In den beginne was er niets, toen kwam er een knal en kroop wat organische blubber uit de zee. De blubber werd sapiens, ging rechtstaan en zette de wereld naar zijn hand. Pythagoras keek naar de natuur en zag daarin wiskunde, de Arabieren speelden met buskruit en het alfabet, en Ptolemaeus liet de planeten cirkels rond de aarde beschrijven. Toen brachten de middeleeuwen ons brandstapels, processen en pauselijke verdicten, maar alle moeite ten spijt- niet wij, maar de zon bleek het centrum van het heelal.
De aarde verloor haar goddelijke status. Bacon ontrafelde het mysterie van de regenboog, Kepler berekende de snelheid van de planeten, Newton ontdekte de zwaartekracht en Antonie van Leeuwenhoek boekte de eerste resultaten met de microscoop. Toen kwamen industriële en andere revoluties, iemand die iets zei over het aapachtige ontstaan van de mens, iemand iets over God die dood was, iemand met een theorie over het kapitaal en uiteindelijk een kleine man met een snorretje. En toen gebeurde er iets in Japan met een bom en op de maan iets met een eerste stap.
De mens, nu, raakte een beetje in de war. Hij was ervan op de hoogte dat alles relatief, onzeker en toevallig was, maar op de één of andere manier werkte dat niet echt troostend… De wereld bestond uit atomen, atomen bestonden uit elektronen, elektronen uit quanta, quanta uit snaren en die snaren uit….wat was het nu ook weer?
Pleidooi voor het behoud van een beetje mysterie
Is het zo dat hoe meer we naar de waarheid zoeken, hoe minder we weten? Wil de mens überhaupt nog wel iets weten? In de 17de eeuw, hoogdagen van de wetenschap, schreef schilder Johannes Vermeer een lange brief aan zijn vriend en wetenschapper Antonie van Leeuwenhoek, die onder zijn microscopen nieuwe werkelijkheden ontdekte. Vermeer was ongerust over die nieuwe ontwikkelingen, ongerust over de vlucht die de wetenschappen zouden nemen. Hier volgt zijn brief:
“U zult ongetwijfeld verrast zijn dat ik schrijf, in plaats van eenvoudigweg bij u langs te komen op het laboratorium, voor de schemering, zoals dat vaak gebeurt. Maar ik geloof dat ik niet voldoende moed heb, ik weet niet hoe ik u recht in het gezicht moet zeggen wat u binnen enkele ogenblikken zult lezen.
Liever schreef ik deze brief niet. Ik heb lange tijd geaarzeld, omdat ik onze vriendschap waarachtig niet aan gevaar bloot wenste te stellen. Ten slotte heb ik besloten het toch te doen. Er zijn, per slot van rekening, belangrijker zaken dan van Leeuwenhoek, belangrijker dan Vermeer.
Een paar dagen geleden liet u mij onder uw nieuwe microscoop een druppel water zien. Ik dacht altijd dat het zo zuiver als glas was, terwijl er in werkelijkheid wonderlijke creaturen in ronddwarrelen, als in Bosch’ doorzichtige hel. Gedurende deze demonstratie sloeg u mijn ontzetting gade, en ik meen met voldoening. Tussen ons heerste stilte. Toen zei u heel langzaam en weloverwogen: ‘Dat is water, mijn beste, dàt en niet anders’.
Ik begreep wat u bedoelde, dat wij, kunstenaars, verschijningsvormen vastleggen, het leven van schaduwen en de bedriegelijke buitenkant van de wereld; wij hebben de moed niet, of het vermogen om het wezen van de dingen te doorgronden. Wij zijn, om het zo eens te zeggen, ambachtslieden die werken met het materiaal illusie, terwijl u en uw gelijken heer en meester over de waarheid zijn.
De kleren van de keizer
Zoals u weet bezat mijn vader de taveerne Mechelen, op het marktplein. Daar kwam geregeld een oude zeeman die over de hele wereld gezworven had, van Indo-China tot Brazilië en van Madagascar tot de Noordelijkse Ijszee. Ik kan me goed herinneren. Hij was altijd fors aangeschoten, maar vertelde schitterende verhalen, en iedereen luisterde gretig naar hem. Hij was de trekpleister van het lokaal, als een groot, bont schilderij, of een exotisch dier. Een van zijn favoriete verhalen ging over de Chinese keizer Shi Huang-ti.
Deze keizer gaf het bevel zijn land te doen omheinen door een dikke muur, teneinde alles wat anders was buiten te sluiten. Hij liet alle boeken verbranden zodat hij niet naar de vermanende stem van het verleden zou hoeven te luisteren; hij verbood op straffe des doods de beoefening van iedere vorm van kunst. (De totale nutteloosheid van kunst was immers op flagrante wijze duidelijk wanneer die werd vergeleken met zulke belangrijke staatszaken als het bouwen van een fortificatie of het onthoofden van rebellen.) En zo verscholen dichters, schilders en musici zich in de bergen en verafgelegen klooster; zij leidden het bestaan van bannelingen, op de hielen gezeten door een stelletje verklikkers. Op de pleinen gingen schilderijen, waaiers, beelden, bewerkte stoffen, objets du vertu en alles wat maar als fraai kon worden beschouwd, op de brandstapel. Mannen, vrouwen en kinderen droegen allemaal dezelfde askleurige kleren. De keizer verklaarde zelfs de bloemen de oorlog; hij gaf opdracht de velden waar ze groeiden, onder stenen te begraven. Een speciaal decreet verordonneerde dat een ieder bij zonsondergang thuis moest zijn, de ramen stevig verduisterd met zwarte gordijnen, want (dat weet u zelf wel) wat een ongelooflijke schilderijen laten zich niet schilderen door de wind, de wolken en het licht van zonsondergang!
Dictatuur van de wetenschap
De keizer hechtte uitsluitend waarde aan wetenschap. Beoefenaren der wetenschap werden door hem met goud en eerbetoon overladen. Iedere dag brachten astronomen wel nieuws dat er een nieuwe of denkbeeldige ster was ondekt. Op feodale wijze kreeg die man de naam van de keizer, en spoedig krioelde het hele firmament van de oplichtende puntjes van Shi Huang-ti, Shi Huang-ti, Shi Huang-ti, enzovoort.
Wiskundigen ploeterden om nieuwe numerieke stelsels uit te vinden, ingewikkelde vergelijkingen en onvoorstelbare meetkundige figuren, terwijl zij maar al te goed wisten dat hun inspanningen vruchteloos bleven, zonder enig nut voor wie dan ook. Natuurhistorici beloofden dat zij spoedig een boom zouden ontwikkelen waarvan de kroon in de aarde was verankerd en waarvan de wortels tot aan de hemel reikten, en ook een tarwekorrel zo groot als een vuist.
Uiteindelijk begeerde de keizer onsterfelijkheid. Artsen voerden wrede experimenten uit op mensen en dieren, om het geheim te onsluieren van het eeuwige hart, de eeuwige lever en de eeuwige longen.
Zoals het zo vaak gaat met mannen van de daad, wenste de keizer het aangezicht van hemel en aarde te veranderen, zodat zijn naam voor eeuwig gegrift zou staan in het geheugen van toekomstige generaties. Hij begreep niet dat het leven van een gewone boer, schoenmaker of kruidenier veel meer eerbied en bewordering verdiende, terwijl hijzelf een bloedeloze letter werd, een symbool tussen ontelbare symbolen van waanzin en geweld die zich monotoon herhalen. Na alle misdaden, alle emotionele verwoestingen die hij bij de mensen had aangericht, was zijn eigen dood zo banaal dat het wreed was: hij stikte in één enkele druif. De natuur getrooste zich niet eens de inspanning van een wervelstorm of een zondevloed om hem mee van het aardoppervlak weg te vagen.
De raadselen der natuur
Misschien zult u vragen waarom ik u dit alles vertel, en wat het verband is tussen het verhaal over de heerser in een vreemd land en uw druppel water. Hoogstwaarschijnlijk zal mijn antwoord niet erg duidelijk of samenhangend zijn, en ik hoop dat u de woorden van een man vervuld is van angstige voorgevoelens zult begrijpen. Ik ben bang dat u, en anderen zoals u, een gevaarlijke weg inslaan, die de mensheid weleens niet alleen voordeel zou kunnen bezorgen, maar ook onherstelbaar leed zou kunnen berokkenen.
Heeft u niet opgemerkt dat naarmate de middelen en werktuigen tot observatie vervolmaakt worden, de doelen steeds verder weg komen te liggen en ongrijpbaarder worden? Met iedere nieuwe ontdekking opent zich een nieuwe afgrond. Wij zijn meer en meer alléén in de mysterieuze leegte van het heelal. Ik weet dat u de mensen wilt wegvoeren uit de labyrinten van bijgeloof en toeval, dat hun betrouwbare, heldere kennis wilt verschaffen, die volgens u de enige verdediging is tegen vrees en angst. Maar zal het ons werkelijk verlichting schenken als het woord‘onvermijdelijkheid’ in de plaats stellen van het woord ‘voorzienigheid’ ?
Hoogstwaarschijnlijk zult u mij voor de voeten werpen dat onze kunst de raadselen van de natuur niet vermag op te lossen. Het is niet onze taak raadselen op te lossen, maar om ons rekenschap van die raadselen te geven, het hoofd ervoor te buigen, en ook om de ogen voor te bereiden op eeuwigdurende verrukking en verwondering.
Als u echter absoluut ontdekkingen verlangt, dan zal ik vertellen dat ik trots ben, erin geslaagd te zijn zowel een bepaald, heel bijzonder intens kobalt te combineren met lichtgevend, citroenachtig geel, alsook de weerschijn van het zuiderlicht vast te leggen dat door dik glas op een grijze muur valt. De gereedschappen die wij gebruiken zijn inderdaad primitief: een stokje, met aan het uiteinde een bosje bosje brostelige haren, een vierkante plank, pigmenten en olie. Eeuwenlang zijn die niet veranderd, evenmin als het menselijk lichaam of de menselijke aard.
Als ik mijn opdracht goed versta, is het de mens te verzoenen met de hem omringde werkelijkheid. Dit is de reden dat ik en mijn gildebroeders een eindeloos aantal malen de lucht en de wolken schilderen, de potretten van mensen en steden, al die bric-à-brac van de kosmos, omdat wij ons alleen daar veilig en gelukkig voelen.
Onze wegen scheiden zich. Ik weet dat ik u niet zal kunnen overtuigen, en dat u het polijsten van lenzen noch het bouwen van uw Toren van Babel zult opgeven. Maar laat u ons dan ook vrij om door te gaan met onze archaïsche werkwijze, om de wereld woorden van verzoening toe te voegen en te spreken over de vreugde die voorkomt uit de herwonnen harmonie, en over het eeuwige verlangen naar wederkerige liefde.”
All rights reserved


Please log in or register to post a comment.
Becoming a member is free of charge and only takes a couple of minutes. As a member you can: