour. Een portret van Annelies Verbeke (34). “In mij huizen zoveel mensen.”

Er is iets doodgegaan in mij”, zei ze net voor het verschijnen van haar roman. Wat er dan onder de grafzerk lag? “Een soort naïviteit, vrees ik. Het geloof in de grote liefde.” Liefde is het grootste goed. Dat had ze altijd gedacht. Op haar 33ste corrigeerde ze haar levensvisie door toevoeging van een prefix. “Ik heb liefde vervangen door zelfliefde.” Misschien spreekt ze nog het liefst over “universele liefde”. Al die soorten liefdes. Ze is er de voorbije maanden nogal over uitgevraagd door de pers. Dat heeft ze te danken aan die schitterende roman, Vissen redden. “Ik heb twee jaar aan een boek gewerkt om mijn ruwe emoties te verheffen tot een artistiek product. Maar omdat ik een publieke figuur ben, wordt mij voortdurend gevraagd naar de achterliggende, ware gebeurtenissen.”
In haar roman schetst ze de vluchtweg van een vrouw: de vlucht van het liefdesverdriet voor een man in het weldoenerschap voor vissen. Natuurlijk kent ze het. Het verdriet. Ze had er bij het schrijven van haar roman zelf onder te lijden. “Groot geluk sloeg om in hevig gemis. Onze overlevingsmechanismen bleken niet compatibel.” Ze woont nu weer alleen. Haar hond blaft in de keuken. “Uit angst of om mij te beschermen, daar kom ik nog altijd niet achter.”
Ze is er bovenop. Ze heeft weer een evenwicht gevonden. Maar ze kent ook de soorten ontsporing van een verslagen mens. “Mij terugtrekken bij het leesvoer. In bad zitten. Op café gaan. Ik heb veel vrienden, dus ik vond altijd wel iemand om laat mee door te zakken. Een tijd heb ik ook veel gedronken. Ik heb een paar maanden op een grens gebalanceerd. Tot ik heel bewust tegen mezelf heb gezegd: gedaan. Ik ga nu eens in de eerste plaats voor mezelf zorgen. Maak iets. Doe wat. Ik heb een les in nederigheid gehad.” Dat ze de controle kon verliezen, was stevige cursus voor een controlefreak. “Bij het schrijven moet ik het einde al vanaf het begin kennen. Het moet een verhaal worden in plaats van losse fragmenten. Ik teken in potlood een verhaal uit in gelijnde Moleskineschriftjes. Met een ontknoping. Maar in het leven gebeuren de dingen gewoon. Zoek maar uit wat je ermee doet.” Schriftloos schreed ze verder en zo ging de wereld ook wel open. “Mijn leven is goed zolang het in het “nu” is. Maar ik mag ook wel niet te veel in het verleden of in de toekomst denken. Ik ben bang geworden voor romantiek, maar heb weer van mezelf leren houden, zoals dat heet.
“Het is vrij tragisch om erachter te komen dat ik van de liefde dingen verwacht die niet noodzakelijk goed zijn voor mij. Moet zij mij echt aan stukken blazen?”
Naast haar toilet ligt een handleiding in aikido. Iedere maandag en donderdag leert ze de kracht van de aanval te beheersen. “De verdediging moet juist zijn. Je moet er een harmonisch model van maken. Hoe harder je aangevallen wordt, hoe minder kracht je zelf nodig hebt om die kracht weg te leiden.”
“Waarom zwemt de paling eeuwen door allerlei hindernissen naar de Sargassozee als hij uiteindelijk toch uitsterft?” Het is de vraag die haar overspannen hoofdpersonage zich stelt in Vissen redden. “Het wijst op een totale zinloosheid. Waarom maak je al dat moois dan mee? Waarom zien mensen niet in dat het einde van een relatie, als alle kaarten op tafel liggen, net het beste begin kan zijn?”
“Blijkbaar is voor mij de liefde pas echt als ik helemaal de controle verlies, erin kan verdwijnen. Mezelf overgeven en dan beginnen te protesteren omdat ik er niet in wil opgaan. Het gevoel te watertrappelen. In dit leven moet ik niet al te veel van mijn sokkel gerukt worden. Het moet schrijfbaar blijven.” Hoewel. “Wat mij overhoop haalt, dwingt mij mezelf te herkneden en rekening te houden met de vele Annelies Verbekes die ik ben.”

Outsider

Annelies Verbeke werd geboren op de koudste dag van het jaar 1976, 6 februari. Twee en een half jaar later viel ze met haar hoofd op een arduinen steen. “Je kunt het nog altijd zien.” Ze wijst op het litteken op haar voorhoofd. Mijn eerste herinnering: “Ik stapte uit de auto van mijn moeder. Mijn voetje bleef hangen. Ik voelde het bloed over mijn gezicht lopen. De paniek van mijn vader. Hij dacht dat mijn ogen eruit gevallen waren. Zijn stem die riep: “Wat is het nummer van de 900?” Daar wordt in familiekring nog altijd om gelachen. Humor hadden ze bij ons thuis wel. Het geluid van de ambulance. “Kun je een ballon opblazen?”, vroeg de dokter. En ik die dacht: “Wat een vreemde vraag stelt u aan een gekwetst kind.” Waarna hij mij onmiddellijk verdoofde met een masker.”
“Ik was een outsider op vele manieren. Ik kleedde mij ook anders dan de rest. Ik was er helemaal niet mee bezig hoe ik in een groep moest passen.”
Ze groeide op in een art-decovilla in Londerzeel, een typisch Vlaamse gemeente, waar mensen eerder van fermettes hielden. “Mijn ouders hadden een andere stijl en een ander beroep dan die van de andere kinderen van de school. Mijn vader was socialistisch, de rest van het dorp CVP. Mijn ouders hebben me altijd geleerd contact te hebben met alle soorten mensen. Ik heb me nooit moeten conformeren aan de rest, hoewel ik er het liefst gewoon bij hoorde. Ik was zeker niet het gepeste kind. Alles in mijn leven is altijd dubbel geweest: bij de ene groep was ik erg populair, bij de andere werd ik afgemaakt. Dat is altijd zo gebleven. Tot in de recensies van mijn werk.”
Je bent een outsider zodra je schrijft, dat leerde ze al snel. Ze kon schrijven, vond de juf van de lagere school al. “Ik had een opstel geschreven over een stervend Afrikaans kind, vanuit het perspectief van de vader. Daar was ik best fier op. Tot de juf zei dat ik het in de andere klassen moest voorlezen. Die schaamte om mezelf te presenteren. De kinderen die achter hun tafeltjes gniffelend naar mij zaten te kijken, de blikken van anderen die zich lieten meesleuren door de emotie van het verhaal. Jaloezie, gehoon of bewondering, ik ben er altijd aan overgeleverd gebleven. Zowel lof als kritiek isoleert. Het liefst was ik onzichtbaar geweest. Soms heb ik er spijt van dat ik geen mannelijk pseudoniem gekozen heb om als een obscure figuur verborgen te blijven achter mijn werk.
“Ik was zo”n meisje dat op haar zesde alleen naar de kerk ging om Jezus te ontmoeten. Ik las graag de kinderbijbel, die verhalen stonden zo buiten mijn wereld. Mijn ouders lieten me begaan, hoewel ze zelf niet katholiek waren.
“Mijn beide ouders zijn arbeiderskinderen die hun eigen koers gevaren hebben. De moeder van mijn vader was strijkster. Mijn vader droeg altijd mooie kleertjes en zat op een katholieke school. Daar heeft hij een trauma aan overgehouden. Op een dag stond in zijn rapport dat hij ofwel mannequin moest worden of in de Eternitfabriek moest gaan werken, want dat sommige kleren en sommige scholen niet voor sommige kinderen bestemd zijn. Hij heeft weerwraak genomen door naar de universiteit te gaan. Hij werd rechter. Ik kan hem met een gerust gemoed mijn grote voorbeeld noemen van hoe je van jezelf iets kunt maken. Mijn moeder is verpleegster, altijd enorm zorgzaam maar ook het slachtoffer van een teveel aan geven. Zo gaat dat in de zorgsector.
“Ze werden verliefd op elkaar toen ze twaalf waren. Ik groeide op in een idyllisch gezin, mijn ouders waren passioneel verliefd op elkaar.” De idylle stortte in elkaar. Ook de scheiding was passioneel. “Begin jaren negentig kwam er in ons huis iets enorm donkers en woedends naar boven.” Ontploffende en ontwortelde ouders. Verslagen volwassenen. “Ik was toen zestien. Ik heb van dichtbij meegemaakt wat een scheiding met ouders doet. Ik ben later bekropen door het gevoel dat ik voor mijn vader en moeder de huispsycholoog was. Pas nu besef ik dat er misschien iets afwijkends is geweest in de situatie waarin ik opgroeide. Mijn broer heeft dat ook. Ik neem het mijn ouders niet kwalijk. Ik denk dat het bij hun generatie hoort. De sfeer was vaak nog explosiever bij mijn toenmalige vriendje thuis, waar ik soms naartoe vluchtte. Daar ontwikkelde zich een woedeprobleem bij de kinderen. Mijn lief sloeg soms zijn hele kamer bij elkaar. Ach, ontwrichte gezinnen. Ik kon er altijd terecht. Warmte was er genoeg. Wat die generatie soms te weinig had, was schaamte.”
De loyaliteit van kinderen ten opzichte van hun ouders wordt altijd onderschat. “Kinderen vinden het normaal dat ze hun ouders opvangen. Ik heb moeten leren dat niet te blijven doen. Mocht ik ooit moeder worden, dan zou ik ervoor waken een zekere afstandelijkheid te behouden ten opzichte van mijn kinderen.” Men zegt toch dat het ergste wat ouders hun kinderen kunnen aandoen, volmaakt zijn is? “Maar ik ben wel voor een soort gereserveerdheid en afstand. Controle en privacy. Als ik terugdenk aan die periode vind ik soms nog dat ik meer hulp had moeten bieden. Ik had mijn moeder meer met het huishouden moeten helpen toen ze het zo moeilijk had, in plaats van haar psychisch te proberen ondersteunen. Ik was tenslotte zeventien. Maar ze was en is zo perfectionistisch dat haar helpen in het huishouden niet altijd makkelijk was.”
Verbeke zong in die tijd in rockbandjes. Ze schreef de liedjes. “Ik herinner me nog een refrein, over “Chicka wunderbird, fly away or you get hurtಚ” Pathetisch… Het ging vooral over mijn eigen twijfels.” Even later ging ze met haar vriendje samenwonen en studeren. Toen ze pas op de universiteit zat, vluchtte ze van hem weg. “Te veel geweld geduld.”
In ieder geval waren er “toestanden”. “Toestanden, het is iets wat ik in mijn leven redelijk veel heb gehad. Dat voortdurende emotioneel overhoop gehaald worden of jezelf daar juist voortdurend voor moeten afschermen, is gewoon niet goed voor een mens. Op de duur is het ook niet meer opbouwend. Ik heb veel vrijheid genoten. Ik denk dat ik uit liefde en bezorgdheid over mijn ouders nooit ontspoord ben.
””Parentificatie”, zei een psycholoog bij wie ik enkele keren ben gegaan en die me voor het overige weinig bijgebracht heeft. Ik herken in mezelf een soort zorgzaamheid die mijn moeder ook kan hebben. Ik heb de behoefte om het mensen comfortabel te maken. In de psychologie heet dat proflecteren. Het is wel sterk dat daar een naam voor bestaat, alsof het een ziekte is. Sommige mensen zorgen voor anderen omdat ze niet voor zichzelf kunnen zorgen, dat is waar. Maar als je ook goed voor jezelf kunt zorgen, is het mooi als je het ook op een niet-dwangmatige manier voor anderen doet. Dat is toch geen problematisch gedrag?”

Mensen vullen

“Ik ben een Grunbergpersonage”, heeft ze wel eens van zichzelf gedacht. “Al dat koken, is dat niet om dingen te verdringen?” Haar caritatieve verdringingsrecord haalde ze op haar 27ste verjaardag. “Niet dat het toen zo erg met mij gesteld was.” Ze nodigde veertig mensen uit voor wie ze een uitgebreide maaltijd begon te bereiden. De grote tafel stond vol hapjes. Nadat ze de plastic vershoudfolie die maar aan zichzelf bleef kleven over de veertigste schotel had proberen te trekken, knalde ze de rol tegen de muur. “Ik heb mezelf eens goed uitgelachen. Ik kan soms doorslaan in koken voor mensen. Het is een teken dat ik geen weg weet met mezelf. Dan sta ik voortdurend in de keuken, geen tijd om met iemand te praten en voortdurend overspannen te glimlachen naar iedereen.”
Ook haar nieuwste boek Vissen redden begint met een feest. “De ontkenning van verdriet. Koken is daar gewoon een uiting van. Het is een behoefte aan verbinden. Je maakt iets wat je letterlijk in de mensen hun lichamen kunt steken. Ik wil mensen vullen.”
Ze heeft zich altijd wel als een einzelgänger beschouwd. Wel veel vrienden maar toch op zichzelf. “Ik wil een probleem niet uitspreken voor ik het zelf heb opgelost.” Bang om te krimpen tot haar probleem. “In mij huizen zoveel mensen. Als ik mijn probleem aan anderen meedeel, blijft het aan al die aspecten van mijn persoon plakken.” En toch de behoefte aan een intiem verbond. “Willen samenvallen met iemand. Ook mijn schrijven is een poging te communiceren en in iemand door te dringen. Ik denk lang na. Ik werk lang aan iets waarvan ik vind dat het ertoe doet en dan giet ik het in iemands hoofd.”
In Vissen redden schaart het hoofdpersonage, een schrijfster die het schrijven heeft opgegeven, zich achter milieuactivisten. “Ik hoop dat milieuactivisten zich niet te erg aangevallen voelen. Wat ik mijn hoofdpersonage duidelijk wil maken is: vis is niet zo belangrijk, je reddingspoging is een manier om je eigen probleem te ontkennen. De vrouw voelt wat iedereen voelt die zich verpletterd weet door een enorm groot verdriet: de wereld vergaat. Omdat ze geen weerstand aan haar eigen verdriet kan bieden, verdiept ze zich in de problemen van de door overbevissing uitstervende oceaan. Ik zou nooit een boek schrijven om een ecologisch thema aan te kaarten. Ik eet wel geen tonijn meer sindsdien. De blauwvintonijn is echt aan het uitsterven!
“Engagement wordt heel eng gezien door recensenten: gebruik een actueel thema en geef je mening daarover. Een zoektocht naar dingen die van groot belang zijn in menselijke hoofden, naar het fixeren op winnen en verliezen, is ook engagement. Elke oorlog begint in een menselijk hoofd.”
Engagement toont ze liever via mededogen dan door barricadeacties. “Ik heb moeite met het soort praatprogramma”s of columns waarin grote meningen worden verkondigd. Het gaat mij absoluut aan wat er in Gaza gebeurt, maar ik vind het storend als mensen hier ruzie beginnen maken over wie van hen er dan de juiste mening over heeft. Het is bijna decadent. Als je altijd vanuit een gelijk of een ideologie vertrekt, geraak je uiteindelijk nog meer in de knoop.
“De meeste schrijvers van mijn generatie zijn echt wel betrokken op wat er in de wereld gebeurt, maar dan eerder beschouwend. Ze weigeren een ideologie naar voren te schuiven. Schrijvers van de vorige generatie als Tom Lanoye, die ik zeer graag lees en erg waardeer, of Kristien Hemmerechts gaan daar op een veel striktere manier vanuit een links gedachtegoed mee om. Dat heeft ook te maken met een generatie die zichzelf ziet als: hebbende een taak als schrijver. Terwijl ik voor mij als schrijver die neutrale blik probeer te ontwikkelen.
“Het is toch nodig om empathisch om te gaan met je omgeving. Onze maatschappij veronderstelt zoveel hardheid en narcisme.” Verbeke verwijst naar het boek De depressie-epidemie van Trudi Dehue. “Gelukkig zijn is een verplichting geworden. Het is ontluisterend hoe antidepressiva worden gebruikt om een maatschappij draaiende te houden. In een neoliberale maatschappij, die Nederland misschien nog wel meer is dan België, word je verplicht om gelukkig te zijn en om niemand lastig te vallen en maar in het rijtje met de rest mee te lopen.”
Als er in haar werk een boodschap zit, is het een oproep tot begrip voor non-conformisme. “Een pleidooi voor authenticiteit. De afwijking in de menselijke geest fascineert mij. Normaliteit is ook maar een consensus die van hogerhand wordt opgelegd.”

Ilja als mantra

Verbeke leest een gedicht voor. Aan haar keukentafel. Ze is ontroerd.

Hoe bestaat het dat een niet bestaande ridder bestaat
in zijn holle harnas?

door wilskracht en geloof in de heilige zaak

En vrij zijn
dat zijn nog maar praatjes
van meisjes met egoïstische bloemetjes in hun hoofd
en mannen met motoren

laat de maan de vloed bevrijden
ziek als de maan
om een naam
zo zout als de zee

en wees vrij
als een horige op zijn laatste slagveld
onder het schitterend rode en gouden vaandel
van de naam
waarvoor je sneuvelt

rechtop
onherroepelijk
en zielsgelukkig

“Ik heb een zomer lang dit gedicht van Ilja Leonard Pfeijffer als mantra gebruikt, iedere dag een paar keer opgezegd. Meer dan één keer heb ik erbij geweend. Het is een plek om als mens te landen. Blijf bij jezelf. Ga je eigen weg, zelfzeker, in de wetenschap dat het ook maar een van de vele wegen is die je in je leven kunt gaan. Concentreer je niet op het verlies, dat is tijdverspilling. Zie wat je eerst als “obstakels” zag als onderdelen van je leven. Het is als een openbaring. Ik heb ontdekt dat er iets in mij bestaat waarop ik terug kan vallen.”
En hoe dan de naam luidt waarvoor ze sneuvelt? “Schrijven.”
“Ik ben door mijn vader opgevoed met de opdracht: maakt iets van uzelf. Hij zou echt teleurgesteld geweest zijn in mij als ik het gewone traditionele vrouwenleven had gekozen. Ik heb pas later ingezien dat de meeste mannen nog van een vrouw verwachten dat ze voor hen zorgt. Ik had niet gedacht dat ik ooit zou moeten kiezen tussen een carrière en een gelukkig liefdesleven.
“Er zijn gewoon veel vrouwen die vanaf hun vijftiende gericht zijn op man en kind, en dat dan gewoon zoeken.” Terwijl zij, de gevierde schrijfster, dacht: “Waarom maak ik het me zo ingewikkeld. Hier sta ik weer. Ik moet het weer een keer allemaal alleen gaan doen. Ik ben door een fase gegaan waarin ik dacht: “Waarom kan ik nu niet gewoon zijn en mij helemaal richten op een vent, of zo.””
Die gedachte ebde weg. “Het mooie aan literatuur en kunst is dat je een emotie of een gedachte laat afkoelen zoals je een baksteen laat afkoelen en er dan mee begint te bouwen, of nog wat omkneedt en omvormt en er misschien nog iets aan toevoegt, zodat je het bouwwerk solider maakt. Waar een mens uiteindelijk op terugvalt, is op de heropbouw van zijn waardigheid. De redding zit binnenin.”

www.demorgen.be

Post a comment

Please log in or register to post a comment.

Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can:

  • take part in the community activities on our website
  • keep a personal calendar of your favourite events
  • upload pictures and make friends
  • keep your favouiete photos, videos, music, texts or comments
  • rate other comments
  • by Anna Luyten (De Morgen, 06 feb 2010)
  • Copy_arr All rights reserved
  • Uploaded on 08 Feb 2010
Tags
Artists
Annelies Verbeke
Keep this (0)

Contact us

Kunstencentrum Vooruit vzw, Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, BE (Send us an e-mail)
De Morgen | Radio 1 | P&V | Vlaamse Regering | Provincie Oost-Vlaanderen | Stad Gent Transdigital